Wat we gaan missen is erger dan wat we tekort komen

Nieuws | de redactie
1 oktober 2009 | De kennissector betoogt – ook op Prinsjesdag weer – dat hij tekort komt. Maar wat is dat ‘tekort’ en waar blijkt dat uit? NWO-voorzitter Jos Engelen kijkt, na jaren aan de leiding bij CERN, naar de argumenten, denklijnen en feiten achter het pleidooi voor ‘meer’. “Geavanceerd onderzoek vereist state of the art infrastructuren en relatienetwerken. Die moet je ontwikkelen, die kun je helemaal niet ‘aanschaffen’. Dan zijn ze niet state of the art!”

Bij de opening van het academisch jaar en Prinsjesdagklinken de klaagzangen als vanouds. UU-voorzitter Yvonne van Rooyen KNAW-president Robbert Dijkgraaf zeiden nog iets extra: deuniversiteiten en kennissector moeten zelf actief worden bij hetentameren van de noodzakelijke verbeteringen. Zit u ook op hunlijn?

Actief worden als kennissector in waar je in gelooft, is sowiesoovertuigender dan het wijzen op tekorten bij anderen, oponderinvesteringen. Dat neemt niet weg dat er wel degelijk sprakeis van zulke onderinvesteringen. Het kabinet laat hét moment liggenom van Nederland een echt kennisland te maken. Nu meer aandachtvoor kennis en innovatie maakt ons land veel robuuster.

De vraag die dan wezenlijk is, luidt: hoe weten we dat? Waaromweten we dat? Het antwoord daarop is nodig voor een goede analyseen overtuigend betoog.

Kun je een poging wagen tot het vaststellen van eendergelijk antwoord?

Laat ik eerst naar NWO zelf kijken. Waarom weten we dat eronderinvesteringen zijn? Omdat we genoodzaakt zijn tot plotseingrepen, reorganisaties moeten doorvoeren zoals bij sommigefaculteiten gaande zijn? Daar moet men onderdelen opheffen en rakenwetenschappers hun baan kwijt.

Bij ons is van dat soort existentiële confrontaties geen sprake.Maar als wetenschapsorganisatie leeft hier wel het besef datafbraak en inperkingen elders ons wel degelijk treffen. Als men opeen instituut moet stoppen met een bepaald onderzoekstraject raaktons dat direct: wij kunnen op dat terrein dan de verdereontplooiing van kennisproductie niet meer mede vormgeven ofstimuleren in Nederland.

NWO ziet dus de schots smelten waar de kennis op drijft inwoelige baren?

Ja, ook in harde cijfers. De criteria en de normen die we voorde kenniseconomie hebben afgesproken zie je, bijvoorbeeld, in deLissabon-doelstellingen. Daarin gaan we niet zo vooruit als we zelftenminste nodig vinden. Toch overtuigen zulke cijfers blijkbaar nogonvoldoende.

Ik zie de onderinvestering nog op een heel andere wijze merkbaarworden: in de druk op de aanvragen voor middelen door dewetenschappers bij ons. Die is enorm groot geworden. Dat is op zichniet zo kwaad, maar wel het gevolg ervan. Wij hebben inmiddelsmanifest onredelijke percentages van honorering van zulkeaanvragen. 10-15% ervan kan uiteindelijk gefinancierd worden.

Waarom is dat manifest onredelijk? Dat is gewoon de uitkomstvan uw terecht strenge selectie aan de poort?

Misverstand! De honorering gaat alleen naar die onderzoeken diedoor peer reviews als voortreffelijk worden gekenschetst. Alleendan keuren we ze goed. Maar vervolgens moeten we weer meer dan dehelft van die mensen melden: ‘u doet uitnemend werk, maar geld iser niet. Helaas.’ Dat is dus echt onredelijk na alles wat men heeftgedaan om dit te kunnen bereiken.

En het demotiveert natuurlijk. Zulke mensen vinden de weg ergensanders heen. Daar zijn ze goed genoeg voor, dat blijkt al uit diegoedkeuring.

Die mensen raakt Nederland dus kwijt of ze gaan anderedingen doen dan zulk voortreffelijk onderzoek.

Dat zien we ook bij onze instituten. In wezen geldt daarhetzelfde verhaal. Goedgekeurde nieuwe onderzoeksplannen waarvervolgens geen geld aan toegewezen kan worden. Zoiets zet een remop hun ontwikkeling en de door iedereen gewenste strategischedoelen voor lange termijn kennisvernieuwing en innovatie.

U zei hierover onlangs: ‘het gaat misschien niet zo zeer omwat we tekort komen, maar veel meer om wat we gaan missen.’ Is ditwat achter deze gedachte zit?

Ja, dat zit er ook achter. Je ziet het nog sterker bij hetmaatschappelijk gedreven onderzoek. Thema’s die we in samenspraakmet partners uitdiepen en ontwikkelen, zoals Alzheimer. Dit strektzich nu ook uit tot Europa. We vormen met Europese partners ‘jointprograms’ op zulke terreinen. Alzheimer was daarvoor hetpilot-thema, verbreed tot neuro-degeneratieve aandoeningen. Daarbijgaan de besten op zo’n gebied grensoverschrijdend en inhoudelijksamenhangend onderzoek doen. Zij koppelen zich aan elkaardaarin.

En dus levert dat minder dubbel werk van kleinere plannen perlidstaat op en meer coherente samenwerking. Is dat de opzet?

Jazeker, want de selectie van de besten om dit Europa-breed tetrekken doen we op de beproefde wijze van goedewetenschapsbeoefening. Maar nu met een overkoepelende visie enaanpak binnen de gekozen thema’s. ZonMW en de federatie van deUMC’s zijn in dit thema actief en werken mee aan de definitiefasevan het programma op Europees niveau. Zo komen we tot terugdringingvan doublures – en van witte vlekken – die nationaal blijvenvoortbestaan.

Als je bedenkt dat we hier starten met onderzoek naar Alzheimer,dan durf ik te zeggen: ‘relevanter kan het bijna niet dat dewetenschap zich zo organiseert.’ De motivatie daarbij is niet datwe een papieren kunstje doen om meer geld uit Brussel te krijgen.Dat is hiervoor niet beschikbaar. Wel willen we instrumenten lerenontwikkelen, zoals de joint programs, om in nieuwe kaderprogramma’svan het Europese R&D-beleid én effectiever én maatschappelijkgeïnspireerd onderzoek uit te zetten.

Als we onderinvesteren gaan we bij zulke instrumenten deboot dus missen. Dan doen we nationaal nog het één en ander, maarde rest gaat ons op grote thema’s als energie, medische wetenschapen klimaat marginaliseren. Als je al mee kunt doen op datniveau.

Op die manier kunnen we in elk geval duidelijker analyseren wat webij onderinvestering niet sec ’tekort komen’, maar wat we daarbijgaan ontbreken. Dat gaat van toprelaties, waar we echt heel goedzijn, tot kennisuitwisseling met high-tech industrieën en kansen opinnovaties voor bedrijven en kennisinstituten.

Naast ‘Alzheimer’ en dergelijke moet hier ook een rechttoerechtaan economisch verhaal in zitten voor een handelsland datkennisland ambieert te zijn.

Het gaat zonder meer over harde economische belangen en kansenin dit verhaal. Zelfs bij Alzheimer. In zo’n joint program ambiërenwe de nieuwe medicijnen en behandelwijzen Europees te ontwikkelen.Als het gaat om economische factoren zijn er weinig onderwerpen zofors als de farmaceutische- en gezondheidszorgvraagstukken eninvesteringselementen.

Geavanceerd onderzoek vereist dan ook state of the artinfrastructuren en relatienetwerken. Die moet je ontwikkelen, diekun je helemaal niet ‘aanschaffen’. Dan zijn ze niet state of theart! Dat zie je bij de lijst van noodzakelijke infraprojecten vande Commissie Van Velzen. Die maakt scherp zichtbaar waar onzekennispotentie zal zitten. Maar even scherp zichtbaar hoeonderinvestering werkt: wat gaan we missen en waar raken weaansluiting, positie en impact kwijt?

De lijst infraprojecten om in te investeren is helder. 25daarvan zijn cruciaal vanuit onze toppositie in Europa. 8 daarvanpikt men daaruit als ‘urgent’. Daar is in de EU consortiumvorminggaande om met de sleutelspelers nu de lange termijn samenwerking inte vullen. De consortia van kennisinstellingen en bedrijven wordendus nu gevormd.

Het is in Europa op die punten de facto ‘do or die’ en ‘nuof nooit’ voor landen die zich willen profileren en hun positiewillen versterken of continueren. Dat is wereldwijd toch ’the nameof the game’?

Die Europese consortiumvorming is in gang gezet en Nederlandsebedrijven en kennisinstellingen lopen kansen mis op aansluiting bijde high tech ontwikkelingen. Want van de 8 ‘urgente’ infraprojectenvan die 25 cruciale worden er nu enkele op de lange baan geschoven.Dit kunnen we toch niet aan ons voorbij laten gaan zonder tenminsteeen helder debat daarover te voeren?

Accepteren we het risico hierin? Het gaat om het verlies dat wegaan lijden doordat we van die 25 er eerst 8 uitpikken en daar danweer een stel van doorschuiven. Doen we dat, dan gaan we er meeakkoord dat we geen aansluiting meer vinden bij de top van dieinfraprojecten in Europa. En dan ook niet meer meedoen bij de clubsdie de grote lijnen daarvan bepalen. Kunnen we dat missen en tochonze voorhoederol en kenniseconomie waarmaken?

Zonder enig debat lijkt men tussen 2011 en 2016 250-900 miljoen per jaar over te willen maken naar de liedendie beloven dat ons land misschien een kans maakt om op hetballotagelijstje voor de Olympiade 2028 te worden genoemd. Eenloterijkaartje van vijf miljard, dat is duur.

De bedragen voor het niet missen van de topaansluiting voorinnovatie en wetenschapsontwikkeling zijn niet klein. Maar niet zogroot als voor Olympia: 100 miljoen incrementeel per jaar.

Ik wil over consortiumvorming nog iets zeggen tegen dezeachtergrond. Zij is ook als zodanig voor ons land cruciaal. Nietalleen voor de aansluiting op wat de echte top wereldwijd enEuropees is. Ik zeg het misschien wat hoogdravend, maar dit dientde wereldvrede. Ik heb het direct, alledaags gezien bij CERN. Daarhad ik Israëlische wetenschappers die zonder meer Palestijnsestudenten in hun project betrokken. Wat we samen deden was zo veelgroter dan de blokkades en daar gaat het om.

Een voorbeeld hiervan is ITER. Niemand die zich bekreunt datwe zo’n enorme ambitie – het waarmaken van kernfusie, dezonne-energie op Aarde – alleen maar samen met de VS, Japan en deBRIC-landen kunnen bereiken. En niemand die noteert dat dit inEuropa, in Zuid-Frankrijk, de facto nu wordt gebouwd. Dat is tochde kant waar de wereld naartoe moet?

Ik had de ITER zelf moeten noemen. Want dat is hét voorbeeld nu.Nederland gaat daar volledig in mee omhoog, we zijn met onzewetenschap in alle elementen daarvan ingevoerd. Dat kunnen we dus,hè? Maar dat kon omdat we het ‘FOM-Instituut voor PlasmafysicaRijnhuizen’ gevormd hebben vanuit allerlei bestaande aanzetten. Datspeelt in ITER volop een rol. Dit is echt een goed voorbeeld: hetis economisch absoluut noodzakelijk, het vereist aansluiting op ensamengaan van de toppen van de wetenschap en het is alleen te doenals ‘global’ verantwoordelijkheid. Dat laatste is hier eenvanzelfsprekendheid geworden.

Willen we bij zulke initiatieven aansluiting blijven vinden metonze industrie, onze diensten en kennisinstellingen, dan moeten weer bij zijn en blijven. Het gaat daar nu niet verkeerd mee, maar jekunt het je niet veroorloven om een paar jaar de kraan dicht tedraaien en dan te claimen dat je inhalen kan en instappen mag. Bijzulke globale, puur innovatieve projecten is dat niet meer aan deorde, daar bestaat geen ‘going concern’ om het een tijdjelangzaamaan te doen.

Die kraan staat toch nog open of missen we hier deboot?

Het is goed gelanceerd dankzij investeringen uit het FES-fonds.De follow up daarvan is nu aan de orde. Dat laat iets zien van deonzekerheid die rond zulke projecten speelt. Ze kunnen op devalreep nog geschrapt worden, ook als het in het voortraject allehordes neemt. Het CPB komt in de slotfase nog even aan het woord endat moet je maar afwachten.

Ik zou er voor willen pleiten dat de wetenschapsorganisaties ineen tijdig stadium betrokken worden bij de overwegingen over hetsoort thema’s voor investeringsprojecten. Je moet bij zulkelangetermijninvesteringen – uit aardgasgeld, nu dit nog kan dekomende jaren – de goede partijen op het goede moment inzetten.


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK