Kennis en politiek moeten elkaars taal leren

Nieuws | de redactie
20 mei 2010 | “Het is fascinerend te zien hoe de economen over de crisis praten. Het is duidelijk dat ze er onderling volstrekt niet uit zijn. Omdat geen van de lijsttrekkers echt verstand heeft van economie, hoor je de grootste onzin.” Kennis speelt daarom een centrale rol in het politieke debat, op een manier die verwart vaak. Roel in ’t Veld analyseert waarom. Maar ook hoe OCW voorbij platitudes kan komen, hoe onafhankelijk wetenschappers werkelijk zijn, waarom de TU's niet moeten fuseren en hij lachen moet om Veerman. Het 'kennisdemocratie' debat gaat door, ook op 3 juni.

Een vergeten economische factor

“In de verkiezingscampagne staat de economie centraal. Omdat geenvan de lijsttrekkers echt verstand heeft van economie, hoor je degrootste onzin. Maar wat mij fascineert is iets wat onderbelichtblijft: dat we volstrekt afhankelijk zijn van Duitsland. We kunnenniet zomaar ons eigen economisch beleid voeren. Gaan wij veel meerstimuleren dan Duitsland, dan vloeit dat via de import naarDuitsland. Gaat Duitsland krimpen, dan merken wij dat ook. Wezullen de Duitsers dus op de voet moeten volgen. Hoe zij hetuitbalanceren, is heel bepalend.”

Het is een lijn die de kennissector zal aanspreken. Want Duitslandwil onder Merkel door middel van Exzellenzinitiative enexpansie van studieplekken 18 miljard voor onderwijs en wetenschapbeschikbaar stellen. Zou je in Nederland een vergelijkbaar bedraginvesteren dat past bij de grootte van ons land, dan kom je eenaardig eind in de richting van de 5 miljard die de KIAclaimt.

Arrogantie is schadelijk

De kennissector heeft de laatste jaren steeds meer geld gevraagdvan de overheid met als ultiem argument dat ze zo goed zijn. Maargaan de onderwijsinstellingen het met dat betoog redden?”Arrogantie is een schadelijke eigenschap, ook aan de kant vankennisdragers. Een leave-us-alone betoog is eenbelachelijk verhaal. Het is echt niet van deze tijd en door nietsgerechtvaardigd. Pleit je voor veel meer geld, dan is dat op ditmoment bijna onverantwoord. Dan lijk je niet in de gaten te hebbendat we in Nederland ook nog een paar problemen hebben.

De kennissector zou moeten aanbieden aan Nederland om de eigenarbeidsdeling te optimaliseren. Er kan veel meer samengewerktworden. Docenten mogen best een beetje reizen.” Dat vergt wel meergezamenlijkheid. “Het hoger onderwijs in Nederland heeft altijd eenzwak collectief verantwoordelijkheidsbesef gekend. Wil je eenaantal problemen aanpakken in het Nederlandse hoger onderwijs danmoet er wel worden meegeholpen door instellingen, maar die moetendan ook heel consistent redeneren.”

Daarbij zou de overheid in geval van extra investeringen best eenpaar voorwaarden mogen formuleren. “Het beeld in Nederland is datondanks deelname van CEO’s in het Innovatieplatform de privateR&D-investeringen toch dalen. De CEO’s klagen wel, maarondertussen schroeven ze hun eigen researchbestedingen in Nederlandomlaag. Daar moet wat aan gedaan worden. Zou er niet een akkoordgesloten kunnen worden? In zo’n geval moet je het samsam doen. Alsde overheid gaat investeren, moet het bedrijfsleven dat ookdoen.

Ik weet dat dit met clubs als VNO-NCW, MKB Nederland moeilijk teregelen is. Die kunnen wel schreeuwen tegen de overheid, maarnauwelijks hun eigen leden bewegen meer te doen. Dus misschien moetje wel langs die organisaties bewegen en rechtstreeks bespreken metresearchintensieve organisaties welk deel van hun research ze inNederland willen doen. Wat daarbij wel een rol speelt is datNederlandse onderzoekers relatief duur zijn, dat komt doordat deoverheid zo goed betaalt.”

Profilerende universiteiten

In zijn rapport bepleit Cees Veerman dat universiteiten enhogescholen profiel moeten kiezen. In ’t Veld moet er wel omlachen: “Ze kiezen allemaal hetzelfde profiel. Ze willen in dediepte en in de breedte.” Maar een ding begrijpt hij niet in dediscussie en dat is het verlangen van de universiteiten om kleinerte worden. Zo wil de Utrechtse collegevoorzitter Yvonne van Rooy inde toekomst een kleinere, maar meer wetenschappelijkerechtenopleiding. Wie later met rechten in de praktijk aan de slagwil, moet maar naar het hbo.

Een merkwaardige ontwikkeling, vindt In ’t Veld. “Het hbo inNederland is al heel groot. Het is nu al groter dan in 90% van delanden op deze aardkloot. Waarom zou je als universiteiten nietambitieus zijn op dat niveau?” Zou er op de universiteiten wellichteen verlangen leven naar vroeger, toen aan de universiteiten eenkleine, maar slimme elite studeerde? “Dat is gewoon niet waar. Ikheb zelf rechten gestudeerd. Dat was toen de grootste opleiding. Erstudeerde van alles, ook mensen die niet wisten wat ze wilden.”Vroeger was bepaald niet alles beter aan de universiteiten. “Ik hebzelf een eerstegraads lerarenopleiding gedaan. Dat stelde nietsvoor. Er werd absoluut onvoldoende aandacht besteed aan didactiek,hoe je zorgt dat iets overkomt, wat de impact is van wat je zegtenzovoort.”

Ook op een andere manier kun je te ver doorschieten. VNO-NCW pleitnu voor een fusie van de 3 technische universiteiten in Nederland.In ’t Veld noemt het een ‘idiote’ gedachte. “Ik heb heel veelfusies bestudeerd. Bestuurlijke fusie leveren zelden iets op.Waarom is het natuurlijker dat de 3 technische universiteitenfuseren dan dat je de universiteiten van Rotterdam, Leiden en Delftlaat fuseren? Het hangt er maar vanaf waar je het betrekking oplaat hebben. Je kunt ook een shared service center maken, dan benje vermoedelijk afhankelijk van geografie. Werk je samen inonderzoek, dan ben je minder afhankelijk van de locatie, tenzij jemet fysieke onderzoeksfaciliteiten werkt zoals laboratoria ofkerncentrales.” 

Het zou goed zijn als de universiteiten onderling tot meertaakverdeling zouden komen. Maar je moet wel goed kijken wat jedoet. “Soms genereer je met een kleine opleiding talent dat tengoede komt aan de rest van de universiteit. Sluit je die kleineopleiding, dan moet je die deskundigheid weer inkopen.” Ook isregionale verankering wel van belang. “Het gaat bij innovatie ookom nabijheid, informaliteit, sfeer. De Universiteit Twente heeftdaarin sinds eind jaren 70 iets heel anders uitgeademd dan Delft.Delft is dat pas de laatste jaren wat aan het inhalen. Als het gaatom ondernemerschap en innovatie rond de universiteit, dan isbemoediging heel belangrijk. Dat als iets voor de zevende keermislukt, dat een hoogleraar dan toch zegt: ‘probeer het nog maareen keer, ik doe er wel 10.000 euro bij.”

Stuurloos OCW

In het rapport-Veerman staan goede dingen, maar is hetonderwijsministerie ook in staat die uit te voeren? In ’t Veld:Het gesprek zou moeten beginnen bij hetdepartement dat zijn gedachten niet op orde heeft. Het ministeriestuurt niet in welke richting dan ook.” Niet dat er te weinigregelgeving is. Er is op dat punt juist heel veel.

“Maar het is niet zichtbaar dat ze nadenken over wat al diesystemen uitwerken. Elk systeem heeft een beperkte levensduur, geenenkel systeem heeft eeuwigheidswaarde, de effectiviteit van iederbeleid neemt op den duur onvermijdelijk af. Je moet voortdurendkijken of de disfunctionaliteit niet gaat domineren, of de perverseeffecten niet gaan overheersen. Daarop moet je de vraag enten welkerichting je uit wilt. Waarbij je in de praktijk ziet dat slechtbeleid altijd tot meer beleid leidt.”

Zeeland kan hierbij als casus dienen. De Zeeuwse onderwijssectorhoudt bij gebrek aan studenten nauwelijks het hoofd boven water.Een aantal radicale beslissingen is nodig, maar snijden in eigenvlees is pijnlijk. De Zeeuwen vroegen daarom onlangs aan hetonderwijsministerie om een regionale onderwijsautoriteit in testellen en zodoende de pijnlijke beslissingen samen met hen tenemen. Staatssecretaris Van Bijsterveldt zei in reactie dat niet tegaan doen omdat het veel beter zou zijn als de Zeeuwen dat zelfzouden organiseren. Maar zoveel zelfsturing is wel erg veelgevraagd. “Je zou iets meer verwachten dan dat soort platitudes. Eris een reden waarom dat soort zelfordening een paar belemmeringenkent.”

Het ministerie van onderwijs zou dus moeten nadenken in hoeverrede grenzen van Zeeland relevant zijn voor onderwijs en onderzoek.Is het zo erg dat Zeeuwse jongeren voor studie wegtrekken naarBreda en Rotterdam? Zeeland vindt van wel, want ze hoopt nu juistdat afgestudeerden ter plaatse de economie gaan opbouwen.

In ’t Veld: “Je moet wel kijken wat er aan de hand is. Mensentrekken weg als er geen emplooi is. De aanwezigheid vanarbeidsplaatsen is dus beslissend voor de migratie. Wil je daar meteen onderwijsinstelling iets aan doen, dan moet je wel precieskijken wat zo’n instelling oplevert. Het is maar zeer de vraag ofzo’n algemeen liberal arts college als de RooseveltAcademy de economie gaat verbeteren, of die nu zoveelstart-ups gaat opleveren. Zoiets is altijdorganisch.”

De onbegrepen wetenschapper

Politiek en wetenschap kunnen niet meer zonder elkaar, maar hetgesprek tussen die twee is vaak een gesprek tussen doven. In zijnjaarrede als KNAW-president noemde Robbert Dijkgraaf een aantalfactoren die het gesprek bemoeilijken: wetenschap isspecialistischer geworden. Tussen wetenschap en praktijk zittenallerlei haarspeldbochten. De weg naar de praktijk wordt langer.Soms kiezen wetenschappers ervoor, af te snijden. Wat kunnen wedoen om het gesprek tussen wetenschap en politiek tevergemakkelijken?

In ’t Veld: “Wetenschappelijke kennis is absoluut verbonden metmethodologische vereisten die een immuniserend karakter hebben maarook een bepaalde zorgvuldigheid vereisen. A leidt alleen tot Bonder bepaalde condities. Ga je met anderen in gesprek, dan zoudendie wel eens een heel ander beeld kunnen hebben bij A. Bovendienkun je niet verwachten dat ze dezelfde ideeën hebben overmethodologische vereisten. Dat is tussen wetenschappers al lastig,laat staan als die met anderen in gesprek gaan.

Het hele idee van boundary work zoals ik dat hebuitgewerkt in mijn boek Kennisdemocratie, OpkomendStormtij gaat daarover. Wat voor argumentatiepatronen heb jenodig om wetenschappers van verschillende disciplines met elkaar telaten communiceren? En dan is er nog de culturele kant van hetvraagstuk: wil je eigenlijk wel vertoeven in een gezelschap datjouw ideeën vergroft? Beleidsmakers willen dingen doen waarvoor jejouw ideeën helemaal niet hebt ontworpen. Ze willen met je dansen.Het is toch noodzakelijk om mee te doen, want als je niet meedoet,dan gaan ze toch met je ideeën aan de slag.

Geen misverstand: ik zeg niet dat politici te weinig met kennisdoen. Politici verwijzen onophoudelijk naar kennis, maar op eenmanier die de wetenschappers niet bevalt. Engbersen heeft onlangsonderzoek naar armoede gedaan. Het onderzoek werd door veelpolitici geciteerd. Dat vond hij leuk. Totdat hij ging analyserenwat de politici ermee hadden gedaan. Dat was minder leuk. Politiekepartijen bleken de meest uiteenlopende dingen  te beweren metverwijzing naar zijn onderzoek. Ze haalden er precies uit wat inhun kraam te pas kwam. Dat voelt niet prettig.

Graag geciteerd, totdat het mis gaat

Bij etentjes zie je het ook wel gebeuren dat wetenschappers fysiekteleurgesteld zijn omdat ze vinden dat ze verkeerd geciteerdworden. Het is heel paradoxaal: aan de ene kant willen ze heelgraag geciteerd worden door beleidsmakers. Maar als dat gebeurt,dan is het mis. Voor beleidsmakers is het daarom ook eng om metwetenschappers te praten, want die zeggen telkens: zo heb ik hetniet bedoeld. Dat is lastig, want dan verlies je je vrijheid alsbeleidsmaker of politicus.

Hoewel het lastig is, moet het spel wel gespeeld worden, anderskrijgt een wetenschapper het gevoel dat het gebruik van zijninzichten random is. Dat ingewikkelde probleem gaat echtnooit meer weg, het wordt alleen maar belangrijker. Het betekentdat je aan beide kanten de bereidheid moet hebben om te tolken enook empathie moet hebben voor de probleemstelling van deander.”

Het gesprek met politiek en beleidsmakers is voor veelwetenschappers als een kermis: het lijkt spannend en leuk om erinbetrokken te worden, maar je kunt met je onderzoek in een achtbaanbelanden waarvan je niet weet waar die zal uitkomen of merken datje je in een botsautootje bevindt en dat er heel wat harder tegenje werk en reputatie wordt aangeduwd dan in de beslotenheid van deuniversiteit het geval is.

Wetenschappers proberen zich hiertegen in te dekken door hunonafhankelijkheid te benadrukken. Zowel NWO als KNAW hebbengedragscodes ontworpen zodat wetenschappers weten hoe ze in hetgrillige Den Haag geld kunnen verdienen met hun onderzoek zonderhun ziel aan de duivel te verkopen.

Maar is het echt zo simpel? In ’t Veld: “Ik weet niet of dewetenschappers zo onafhankelijk zijn. Dat vergt beraad in eigenkring. Daar moeten KNAW, NWO, VSNU maar over praten. Je moetonafhankelijkheid en isolement niet met elkaar verwarren.Onafhankelijkheid vergt niet noodzakelijkerwijs isolement, netzoals isolement de onafhankelijkheid niet borgt. Het is ook niet zodat onafhankelijkheid betrekking moet hebben op alles. Zo zie ik inmijn opvatting over democratie en academische vrijheid niet alsiets absoluuts, maar als een van de benodigde checks andbalances. Wetenschappers moeten hun eigen engagementdefiniëren en niet in beton gieten, maar laten afhangen vansituaties, zonder dat je ooit slavernij aanvaardt.”

Chaos en quick-step bij CO2

De wetenschap maakt het de politiek niet gemakkelijk van haarinzichten gebruik te maken. Wetenschappers zijn beroepstwijfelaarsdie hun eigen werk creëren door onzekerheden te cultiveren. Hetmaakt dat zelfs gepromoveerde politici roepen dat de wetenschap heteerst maar eens moet worden voordat de politiek van haar inzichtengebruik kan maken, zoals minister Cramer deed in hetmilieudebat.

Maar in de wereld van de nieuwe media is er nog een anderprobleem. Door de revolutionaire proliferatie van zowel gedrukteals online en social media in de afgelopen jaren is het voordepartementen en politici in toenemende mate lastig om enigermategrip op de media te houden. Met traditionele media kun je nogafspraken maken over timing, toon en inhoud van berichtgeving. Maarin de wereld van de weblogs en andere bottom-up media is daar geenbeginnen aan. Waar zijn dan nog de aangrijpingspunten  vooreen deugdelijk publiek debat als het met een simpel blog mogelijkis een digitale windhoos te veroorzaken?

Het ministerie van VROM kreeg daar pijnlijk mee te maken in dediscussie over mogelijke opslag van CO2 in Barendrecht.Secretaris-generaal Hans van der Vlist riep geërgerd dat het voorlobbyisten vrij eenvoudig is om voor welk standpunt dan ook eenprofessor te vinden die dat in de media wil verkondigen.

Wat was er aan de hand? Als voorzitter van de toenmalige Raad voorMilieu en Natuuronderzoek (RMNO) volgde In ’t Veld de discussieover de opslag van CO2 op de voet. “In de eerste plaatsis er de vraag: waar helpt het voor? Opgeslagen CO2wordt niet geëmitteerd. Dan is er de vraag: Wat is er tegen omCO2 in Barendrecht onder dat winkelcentrum op te slaan?We weten niet zeker of het veilig is, er is onzekerheid over hetkostenaspect.

Dan is er nog een ander aspect: als CCS buitengewoon succesvol zouzijn, dan zou de druk op de koolstofproductie afnemen. Dat zousommige mensen niet bevallen die zoveel mogelijk willen inzetten opalternatieve energie, terwijl de realo’s zeggen dat er over 30 jaarook heus nog wel fossiele brandstoffen zullen zijn.”

Het besluit over de CO2-opslag is snel genomen dankzijeen quick-step procedure. De participatie van burgers inde besluitvorming is buitengewoon gering geweest. Die zijn daarnapas wakker geworden. De ophef in Barendrecht had psychologischgezien niet alleen met de CO2-opslag te maken. Erspeelden nog andere zaken. “Barendrecht is al zwaar belast omdatBetuwelijn en HSL er al doorheen gaan. Dat heeft er weliswaar nietsmee te maken, maar toch. Het is ook een kwestie vanperceptiemanagement: moet je op een plek in Nederland zoveelrisico’s opeen stapelen, ook al zijn die risico’s op zich nietgroot?

Burgers en buitenlui

We hebben hier te maken met een wicked problem.Wetenschappers kunnen heel veel uitzoeken, maar zowel in debeoordeling van de feiten als in het wegen van waarden is erdiversiteit en dissensus. Dat type vraagstuk domineert de politiekvan vandaag. Om die op te lossen, zullen politici en beleidsmakerssamen moeten werken met burgers. Burgers zijn per definitiedeskundig op het gebied van percepties. Er zijn ook genoegvoorbeelden van dat die samenwerking goed kan gaan, waar burgers,boeren en stedelingen samen de toekomst van polders hebbenuitgestippeld.”

Hoe kan kunnen politici en beleidsmakers in dit soort kwestiesoptimaal gebruik maken van politici? Politici verlangen naarpasklare antwoorden die boven discussie verheven zijn. Maarmethodologisch is dat onhoudbaar, want Popperiaans wordt vanwetenschappers gevraagd zelf te laten zien hoe hunonderzoeksresultaten ontkracht kunnen worden.

Geloven in beleid

Minister Jacqueline Cramer besloot de klimaatproblemen aan tegaan pakken omdat ze geloofde dat de wetenschappers die daarophamerden, het bij het rechte eind hadden. Vanuit bestuurskundigopzicht keurt In ’t Veld dit af. “Geloven doe je maar in de kerk.Het is niet de taak van de minister te geloven, maar redelijk tehandelen. Geloven mag je als minister wel op waardenniveau, maarniet op kennisniveau, dat is een fundamentele misvatting van detaak van de politicus.

Probleem is dat iedere theorie over het klimaat met onzekerhedenomgeven is. Kunnen we dan toch een handelingsstrategie bedenken dierampen vermijdt in elk van de denkbare scenario’s. Iedere theorieleidt tot een scenario. Je moet dan afwegen: wat is hier mijn taak,wat is hier mijn plicht?

Dat is de vraagstelling van veerkracht. Hoe kun je rampenvermijden bij iedere feasible toekomst? Natuurlijk moet je daarbijrisico’s afwegen. Maar daarbij is het emerging concept vankennisdemocratie wel heel belangrijk. Daarom vind dat ook zoboeiend. Ik vind dat meer gesprek tussen wetenschappers en politiciecht nodig is, omdat er veel onheil is geschied door het nietaanvaarden van de wereld zoals die is.”


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK