Kostenloos studeren kan

Nieuws | de redactie
17 april 2008 |

Collegegelddifferentiatie in combinatie met een sociaal leenstelsel is bevorderlijk voor zowel de kwaliteit als de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Nicholas Barr van de London School of Economics gooide bij de OESO de kuppel in het hoenderhok met een betoog, dat aansluit bij dat van Jacques Tichelaar op ScienceGuide .Nicholas Barr bekijkt het hoger onderwijs vanuit een economische blik en een brede internationale ervaring. “De wereld is veranderd: vijftig jaar geleden was het hoger onderwijs economisch geen factor van betekenis. Nu streven vele regeringen naar hogere kwaliteit en hogere instroom in het hoger onderwijs. Je kunt die twee doelen tegelijkertijd bereiken, maar niet als de financiering van het hoger onderwijs tegelijkertijd gelijk blijft of zelfs terugloopt”.

Aansturing van het hoger onderwijs door de overheid is nauwelijks nog mogelijk. “De aantallen instellingen, studenten en de verschillen tussen opleidingen zijn simpelweg te groot”. Wenselijk is het ook al niet: “Je kunt ervan uitgaan dat een student over het algemeen een goed geïnformeerde consument is. Dat betekent niet dat een student altijd goed kiest, maar wel dat studenten over het algemeen wel betere keuzes maken dan overheidsbureaucraten.”

Engeland
De regering-Thatcher introduceerde in 1989 voor het Britse HO inkomensafhankelijke leningen. Sindsdien is de participatie in het hoger onderwijs spectaculair gestegen: van 14% in 1989 naar 43% in 2005. Maar de publieke financiering van het hoger onderwijs is niet meegegroeid, waardoor de effectieve bekostiging per student in diezelfde periode met 40% is teruggelopen. Dat riep zorgen op over de kwaliteit die de HO-instellingen aan die sterk gegroiede doelgroep kan leveren.

In 2006 voerde de regering-Blair een sociaal leenstelsel in, gecombineerd met collegegelddifferentiatie. Het collegegeld voor een bachelorstudie is maximaal £3000,- per jaar kosten. Studenten betalen hun collegegelden na hun studie via de belastingen terug, als inkomensafhankelijke lening. Over hun inkomsten betalen ze 9% studiebelasting over inkomsten boven £15,000, totdat het voor hen vastgestelde bedrag is terugbetaald. Wat betekende dit voor het aantal inschrijvingen? Die daalden in 2006 licht, maar zaten in 2007 alweer boven het niveau van 2006. De maatregel legde de universiteiten geen windeieren: alleen al in 2006 zagen zij hun inkomsten met £1,3 miljard stijgen.

Sociaal leenstelsel
Een sociaal leenstelsel maakt het mogelijk kostenloos te studeren. Het bedrag moet groot genoeg zijn om collegegelden en kosten van levensonderhoud te dekken. Na de studie betaal je via de belastingen een inkomensafhankelijk bedrag terug. Een dergelijke manier van belasting heffen is volgens Barr nivellerend, want zo verschuif je middelen van mensen met meer kansen naar mensen met minder kansen.

Barr pleit voor collegegelddifferentiatie. Het is niet alleen bevorderlijk voor de kwaliteit, maar ook eerlijker. “Waarom zou een student op een plaatselijk instituut evenveel betalen als een student op een universiteit van wereldklasse?” Weliswaar kan plotselinge liberalisatie zorgen voor politieke instabiliteit (dat gebeurde in Nieuw-Zeeland). Maar niet invoeren van collegegelddifferentiatie is een ‘vergissing’, omdat het de toegankelijkheid en de kwaliteit schaadt.

Ervaringen uit andere landen
Uit ervaringen in Australië, Nieuw Zeeland,  en Hongarije blijkt dat een sociaal leenstelsel de toegankelijkheid van het hoger onderwijs niet schaadt. Het blijkt daarbij duur om studenten te compenseren voor rentetarieven die banken vragen. In onder meer Nederland is echter gebleken dat het wel degelijk politiek mogelijk is om rentetarieven reëel te houden in plaats van marktconform, zegt Barr. Daarbij doet het ertoe hoe je het leenstelsel opzet. In Hongarije is het gelukt een goed leenstelsel op te zetten dat grotendeels privaat gefinancierd wordt.

Andere vormen van financiering
Barr analyseerde ook alternatieven die vaak in de discussie de ronde doen. Hij stipte daarbij de volgende knelpunten aan:
– Natuurlijk is het ook mogelijk ouders te vragen mee te betalen. Maar de participatie in het hoger onderwijs vergroot je daarmee niet.
– Je kunt studenten vragen een baantje te nemen, maar dat gaat doorgaans ten koste van de studie.
– Ook werkgevers kunnen best meebetalen aan de studie. Maar bij de huidige grote mobiliteit op de arbeidsmarkt hebben ze daar weinig reden toe.
– HO- instellingen kunnen natuurlijk ook inkomsten  genereren uit commerciële activiteiten en fondsenwerving. De mogelijkheden daarvan worden echter snel overschat.