Leraar: roeping of beroep

Nieuws | de redactie
26 januari 2010 | Lector Joke Hermes (INHolland) denkt dat mythes rond het leraarschap mensen bepaald niet helpen om leraar te worden en te blijven. De enige kans om het lerarentekort terug te dringen ligt er juist in om ‘leraar’ te leren zien als een heel gewoon beroep.


Een echte juf

Hermes’ lectoraat deed onderzoek naar belemmeringen voor eenvergroting van de instroom in het keraarsberoep en het ‘rendement’van de opleidingen: hoe houd je leraren langer vast. Op eenconferentie in Amsterdam reflecteerde ze op deuitkomsten.

“Ik mag graag over mezelf zeggen dat ik een ‘echte juf’ben. Dan bedoel ik dat ik gevraagd en ongevraagd mensen het rechtepad wijs, ergens bij help of iets uitleg, en dat ik niet aarzel ommijn autoriteit in de strijd te gooien.

Of het nu gaat om vervelende jongetjes op straat rond ouden nieuw die vuurwerk gooien, kinderen die elkaar te lijf gaan, ofvolwassenen die voordringen bij de kassa in de rij naast me. Er isiets met het juffen-en meestersinstinct dat je de wereld een betereplek wilt maken, dat mensen je boeien en dat je niet bang voor zebent maar dat je zowel naar ze kunt luisteren als ze kunttoespreken.

De mythe van hetleraarschap

Daar hebben we dan meteen vat op de elementen van de mythe van hetleraarschap. Voordat we het verder over de inhoud hebben, eerstmythe’ zelf: mythes zijn sterke en ruim gedeeldegeloofsovertuigingen die echter niet gestoeld zijn op enigempirisch bewijs. Mythes zijn superideologieën, ze zijn een maniervan naar de werkelijkheid kijken en haar betekenisgeven.

De mythe over het leraarschap gaat erover dat juf ofmeester willen zijn een roeping is. Het zit in je, je kan ereigenlijk niet aan ontkomen. De roeping heeft, als ik verwijs naarde twee beeldvormingonderzoeken die we deden, als centrale kern’houden van kinderen’. En ook: kinderen willen begeleiden. De mythezegt niet zoveel over wat een monsters kinderen kunnen zijn, overorde houden, en over de hele reeks van taken die een leraar vandaagde dag heeft.

Ik denk dat de mythe van de roeping zoals we die nu kennennog niet heel erg oud is. Kinderen komen betrekkelijk laat in deverlichting eigenlijk pas een beetje in het vizier. Tot ver na demiddeleeuwen zijn kinderen gewoon kleine grote mensen die geenspeciale aandacht of plek behoeven. Met de opkomst van de burgerijen wat later, de emancipatie van de arbeidersklasse krijgen we ookmassa-onderwijs en, zo vermoed ik, de behoefte om een lastig beroepglans te geven.

Een paradoxale activiteit

Want leraar zijn is een betrekkelijk paradoxaleactiviteit. Vandaag de dag gaat het over teamplayers die alleenvoor de klas staan. Al meer dan een eeuw gaat het over eenberoepsgroep die letterlijk de wijsheid in pacht heeft maar die datniet omzet in klinkende munt. Leraren zijn nooit speciaal heel goedbetaald geweest en moesten het doen met maatschappelijk aanzien.’Roeping’ is dan een fijne dekking voor die lastige lading. Wantwaarom zou iemand immers leraar willen zijn. Zoals ze in Amerikazeggen: If you’re so smart, why ain’t you rich?

Leraren worden niet meer zo slecht betaald en het aanzienvan het vak lijkt ook te slinken – niet in het minst omdat hetbijvoorbeeld in het primair onderwijs een vrouwenberoep geworden is- volgens sommigen reden tot grote zorg. Ook de toenemende uitvalvan jongens uit het voortgezet onderwijs en het middelbaarberoepsonderwijs wel verklaard door de toegenomen feminiseringonder docenten. Nader onderzoek op dit punt is zeergewenst..

Maar feminisering, salaris en aanzien deerde de door onsondervraagde startende en alweer-vertrokken leraren niet speciaal,en ook de schoolleiders en lerarenopleiders leken daar niet wakkervan te liggen. Wat de starters en vertrekkers wel zorgen baarde wasdat leerlingen, kinderen, aanzienlijk lastiger volk zijn dan zehadden verwacht. Tot de verbijstering van een van de ondervraagdenwaren haar (basisschool)leerlingen nauwelijks geneigd om gewoon’goedemorgen’ te zeggen of een hand te geven.

Een extreem zwaarberoep

De net-gestarten en de vertrekkers vonden ‘leraar’ ook een extreemzwaar beroep. Het bleek eigenlijk helemaal niet te gaan om hetbegeleiden van kinderen of ze iets leren, je wordt ook geachtpsycholoog, pedagoog, administrateur en ga zo maar door te zijn.Niet alleen is houden van kinderen niet zo makkelijk en ook niet zobelonend, leraar zijn, zo vonden ze uit, bestaat uit een enormehoeveelheid deelrollen. Terwijl ze zelf vooral de idealistenrolkoesterden, kwamen ze er vanwege alle andere soorten klussen dieook moesten gebeuren niet aan toe daar echt iets van temaken.

Hoe een mythe in de weg staat

De mythe van de roeping stelt beginnende leraren niet instaat ‘leraar te worden’. Het zorgt voor oogkleppen, zowel naarkinderen toe, als naar het functioneren in een lerarenteam. Hetmaakt dat je denkt in ‘echt werk’ en ‘onecht werk’, waarbij echtwerk altijd te maken heeft met direct contact met kinderen. Roepingwas misschien een aardig begrip voor de schoolmeester die in zijneentje de dorpsschool runde op het platteland van weleer – vandaagde dag is deze mythe een last.

De mythe van de roeping staat ook de schoolleiders in deweg. Bij hen keert hij terug bijvoorbeeld als ze praten over hoe zekomen tot keuzes in sollicitatieprocedures. Dan gaan ze voordiegenen die iets ‘hebben met kinderen’, ‘van ze houden’, of ‘ergevoel voor hebben’, en niet voor degenen die de beste proeflesgaven. Ze wilden daarnaast ook graag ‘teamplayers’, iets wat goedte begrijpen is vanuit hun managementtaken.

Ze zoeken eigenlijk naar die startende docenten die een’roeping’ hebben. Dat legitimeert, heel kort door de bochtvervolgens dat je ze zelf hun weg laat vinden, lees: hun zaakjeslaat oplossen. Een teamplayer met roeping gaat wel bij zijn of haarcollega’s terecht die hoeft niet speciaal gecoacht of begeleid teworden (een van de klachten van de vertrekkers die we in 2008spraken – naast hun angst voor een burn-out).

Lerarenopleiders doen veel minder expliciet aan de mythe -maar kiezen ervoor om waar ze idealisme bij docenten in opleidingtegenkomen, dat vooral niet te doorbreken. Sterker nog, ik vermoeddat de ‘klik’ die opleiders en schoolleiders hebben over het verderontwikkelen van het waarderen van eerder verworven competenties, enhet zo inrichten van versnelde trajecten in het onderwijs vooranders en onvoldoende geschoolden ook steunen op een notie datlevenswijsheid een goed deel uitmaakt van leraarschap, en dat,gekoppeld aan roeping, eigenlijk iedereen heel snel voor een klaskan functioneren.

Leraarschap als gewoonberoep

Als we nu de mythe van de roeping eens tussen haakjes zetten alseen stukje aantrekkelijke folklore, wat gebeurt er dan? Als leraareen gewoon beroep is dan betekent dat:

1 -dat je beginnende leraren coacht en begeleidt, zoals jedat ook in andere kennis en vaardighedenintensieve beroependoet

2-dat je nieuwe collega’s inwerkt in de specifiekeorganisatiecultuur van de school. Immers het beroep van leraarveronderstelt vooral ook het vermogen om flexibel tussen jeverschillende didactische, vakinhoudelijke, administratieve enorganisatorische taken heen en weer te springen en de eisen daaraanverschillen van school tot school

3-dat je startende leraren, net zoals andereprofessionals, beoordeelt op een aantal kwaliteiten: van contactmet de klas tot omgaan met probleemouders tot functioneren in eenteam, tot verslaglegging en procesevaluatie, enzovoorts

4-als leraar een gewoon beroep is, dan moet je er ook jezelf inkunnen blijven ontwikkelen: zowel verticaal als horizontaal. Jemoet je kunnen specialiseren, carrière maken of vakinhoudelijkverder kunnen gaan.

Als we blijven steken in de mythe van de roeping, danblijven we praten over individuen en individuele kwaliteit. Zien weleraar als een gewoon beroep, dan gaat het om functioneren in eenorganisatie, en daarbinnen in een team.

Individualiteit, talent en roeping zijn niet zobelangrijk. Orde houden is niet iets wat je in de genen hebtmeegekregen. Orde kun je organiseren. Een docententeam kanafspreken waar de grenzen liggen; ze kunnen in overleg over deleerlingen tot een gemeenschappelijke aanpak komen vanprobleemfiguren; net zoals dat ze de begeleiding van leerlingen diehet goed doen kunnen en willen delen.

In ‘gewone’ beroepen is het normaal dat er intervisieafspraken zijn, zeker met starters. De gedachte daarachter is datje je als professional kan ontwikkelen en dat leren continudoorgaat. Blijven we in de idee van de roeping, en dat het gaat omvan kinderen houden, dan valt er niet veel te ontwikkelen. Je houdtvan kinderen of niet, dat kan je niet leren. Hooguit is het handigom als beginnende leraar een goede tolerantie voor lawaai te hebbenof een beetje doof te zijn…

Wat te doen als samenwerkende lerarenopleiders? Onzegesprekken met schoolleiders laten zien dat de begeleiding vanstartende docenten eigenlijk niet heel goed geregeld is. Dat moetwel. Laat jonge en beginnende leraren en docenten niet te snel los.Ze zullen het moeten leren om leraar te zijn, en daar kun je steunbij gebruiken. De angst van starters voor een burn out en voortotaal overladen te worden met taken, is een reële. Scholen gaandaar zeer uiteenlopend mee om.

Sommigen stellen starters vrij van administratieve enorganisatorische taken. Dat is chic van ze maar eigenlijk een fouteroute. Het onderwijs heeft ook goede organisatoren nodig. De klasis niet voor iedere docent/leraar of misschien moet ik zeggenprofessional in het onderwijs de uiteindelijkelakmoestest.

Leven lang leren

Eenmaal in het vak moet je leraren ook blijven voeden – typischiets wat de opleidingen zouden kunnen organiseren. Juist in hetonderwijs moet je je verder kunnen ontwikkelen – de jonge mensenmet wie je werkt nemen telkens weer nieuwe trends en modes mee.Prettig als je die kan plaatsen. Vanuit het idee dat leraar eengewoon vak is, kun je verwachten dat na een paar jaar je docenteneen overstap zullen maken. Als overstappen van school naar schoolmakkelijker of aantrekkelijker is gemaakt, en scholen zich nietalleen profileren op hun levensovertuiging of onderwijssysteem maarook als onderwijsorganisatie met een eigen organisatiecultuur danverdwijnen jonge leerkrachten niet maar kunnen ze nieuweuitdagingen vinden in de wereld van het onderwijs zelf.

Misschien ook iets voor de opleidingen: het opzetten van een goedeportal over scholen, de aanstaande werkgevers voor de studenten. Ikbegrijp dat dat ook gevoelig ligt: opleidingsscholen zoeken juistvia het opleiden op de school naar betere en langere hechting.Jammer als dat het enige pad of perspectief is. Naar goedNederlands gebruik is tweesporenbeleid misschien een idee: hechtenwanneer mogelijk en avontuur binnen de wereld van het onderwijsvoor anderen?

Bij het waarderen van EVC’s (Eerder verworvenCompetenties) tenslotte geldt ook weer dat een realistisch beeldvan het dagelijks werkleven van een leraar zijn vruchten kanafwerpen. De opleiders organiseren hun onderwijs terecht in vrijabstract gedefinieerde competenties —-het is handig omcompetenties en vakinhoudelijke kennis ook af te zetten tegen heelpraktische vaardigheden en overlevingsstrategieën —-en die zo tebenoemen. Dat geldt zowel voor leraren in opleiding als voor dezij-instromers, maar ook voor gesettlede docenten. Life longlearning is een goede manier om werk en vak zowel doenlijk alsspannend te houden. Dat kan alleen als opleidingen, werkgevers endocenten hierin samen willen optrekken.

Zijinstromers

Last but not least: neem eens de proef op de som: neem een groepjestudenten die niet speciaal leraar wilden worden maarcommunicatiedeskundigen of marketingmedewerkers en vraag ze mee tedoen in een experiment waarbij ze in twee periodes kennis maken methet onderwijs. Ik denk zomaar dat ze zonder roeping misschien juistveel aantrekkelijks in het onderwijs kunnen vinden. Dat sluit ookaan op de minoren die universiteiten zijn gestart waarintweedejaarsstudenten een tweedegraads bevoegdheid kunnen halen.Daar zullen de nodige bezwaren aan kleven (ze zijn dan bevoegd maarof ze ook bekwaam zijn, is dan nog de vraag). Experimenterenderwijsmoeten we kijken wat welke routes opleveren, zowel voor de scholen(toename docenten) als voor docenten zelf: via de universiteiten,de Pabo’s, training on the job en wat we nog meer kunnenverzinnen.

O ja, en dan nog: adviseer de minister om nooit meerspotjes de wereld in te sturen over hoe je blijft leren als leraarwaarbij het beeldmateriaal duidelijk maakt dat dan gebeurt tussende vier muren van een klaslokaal. Een beetje leraar spendeert meertijd buiten dan binnen zijn of haar lokaal. Dat heb je metbijzondere professionals in een doodgewoon beroep.”

Joke Hermes is lector Media, Cultuur en Burgerschap aanHogeschool INHolland.  


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK