Niet alles wat telt is telbaar

Nieuws | de redactie
23 juni 2008 | Op een congres gewijd aan het vraagstuk van ‘meten’ in het hoger onderwijs nam de eerste ‘chef’ van het CHE, Detlef Müller-Böling in Berlijn afscheid. Als ondertitel werd een citaat van Einstein gebruikt: “Nicht alles, das man zählen kann, zählt. Und nicht alles, was zählt, kann man zählen”. Het CHE dat in 1994 werd opgericht op initiatief van de Hochschulrektorenkonferenz en de Bertelsmannstiftung heeft onder leiding van Müller-Böling een gezaghebbende positie verworven op het terrein van de beleidsvorming over de ontwikkeling van het hoger onderwijs.

Het heeft daarmee Duitsland teruggebracht in het Europese gesprek over de ontwikkeling van het HO waar het in de tachtiger en negentiger jaren geen enkele positie in innam. Het CHE vindt haar oorsprong in de volstrekte verlamming die zich in het begin van de negentiger jaren van de Duitse politiek op het terrein van het hoger onderwijs had meester gemaakt.

De hereniging vroeg alle aandacht en de angst voor een verslechtering van de toegankelijkheid en de mogelijkheden van het hoger onderwijs, nu net na de opheffing van de DDR, blokkeerde elke vernieuwende gedachtegang over de verhouding staat-instellingen voor HO. Weliswaar federaal georganiseerd werd de Duitse situatie gekenmerkt door een volstrekte dominantie van de regeringen van de deelstaten en hun ministeries die elkaar gezamenlijk in de federale overlegstructuren in een ijzeren greep hielden. Eigenstandig handelen van instellingen, zelfs van deelstaten, nationaal en internationaal was daardoor onmogelijk.

Exportproduct HO-beleid
Op dat moment stond Nederland er volstrekt anders voor: het beleid van de jaren tachtig was ‘exportproduct’ en richtinggevend. Elementen waren de koppeling tussen ‘autonomie’ en ‘kwaliteit’, een flexibel financieringsysteem en vormen van eigen (financiële) bijdragen van studenten. Het Nederlandse HO-beleid was consistent en op weg naar een andere fundering in de samenleving, met als perspectief een meer bescheiden rol van de overheid in de financiering ten gunste van een grotere eigen bijdrage van deelnemers en alles wat daar zoal bij hoorde. Voor Duitsland een interessant referentiepunt temeer daar ons land en Duitsland in het HO veel op elkaar lijken: een Humboldtse universiteitstraditie, een binair stelsel en een sterk egalitair ‘studieklimaat’.

Er waren nogal wat Nederlanders die in die jaren bijdragen leverden in het Duitse HO debat. Om er enkele te noemen: Theo Liket (inspectie O&W), Sijbolt Noorda, oud-VU-voorman Harry Brinkman en het toen opkomende ‘Cheps’ met als prominent aanvoerder Frans van Vught. Zelf mocht ik die jaren tientallen optredens doen van noord tot zuid en van west tot oost. Müller-Böling nodigde mij uit om deel te nemen in het CHE als lid van de Raad van Advies, de ‘Beirat’. Daar ben ik vervolgens voorzitter van geworden en vervulde deze functie tot 2000, het moment waarop ik het onderwijsbeleidsysteem in ons land verliet. Het was vanuit die achtergrond dat ik uitgenodigd was om het symposium en afscheidsgala bij te wonen. Overigens was ‘onze’ Frans van Vught uitgenodigd bij de opening van het symposium het brede ‘globale’ kader te schetsen en deed dat professioneel!

Ontketend
Het CHE heeft op een heel eigen wijze haar bijdrage aan het HO-debat in Duitsland geleverd. Een bijdrage die misschien wel Duits is, in elk geval anders dan in Nederland mogelijk geweest zou zijn. Van meet af aan koos Müller-Böling voor een confronterende benadering met duidelijke standpunten: er zou een systeem moeten komen van collegegelden, hogescholen moesten organisatorische en bedrijfsmatige autonomie verkrijgen en een systeem van publieke ranking moest zorgen voor de op kwaliteit gebaseerde dynamiek.

Dat leek een beetje op ‘van dik hout zaagt men planken’ maar Müller- Böling beschikte over de gave een groot aantal wegen te bewandelen om successievelijk op al deze terreinen voortgang te boeken. Hij koss dus niet voor ‘theoretische’ of ‘conceptuele’ bijdragen maar voor praktische voorstellen. De ‘bedrijfseconoom’ Müller-Böling hield het praktisch: veranderingen op ‘stelselniveau’ door stellingnamen zoals genoemd en verder op het niveau van de instelling werken aan nieuwe besturingsconcepten. Dat deze strategie succesvol geweest is bleek op het symposium en de vele laudatio’s die op het galadiner werden uitgesproken. Müller-Böling schreef in 2000  een boek onder de titel Die entfesselte Universität  -de ontketende universiteit, dus-  en het gedeelde beeld was dat dit concept inmiddels realiteit is.

Wat is lijn van Nederland nu?
Dat gezegd hebbend was het voor het gedeelte dat ik bijgewoond heb natuurlijk ook wel weer veel van ‘hetzelfde’. Over ‘ranking’ is een boel te zeggen en dat gebeurde ook. De drukte op het terrein van de mechanismen – kwaliteitsbenaderingen, accreditering, ranking, excellentieprogramma’s, prestatiefinanciering – was een aanhoudend thema. Een thema dat eigenlijk vroeg om een ‘meta-benadering’ die helaas niet te beluisteren was:  hoe moet zo’n HO stelsel in de wereld staan wil het in de komende jaren de vitale rol vervullen die er aan toegeschreven wordt?

Mocht ik nog in de Beirat van het CHE gezeten hebben dan zou ik voorstellen het de komende jaren daar toch een beetje meer over te hebben, ook al is het gek om als Nederlander dat aan Duitsers te adviseren. Maar misschien ook omdat – voor zover ik daar voldoende van weet – niet goed zie wat de lijn in het Nederlandse HO debat op dit ogenblik is.

De periode van Detlef Müller-Böling, die zeker met zijn rankingbenadering ook in Nederland veel  sympathie oogstte, is nu voorbij. Ik heb door het werk in zijn milieu veel geleerd over Duitsland, over politiek, ideeën en strijd. De opvolgers van hem in het CHE wens ik veel succes en hoop dat ze weten voort te zetten en… aan te passen.

Ferdinand Mertens


















Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK