Kanttekeningen bij Canadese kennissucces

Nieuws | de redactie
2 april 2008 | Canada is geen echte koploper als het gaat om innovatie, zo zegt Axel van den Berg, professor economic sociology aan McGill University. Maar weinig geld wordt besteed aan R&D en het land is meer een commodity economy. Flexibel is de economie van Canada wel en qua immigratiebeleid zijn de Canadezen altijd slim te werk gegaan. Tijdens de grote hervormingen van de arbeidsmarkt in Canada van de jaren negentig is er maar weinig veranderd, blijkt uit zijn eigen onderzoek. Veel grotere veranderingen zijn te zien bij de hervormingen die in het Verenigd Koninkrijk en Denemarken hebben plaatsgevonden.



Axel van den Berg kwam in 1976 naar Montreal om te promoveren. Naar eigen zeggen omdat hij vluchtte van de radicaal linkse politicologie in Amsterdam in die tijd. Na zijn promotie doceerde hij aan de University of Alberta, maar keerde al gauw terug naar McGill University. Sindsdien heeft hij aan enkele universiteiten in Europa onderzoek gedaan en les gegeven, maar Montreal bleef zijn thuishaven. Van den Berg is tevens betrokken bij het Europese onderzoeksnetwerk Transitional Labour Markets (TLM.Net) en was onder andere de co-auteur van het officiële beleidsrapport van dat netwerk: Managing Social Risks through Transitional Labour Markets: towards an enriched European Employment Strategy (2006).

Dat het de Canadese economie goed is afgegaan in de afgelopen jaren is niet te wijten aan de innovatiepolitiek in Canada, vertelt Van den Berg, wanneer ik hoopvol vraag of Canada gezien kan worden als een koploper op het gebied van innovatie. Canada heeft ruwweg een sprong gemaakt van de primaire naar de tertiaire sector, zonder daarbij wezenlijk de secundaire sector te hebben opgebouwd. Veel bedrijven die zich in Canada gevestigd hebben zijn van oorsprong Amerikaans waardoor zij geld voor R&D in de VS investeren. Dit maakt dat de R&D investeringen in Canada laag liggen. Daarnaast vormen grondstoffen een van de belangrijkste producten en dat is geen hightech-markt.

Ook het aantal graduates dat Canada in de loop der jaren heeft afgeleverd, ligt laag. Het succes hier ligt bij het immigratiebeleid. Canada is altijd al kieskeurig geweest over wie ze binnen laten. Hoog opgeleide immigranten hebben het interne tekort vaak opgelost. Humanitair is dit waarschijnlijk niet iets om trots op te zijn, maar het is wel een erg succesvolle politiek geweest. Tegelijkertijd blijft een probleem dat in het buitenland behaalde diploma’s in Canada moeilijk worden erkend. Medici die hun diploma in een ander land hebben behaald krijgen bijvoorbeeld enorme problemen hier aan de slag te komen. Uit onderzoek in Toronto blijkt dat dit geen racistisch probleem is, alswel een probleem van erkenning. Zodra een immigrant een diploma in Canada heeft behaald, zijn de problemen opgelost.

In de jaren negentig werden in Canada, net als in veel andere landen, hervormingen op de arbeidsmarkt aangekondigd. De hervormingen hadden de reputatie dat het beknibbelen van de regering was. Volgens critici vormde het een aanslag op de minst bedeelden. Dit bleek niet het geval te zijn, blijkt nu uit onderzoek van Van den Berg. Dit komt echter vooral omdat de hervormingen een stuk minder spectaculair waren dan werd voorgesteld. De hervormingen hadden een activerend karakter, het moest mensen door negatieve en positieve prikkels aan het werk krijgen. Canada had in wezen al zo’n systeem, de arbeidsmarkt is hier heel flexibel. Canada heeft al heel lang een van de laagste werkeloosheidscijfers van de OECD. Het is dan ook moeilijk om langdurig een uitkering te krijgen en de uitkeringen zijn laag, dit werkt kennelijk. Wat uniek is voor Canada is de plaatsgebonden uitkering. Afhankelijk van het gebied waar iemand woont en de werkeloosheidscijfers in dit gebied wordt het aantal weken uitkering bepaald waarop diegene recht heeft.

De vraag die op dit moment ook voor Canada speelt is hoe een balans kan worden gevonden tussen de welvaartsstaat en de flexibiliteit van de economie. Het Deense model is op dit moment het snoepje van de week, volgens Van den Berg. Hij noemt het gevaarlijk om steeds weer een ander model als politieke speelbal te gebruiken. Alle goed functionerende maatschappijen hebben hun ups en downs . Wanneer het goed gaat met zo een land is dat opeens het ideale model en wanneer het weer minder gaat komt iedereen met een nieuwe best practice. Zo ging het met het poldermodel en zo zal het ook met het Deense model gaan. Hier wordt in de politiek maar weinig van geleerd. Bovendien heeft veel te maken met macro- economisch geluk, maar dat zullen politici natuurlijk niet snel toegeven.

Desondanks is het Deense model zeker het bekijken waard. Wat daar nu gebeurt in de kennissector is erg slim, zegt Van den Berg. Maar het model is ook afhankelijk van het karakter van de Deense economie. In Denemarken zijn er vooral middelgrote en kleine bedrijven die producten met een hoge ‘skill-waarde’ produceren en zich vooral toeleggen op specialisatie in componenten van producten. Deze bedrijven willen absoluut geen ontslagbescherming, omdat ze niet de flexibiliteit hebben dit op te vangen. Het gevolg is dat werknemers makkelijk worden ontslagen en de uitkeringen hoog zijn, maar er ook veel beweging in de markt zit. Door de kleinschaligheid staan bedrijven bovendien open voor het delen van kennis met elkaar. De traditioneel sterke vakbonden betalen en organiseren daarnaast samen met de overheid veel van de scholing van de werknemers. Maar de werkgevers zijn in de beleidskringen sterk vertegenwoordigd. Het Deense model is dus niet zomaar te kopiëren.

Op de vraag wat Van den Berg denkt van de invloed van de Europese eenwording op de arbeidsmarkt stelt hij dat alleen bij een ‘nieuwe aardappelnood’ de mensen echt gaan verplaatsen. De Europese integratie heeft op de arbeidsmigratie waarschijnlijk minder invloed dan nu soms wordt gevreesd, aldus Van den Berg. Wanneer EU maar enigzins hetzelfde effect heeft op Oost-Europa als dat het heeft gehad op Ierland, Spanje en Portugal blijft iedereen thuis. Arbeidskrachten zijn minder mobiel dan vaak gedacht, zeker in Europa. Op de korte termijn houden de goedkope arbeidskrachten industrieën die gebaat zijn bij lage lonen in West-Europa op de been. Op de lange termijn zijn er twee andere enorme problemen waar Europa last van krijgt: het gigantische arbeidstekort dat ontstaat door het wegvallen van de baby-boom generatie en het masaal vroeg met pensioen gaan van ouderen. De ‘pay-as-you- go’ pensioenregelingen gaan zich nu wreken in Europa. Bovendien gaan de laag gekwalificeerde werknemers het eerst met pensioen. Er is de neiging deze mensen niet verder op te leiden, maar dit moet nu toch gaan gebeuren.

Als een ander groeiend probleem signaleert Van den Berg de verschillen tussen lager en hoger opgeleide werknemers. Naar lager opgeleide mensen is in de huidige economie minder vraag door de komst van technologie en omdat door de invoering van een minimumloon veel banen niet meer rendabel zijn. Dan heb je de keuze of je het minimumloon afschaft en zoals in Amerika deze laagbetaalde banen toch creëert, of dat je deze mensen deels beter gaat opleiden en deels de banen subsidieert. Europese landen kiezen nu voor het tweede, maar ze moeten hun economie ook flexibel houden. Buiten dit probleem blijft het investeren in meer hoger opgeleiden natuurlijk belangrijk, omdat zij op de lange duur de concurrentiekracht en de arbeidskwaliteit van de Europese economiën bepalen.

Over de omvorming van het hoger onderwijs in Europa naar een meer Angelsaksisch model is Van den Berg sceptisch. Europeanen denken dat ze weten hoe het universiteitssysteem in de Angelsaksische landen werkt, maar vergeten dat de kern van dit systeem zelfstandigheid en concurrentie is. In Europa wil men nu hetzelfde systeem, alleen wel centaal geleid. Dat is onmogelijk en leidt bijvoorbeeld tot de gekke situatie dat hoogleraren worden afgerekend op hun economisch rendement. Steeds meer wil men focussen op toegepaste studies die direct iets bijdragen aan de economie, ook dat is een bedenkelijke tendens. Niemand weet of dat uiteindelijk echt iets gaat opleveren. “Zelf denk ik dat sociale wetenschappen en letteren op termijn misschien wel meer opleveren voor de economie dan deze toegepaste wetenschap, maar dat is moeilijk aan te tonen.”

Geert Buijs


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK