Hoofddoek, twistappel, splijtzwam

Nieuws | de redactie
10 juni 2008 | De nieuwe wet die hoofddoeken op Turkse universiteiten mogelijk zou maken, werd afgewezen door het Turkse Constitutionele Hof. 62 % van de Turkse vrouwen bedekt het hoofd, 99 % van de bevolking is moslim. Hoe komt het toch dat juist de hoofddoek zo’n splijtzwam is in de Turkse samenleving? Pieter Dronkers, AIO ethiek in Utrecht en oud-bestuurslid van de LSVb, gaat hierop in in zijn boek Tamar. Een reisverhaal over Turkse en Franse hoofddoeken. Op ScienceGuide leest u een voorpublicatie.


 
Straatsburg, 10 november 2005 – Hoofddoeken in de rechtszaal 

‘En toch heb ik gelijk,’ reageerde ze op de uitspraak. Na vier jaar in Bursa medicijnen te hebben gestudeerd, besloot Leyla S¸ahin dat ze haar studie in Istanbul wilde afmaken. In de zomer van 1997 schreef ze zich in bij de medische faculteit van de Universiteit van Istanbul. Het eerste halfjaar was er geen vuiltje aan de lucht. Collegedagen regen zich aaneen en het ene na het andere tentamen diende zich aan. Totdat Leyla zich op 12 maart 1998 meldde voor een schriftelijk oncologie. Ze mocht het examenlokaal niet in. Een paar weken eerder had de universiteit de kledingreglementen aangescherpt. Vrouwen met hoofddoek en mannen met baard waren niet langer welkom tijdens lessen en toetsen. En Leyla droeg een hoofddoek. 

Na het oncologietentamen volgden de weigeringen voor colleges en examens elkaar snel op. Leyla vroeg de rechtbank nog om de regeling van de universiteit ongeldig te verklaren. Zonder resultaat. De rechter oordeelde dat het verbod van de hoofddoek volkomen legaal was. Leyla kreeg van haar decaan de waarschuwing dat ze zich voortaan aan de kledingvoorschriften had te houden. Ze gaf niet op en vond steeds meer steun. Er werden handtekeningen verzameld en protestmarsen georganiseerd. Maar de regeling bleef van kracht en het onvermijdelijke gebeurde. Leyla werd van de universiteit gestuurd.   

Ze tekende protest aan bij alle mogelijke gerechtelijke instanties en belandde uiteindelijk bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Ze klaagde dat de hoofddoekban botste met godsdienstvrijheid. Bovendien vond ze het verbod in strijd met haar recht op onderwijs. Het Hof oordeelde in 2005 dat er inderdaad inbreuk was gemaakt op de rechten van Leyla. Maar, schreef het Hof, daar bestonden goede redenen voor. Het verbod was daarom rechtmatig. Leyla reageerde geschokt en teleurgesteld. Blijkbaar gold de godsdienstvrijheid niet voor moslima’s die hun hoofd willen bedekken, zei ze. 
 
Nekslag 

Het dragen van een hoofddoek ligt lastig in Turkije, ook al staat 99 procent van de inwoners als moslim in de boeken. Sinds de stichting van de Turkse Republiek in 1923 hebben opeenvolgende regeringen geprobeerd om de publieke invloed van de islam tot een minimum te beperken. Deze strenge secularisatiepolitiek had veel te maken met de manier waarop het Osmaanse rijk na de Eerste Wereldoorlog de nekslag was toegebracht. Tijdens die oorlog had het de kant van Oostenrijk- Hongarije en Duitsland gekozen.

Nadat het imperium als een van de verliezers uit de strijd was gekomen, voelden de geallieerden zich in 1920 gerechtigd om het rijk via het Verdrag van Sèvres in stukken te hakken. Armenië werd zelfstandig, Koerdistan semi-autonoom. Griekenland kreeg Thracië en Izmir. Frankrijk en Engeland ontfermden zich over de Osmaanse bezittingen in het Midden-Oosten. De Turken werd alleen Istanbul en een stuk van Noord-Anatolië gegund. Van het bijna eindeloze imperium van sultan Süleyman was weinig meer over. De gedwongen decimering leidde tot hevig verzet aan Turkse zijde. Na de bloedige Onafhankelijkheidsoorlog onder leiding van Mustafa Kemal Atatürk dwongen de Turken een nieuw verdrag af. Dat werd in 1923 in Lausanne ondertekend. Turkije kreeg nu het hele Anatolische schiereiland en het oostelijke gedeelte van Thracië. Armenië en Koerdistan verdwenen even makkelijk van de wereldkaart als ze er een paar jaar eerder op gezet waren. Met dit voor de Turken veel gunstiger Verdrag van Lausanne konden ze een nieuwe start maken. Op 29 oktober 1923 werd de Turkse Republiek uitgeroepen. Legerleider Atatürk werd haar eerste president. Na jaren van oorlog en zich voortslepende conflicten kon eindelijk de schop weer in de grond. 

Met Atatürk aan het roer werd de opbouw van het totaal verpauperde Turkije voortvarend aangepakt. De vraag was: hoe maak je van een stuk land een volwaardige republiek? Onder Süleyman verenigde het Osmaanse rijk meer dan zeventig volkeren en was het een delta van religieuze stromingen. Ondanks verwoede pogingen waren de machthebbers uiteindelijk niet in staat gebleken om dit bonte gezelschap bij elkaar te houden. In de negentiende eeuw hadden nationalistische bewegingen het rijk als een middelpuntvliedende kracht uit elkaar getrokken. Grieken, Bulgaren en Serviërs meenden dat het toch niet meer dan redelijk was dat ieder volk zichzelf mocht besturen. Er braken bloedige onafhankelijkheidsoorlogen uit waarin het Osmaanse rijk grote financiële en territoriale verliezen leed. Met de bodem van de schatkist in zicht werd het imperium voor zijn voortbestaan afhankelijk van de hulp van landen als Frankrijk en Engeland. Gesteund door westerse mogendheden probeerde het rijk zijn economie, staatsinrichting en militaire apparaat te vernieuwen. Maar het waren juist deze zogenaamde bondgenoten geweest die in 1920 met het Verdrag van Sèvres geprobeerd hadden het imperium definitief te ontmantelen. 

Verbindende identiteit 

De stichters van de nieuwe republiek wilden koste wat het kost een herhaling van dit scenario voorkomen. Er moest een autonome staat uit de grond gestampt worden, die krachtig genoeg was om weerstand te bieden aan iedere westerse poging om de Turken een tweede keer pootje te lichten. De eenheid van het nieuwe Turkije diende zo sterk te worden verankerd dat nieuwe afscheidingsbewegingen onmogelijk waren. Atatürk ging op zoek naar een verbindende identiteit voor zijn nieuwbakken republiek. Waarop kon hij die gewenste eenheid funderen? 

Een grondige modernisering van de samenleving was de eerste strategie die de revue passeerde. Turkije moest als een modern land op de kaart worden gezet. Echt nieuw was deze gedachtegang niet. Al in de negentiende eeuw hadden Osmaanse ambtenaren en militairen zich laten inspireren door wat er op politiek en economisch vlak gebeurde in het westen van Europa. Vooral de ontwikkelingen in Frankrijk werden op de voet gevolgd. In 1843 had de Franse Revolutie als lichtend voorbeeld gediend voor de toekenning van gelijke rechten aan moslims en andersgelovigen. Deze strategie had indertijd niet het gewenste samenbindende effect gehad. Maar als behalve de wetgeving ook de overheid, de economie en de cultuur op moderne leest zouden worden geschoeid, wie weet wat er dan bereikt kon worden. 

Anatolië presenteren als het thuisland van het Turkse volk. Dat was de tweede mogelijkheid om de nieuwe republiek een eigen identiteit te geven. Onder de Osmaanse sultans was deze strategie ondenkbaar, omdat de Turken toen in de minderheid waren. Bovendien hadden de millets, de religieuze bloedgroepen die het rijk bevolkten, onder Osmaans bestuur de vrijheid gekregen om zichzelf te organiseren. In de loop van de negentiende eeuw bleek de keerzijde van deze tolerantie. Nationale verbondenheid ging al snel boven trouw aan de sultan. De succesvolle onafhankelijkheidsstrijd van Grieken, Bulgaren en Serviërs liet zien hoeveel energie een veronderstelde onderlinge bloedband kon losmaken. In de nieuwe republiek zou een beroep op de gedeelde Turkse afkomst de burgers kunnen verenigen. 
 
Laatste troef

Het geloof was de laatste troef die als bindmiddel voor het nieuwe Turkije kon worden ingezet. Machiavelli had deze strategie al eens aanbevolen en de effectiviteit ervan was in de praktijk aangetoond. De gedeelde religieuze traditie had de onafhankelijkheidsstrijd van Grieken, Serviërs en Bulgaren een extra boost gegeven. En ook de sultans hadden deze methodiek in de praktijk gebracht. Op de grens van de negentiende en twintigste eeuw stond sultan Abdülhamit II aan het hoofd van het Osmaanse imperium. Het rijk was toen al veel van zijn door christenen bevolkte gebieden in het zuidoosten van Europa kwijtgeraakt. Abdülhamit II probeerde de overgebleven brokstukken bij elkaar te houden door de islam als cement te gebruiken. De sultan hoopte dat het geloof zijn onderdanen zou mobiliseren zich te verzetten tegen pogingen van landen als Frankrijk en Engeland om hun invloed in het Midden-Oosten uit te breiden. 

Atatürk hoefde zijn zoektocht naar een gemene deler voor de nieuwe republiek dus niet bij nul te beginnen. Modernisering, nationalisme en een gedeeld geloof. Het waren beproefde strategieën om een gemeenschappelijke identiteit te smeden. Van de Osmaanse ervaringen had de eerste Turkse president ook opgestoken dat het nodig was om de zaken grondig aan te pakken. Hij koos voor een mix van samenbindende strategieën, waarbij modernisering de boventoon voerde. Turkije moest een sterke staat worden door net als het machtige Frankrijk op verlichte waarden te koersen. Het ideologische fundament onder de nieuwe republiek bestond uit zes pijlers. 

De eerste was het republicanisme. Het Turkse volk moest autonoom beslissingen kunnen nemen. Voorkomen diende te worden dat andere mogendheden of religieuze instituten ooit nog invloed zouden kunnen uitoefenen op de gang van zaken in Turkije. Populisme voegde hier als tweede pijler aan toe dat de wil van het volk richtinggevend diende te zijn voor het overheidsbeleid. Individuele wensen of de voorkeuren van bepaalde groepen behoorden hieraan ondergeschikt te zijn. Als iedereen de ruimte zou krijgen om bijvoorbeeld de eigen taal te spreken, dan kwam de eenheid binnen de Turkse natie in gevaar.

Op economisch vlak resulteerde de gewenste Turkse autonomie in de derde pijler: het statisme. De overheid voerde tot aan de jaren tachtig een strakke regie over de economie. Buitenlandse inmenging in het Turkse bedrijfsleven werd zo veel mogelijk tegengegaan.

Op religieus terrein moest de republikeinse zelfstandigheid vooral gewaarborgd worden door de laïcité. Dit was de vierde pijler. Laïcité is het principe dat godsdienst geen overheersende invloed mag hebben op het publieke erf. Daarom besloot Atatürk de religieuze infrastructuur uit het Osmaanse rijk op te doeken. De sultans hadden maar in beperkte mate grip op godsdienstige instituten. De republiek wilde ook op dit gebied de absolute controle. Er kwam een aparte overheidsinstelling voor godsdienstige zaken, die de moskeeën en de daar dienstdoende geestelijken ging financieren. Een imam in overheidsdienst valt beter te controleren, was de gedachte. Ook werden de moslimbroederschappen verboden, omdat die te veel invloed hadden weten te krijgen op de politieke besluitvorming. 

Het nationalisme kreeg een plek als vijfde pijler van de nieuwe republiek. Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog hadden veel mensen hun leven gegeven voor het behoud van het geliefde Anatolië. Dit had de band tussen het schiereiland en de Turken alleen maar sterker gemaakt. De liefde voor het Turkse moederland uitte zich onder andere in de verheerlijking van het eenvoudige boerenleven op het Anatolische platteland. Daar was nog een glimp te zien van de oorspronkelijke Turkse levensstijl.

Het leverde de getrouwen van Mustafa Kemal Atatürk nog wel even wat hoofdbrekens op om deze hang naar het agrarische bestaan te combineren met de kemalistische moderniseringsdrang. Het Anatolische binnenland stond nou niet bepaald bekend als progressief. Niet meer, zo verbeterden ideologen de critici. De Turken waren eeuwenlang een modern, ruimdenkend en feministisch volk geweest. Vrouwen hadden van oudsher dezelfde rechten als mannen. Hoofddoeken werden alleen gedragen als de zon te fel scheen. Maar toen kwamen de islam en de Osmaanse sultans. Onder hun invloed raakten de Turken hun vooruitstrevendheid kwijt. Vrouwen kregen een ondergeschikte rol. Om Turkije uit dit dal te halen moest radicaal worden gebroken met de Osmaanse traditie. 
 
De revolutie is nooit af  

De zesde pijler was de overtuiging dat de revolutie nooit af is, en met dit idee in het achterhoofd werd onder leiding van Atatürk geprobeerd een forse culturele inhaalslag te maken. Geen middel bleef onbenut. Overheidscampagnes moesten de nieuwe waarden onder de mensen verspreiden. Het curriculum op scholen werd gemoderniseerd en in de dorpen en stadjes in Anatolië openden Volkshuizen de deuren. Deze boden de inwoners een waslijst met cursussen, waarin de republikeinse waarden op alle mogelijke wijzen centraal stonden. De Turkse taal werd gezuiverd van Arabische invloeden, onder meer door de invoering van het Latijnse schrift. Atatürk wilde dat de Turken zich een nieuwe, moderne levensstijl zouden toe- eigenen, die radicaal afweek van de islamitisch Osmaanse uit de eeuwen daarvoor. Daarbij had de positie van de vrouw de bijzondere aandacht van de president. 

Totdat Atatürk zijn culturele revolutie ontketende, vormden het huis en de familie het belangrijkste domein waar het leven van vrouwen zich afspeelde. Deze omgeving was afgeschermd voor de blikken van buitenstaanders. Als vrouwen de straat op gingen probeerden ze in hun gedrag en kleding deze beschermde sfeer zo veel mogelijk in stand te houden. In een moderne samenleving bestond geen ruimte meer voor deze islamitische moraal, aldus Atatürk. Vrouwen moesten een plek krijgen in het volle licht van het publieke leven. Stoppen met het dragen van bedekkende kleding was een goede eerste stap. Het dragen van een hoofddoek werd ontmoedigd en er kwamen overheidscampagnes om bijvoorbeeld het zwemmen in een modern badpak te stimuleren. Het vrouwelijk lichaam diende te worden bevrijd van de onderdrukkende autoriteit van de islam. 

Atatürk beperkte zijn bemoeienis met de positie van vrouwen niet tot een kledingoffensief. Hij wilde dat vrouwen gingen participeren in het culturele leven van theaters, operahuizen en danszalen. Tijdens een officieel militair bal zag Atatürk vrouwen ieder verzoek om mee te dansen afslaan. De president nam het woord. ‘Het is onvoorstelbaar dat er ook maar één vrouw op de wereld is die een Turk in officiersuniform kan weerstaan als ze ten dans gevraagd wordt. Dus vooruit, de vloer op!’ 

Ook deelname aan het arbeidsproces werd gestimuleerd. Vrouwen moesten hun nieuwe vrijheid gebruiken om een bijdrage te leveren aan de samenleving. Dit betekende studeren en werken. Vrouwen kwamen vooral in de gezondheidszorg, de juristerij en de universitaire wereld terecht. In 1934 voltooide Atatürk zijn emancipatiebeleid door vrouwen kiesrecht te geven. Na de eerste daaropvolgende verkiezingen in 1935 telde het Turkse parlement achttien vrouwelijke leden, een krappe vijf procent van het totaal. 

Verplicht emanciperen  

Atatürk heeft de emancipatie bijna eigenhandig doorgevoerd. Aan de strijd voor meer rechten kwamen de vrouwen zelf nauwelijks te pas. Door het emancipatiebeleid kon de staat laten zien dat het niet langer de islam was die de vrouwelijke speelruimte bepaalde, maar de Turkse Republiek. In Osmaanse dagen speelden vrouwen een belangrijke rol in het bewaren van de morele orde door zich bijvoorbeeld aan bepaalde kleding voorschriften te houden. In de republiek werden ze opnieuw hoedsters van een morele agenda, dit keer als vaandeldragers van de moderniteit. Organisaties die in de beginjaren van de republiek door vrouwen zelf waren opgezet om een eigen emancipatieagenda te bepalen, werden door Atatürk verboden. Pas sinds de jaren negentig zijn autonome vrouwenorganisaties in Turkije actief. Bovendien heeft het meer zeventig jaar geduurd voordat het percentage vrouwelijke volksvertegenwoordigers boven de vijf procent uit kwam. Sinds de verkiezingen van 22 juli 2007 is negen procent van de parlementariërs vrouw. 

Het moderniseringsproject van Mustafa Kemal Atatürk had een flinke impact. Vooral in de grote steden ontstond een elite van moderne burgers die trouw zwoeren aan het kemalistische gedachtegoed. Het waren de leden van deze groep die sleutelfuncties in de samenleving bekleedden. Nog steeds verdedigen veel mensen aan de top van de staatsbureaucratie, het leger, de universitaire wereld en de rechterlijke macht fanatiek de zes pijlers van Atatürk. Buiten deze kemalistische elite was de invloed van het moderniseringsproces beperkter. Niet iedereen was bereid zich aan te passen aan de officiële visie op hoe inwoners van Turkije zich hadden te gedragen en te kleden. Het voortdurende debat over de legitimiteit van de hoofddoek is daar een voorbeeld van. 

Tegenwoordig bedekt ongeveer 62 procent van de Turkse vrouwen op de een of andere manier het hoofd. Het overgrote deel van de hoofdbedekkingen veroorzaakt nauwelijks problemen. Ook niet voor de kemalistische elite. De traditionele hoofddoek die losjes wordt gedragen, roept romantische herinneringen op aan het Anatolische plattelandsleven. Hij is dan misschien wat ouderwets, maar wel authentiek Turks. Ongeveer twaalf procent van de vrouwen draagt de hoofddoek strak om het hoofd. En dat is de stijl die de kemalisten niet zint.  
 
Eigen keuze 
 
De hoofddoek wordt problematisch zodra de traditie omslaat in een eigen keuze. In de ogen van de verdedigers van de erfenis van Atatürk vertegenwoordigen vrouwen die hun hoofddoek op die manier dragen, een islam die opnieuw een plek zoekt in het openbare leven. De doek zou een politiek project symboliseren en is daarom volgens de kemalisten in strijd met de Turkse grondwet. Die bepaalt namelijk dat het verboden is om religie voor politieke doeleinden te gebruiken. Wie het de betreffende vrouwen zelf vraagt, krijgt meestal als antwoord dat zij het hoofd bedekken omdat het in hun ogen een van de plichten is die bij de islam horen. Nog geen half procent zegt dat ze met deze kledingwijze een politieke boodschap wil uit dragen.

Toch leidde het wantrouwen van vooral het leger in 1981 tot het eerste hoofddoekverbod op instellingen voor hoger onderwijs. Na hevige protesten werd die ban opgeheven, maar op een aantal universiteiten bleef hij van kracht. Om aan de heersende onduidelijkheid een einde te maken, wilde de Turkse regering in 1989 een wet invoeren die vrouwen met een hoofddoek weer toegang moest verschaffen tot alle universiteitscampussen. Het Constitutioneel Hof stak daar een stokje voor. Dit hoogste Turkse rechtscollege oordeelde dat de voorgenomen plannen in strijd waren met de in de grondwet vastgelegde laïcité. Ook deze uitspraak van het Hof bracht niet de gewenste helderheid. Een aantal rectoren ging soepel om met het voortaan algemeen geldende verbod. Maar als het politieke klimaat veranderde, werden soms de touwtjes weer even ferm aangetrokken.  

In 1998 was Leyla Sahin een van de vrouwen die vanwege een nieuwe bekrachtiging van het hoofddoekverbod van onderwijs werden uitgesloten. Tijdens de rechtszaak die door Leyla bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens tegen de ban gevoerd werd, ging het om twee verschillende kwesties. Was een verbod op de hoofddoek nodig om de laïcité in de Turkse Republiek te beschermen? En hoe verhield die hoofddoek zich eigenlijk tot de gelijkheid tussen man en vrouw? 

Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarop het Hof zich in zijn uitspraken baseert, garandeert in artikel negen de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Maar die vrijheid heeft zijn grenzen. Restricties zijn toegestaan op voorwaarde dat ze noodzakelijk zijn om in een democratische samenleving de openbare orde te beschermen of de rechten van anderen te waarborgen. Beperkingen moeten bovendien een wettelijke basis hebben, om willekeur te voorkomen. Leyla en haar opponent, de Turkse Republiek, waren het er snel over eens dat de hoofddoekban de godsdienstvrijheid beknotte. Het conflict ging over de vraag of deze inperking te rechtvaardigen was. Na beide partijen gehoord te hebben, oordeelde het Hof dat Turkije goede redenen had gehad voorhet gevoerde beleid. Een hoofddoek op een door de republiek bekostigde universiteit betekende een aantasting van het seculiere karakter van deze onderwijsinstellingen. Het beperken van de maatschappelijke invloed van religie stond als laïcité in de grondwet verwoord. Dat was een eerste reden om Turkije in het gelijk te stellen. 

Angst voor de politieke Islam 

Daarnaast deelde het Hof de vrees van de Turkse staat dat de hoofddoek een belangrijke pion was in de handen van de politieke islam. Het ultieme doel van deze stroming was de samenleving op islamitische leest te schoeien. Partijen en groepen die de invoering van een islamitische moraal najoegen, ondermijnden in de ogen van het Hof de moderne rechtsstaat en zijn basisbeginselen. Twee jaar eerder nog had hetzelfde Hof om die reden het verbod op de Turkse politieke Welvaartspartij goedgekeurd. Het was niet meer dan terecht dat de overheid maatregelen nam om activiteiten een halt toe te roepen die de rechtsorde zouden kunnen ondermijnen. 

Verder oordeelde het Hof dat de hoofddoek ook de vrijheid van anderen onder druk kon zetten. Vrouwen zonder hoofddoek zouden zich door de dragers gedwongen kunnen voelen er ook een om te doen. Een staat had het volste recht om de vrijheden van zijn burgers in te perken, wanneer die van anderen in het gedrang kwamen. 

Tot slot het punt van de seksegelijkheid. Het Hof zag de hoofddoek als een aan vrouwen opgedrongen symbool dat verwees naar de ondergeschiktheid aan de man. Vrouwen moesten beschermd worden tegen deze vorm van onderdrukking. Ook dat rechtvaardigde de restricties die de Turkse overheid had opgelegd.

Het oordeel van het Hof kent een paar bijlagen. Een daarvan bevat een afwijkende visie van een van de zeventien rechters van het Hof. De Belgische rechter Tulkens verschilde op veel punten met haar collega’s van mening en distantieerde zich van het oordeel. Volgens haar was tijdens de rechtszaak niet aangetoond dat het dragen van een hoofddoek de laïcité in gevaar bracht. Om te beginnen was op geen enkele manier onderbouwd dat de islam de Turkse samenleving in toenemende mate in zijn greep kreeg. Een ongefundeerde angst voor een dergelijke situatie is onvoldoende reden om de godsdienst vrijheid aan banden te leggen. Ook kon Tulkens zich niet vinden in de gedachte dat iemand die een hoofddoek draagt, per definitie uit is op de islamisering van de samenleving. Om precies te zijn, Leyla S¸ ahin zei de laïcité te onderschrijven. Net als de meeste Turkse vrouwen beschreef zij het dragen van de hoofddoek niet als politieke daad, maar als religieuze plicht. Wat betreft de rechten van anderen was niet aangetoond dat Leyla haar medestudentes had aangespoord ook een hoofddoek te
gaan dragen. 

Op het punt van de gelijkheid van man en vrouw verweet de Belgische rechter haar collega’s dat zij de hoofddoek een betekenis hadden gegeven die niet herkend werd door de draagsters zelf. Anders dan Leyla zag het Hof de hoofddoek als een symbool van vrouwenonderdrukking. Door een eigen interpretatie aan dit kledingstuk toe te kennen bezondigden de rechters zich aan paternalisme. Vrouwen moesten zelf kunnen bepalen wat ze aantrokken en wat ze al dan niet als onderdrukkend ervoeren. Het was niet de taak van het Hof om als een soort modepolitie vrouwen een specifi eke kledingstijl te verbieden omdat die slecht voor hen zou zijn.

Leyla had het in haar pleidooi voor het Hof anders uitgedrukt. In haar ogen bestond er een verschil tussen republieken en democratieën. Een republiek kan zich democratisch voordoen, maar wanneer in naam van laïcité, gelijkheid of een andere waarde een specifieke levensstijl wordt afgedwongen, dan is de vrijheid van burgers ver te zoeken. Het enige wat ze wilde was voldoen aan haar religieuze plichten. Volgens Leyla zou een liberale en open democratie haar die vrijheid hebben gegund.  

Toen Leyla dit pleidooi in 2005 voor het Hof hield, had zij haar hoop om in Turkije af te studeren allang laten varen. Net als veel andere studentes die vanwege hun hoofddoek in de problemen waren gekomen, had ze in Wenen een universiteit gevonden waar ze wel terechtkon. In de stad die een aantal keren door de Osmanen was belegerd, voltooide ze haar medicijnenstudie. Ze hoopt ooit in een Turks ziekenhuis als chirurg aan de slag te kunnen. In de operatiekamer bedekt iedereen het hoofd. 

Pieter Dronkers, Tamar. Een reisverhaal over Turkse en Franse hoofddoeken. (Ten Have)












Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK