De la waar Veerman in zou passen, is al uitgezocht

Nieuws | de redactie
1 september 2010 | Ze lachten veel, vielen elkaar soms fiks in de rede en daagden elkaar uit. Cees Veerman, Fons van Wieringen en Ron Bormans voerden een rondetafelgesprek met ScienceGuide over ‘quo vadis HO?’ Aan de vooravond van een nieuw academisch jaar en nieuw HO-beleid van een nieuw kabinet, werden bij de HAN de krijtlijnen getrokken en à la Rutte ‘piketpaaltjes geslagen’. "Bij de vraag naar de regie bij de profilering van de universiteiten komt geen antwoord. Doodstil is het…"

Wat stellig geformuleerd misschien

Het gesprek à trois begon met reflecties op hoe hetrapport-Veerman over de toekomstige verscheidenheid van het hogeronderwijs was ‘gevallen’. Welke reacties, welke kritiek, welkerecensies en hun toon waren opgevallen? Welke brengen nieuwegedachten en verdere verdieping daarin?

Ron Bormans: Wat voor mij de grootste tegenvaller was?Misschien toch de heftigheid van de reactie van de OpenUniversiteit. Dat die zich zo aangesproken ging voelen, heeft eigenlijk averechts gewerkt. Je merkt dat het thema levenlangleren in het hoger onderwijs en het beste antwoord op de vraag daarnaar nu weggedrukt raakt in de discussie en dat is echt jammer. We wilden bij dit punt de boel goed op scherp zetten, ook al hebben we het wat stellig geformuleerd misschien. Het gaat om de zaak zelf en dat dit averechts is gaan werken is geen goede zaak. Laten we hetHO-breed alsnog gedegen op de agenda zetten, vind ik.

Cees Veerman: Ik vroeg me al snel na publicatie af waarom het stuk zo gladjes werd ontvangen. Waarom zo weinig tegenspraak? Het is nogal ongebruikelijk in dit land dat eenrapport als  ‘verlossend woord’ wordt ontvangen. Ik heb vijfjaar leiding gegeven aan een universiteit en dan ben je er eerder aan gewend, dat het nooit zo meevalt met de kritische reacties die je mag verwachten!

Na die eerste reacties speet het mij dat het zo stil werd. Je loopt dan het gevaar dat het in dood water terecht komt, terwijl weals commissie toch een behoorlijke steen in de vijver hebben willen gooien. Wacht men in het hoger onderwijs niet te veel af?

Bormans: Nou ja, iedereen wacht nu natuurlijk wel af opeen nieuw kabinet. Wat voor soort ook. Men kijkt de kat uit de boom, to put it mildly.

Veerman: Maar moest het dan tegelijk zo stil blijven, zonder veel weerwoord? Plasterk zei bovendien, dat hij “het zelf ook wel zo gedacht had” wat betreft de toekomst van het HO en hij het zo ook zou gaan uitvoeren. Het bewijst nog eens: ‘je leeft niet bij de dag, maar bij de minuut in de politiek.’

Wat nu te vrezen valt, is dat het met dit advies bij alle veranderingen in de politieke omgeving daarbij blijft. Men gaat over tot de orde van de dag. En de la waarin het stuk zou passen heeft men al uitgezocht, vrees ik.

Een mêlee van profielen

Fons van Wieringen: Mij fascineert dan toch de vraag:”waarom is dat advies dan zó omarmd?’ Had het niet controversiëler moeten zijn in analyse en uitwerking, wellicht? Neem nu het accent op differentiatie. Dat vindt men mooi, want men vindt in het HO vast dat daar al veel van gerealiseerd is. Er zijn de TU’s, de klassieke universiteiten, specifiekere instellingen als Wageningen en allerlei hogescholen. In het HBO zijn er ook allerlei soorten instellingen. De vraag had kunnen zijn: is dat soort differentiatiewel voldoende geweest, wel adequaat nog?

Daarbij is er nu de Europese denklijn, de classificatie zoals Van Vught deze ontwikkelt. Die differentiaties zouden we bij wat er nu voorligt bij elkaar moeten brengen. Daar zouden dan de profielen van de instellingen uit kunnen ontstaan. De minister van OCW heeft dan tot taak de kracht, de helderheid van die profielen en het geheel daarvan te stimuleren. Hoe dat te doen zal voor de ministereen zeer belangrijk vraagstuk blijken te zijn. Er zal immers een nationaal evenwichtig beeld moeten komen over wat wij met ons hoger onderwijs als geheel ambiëren en moeten waarmaken. De vraag voor de nieuwe onderwijsminister is: kijk ik naar wat er al is of geef ikzelf het kader voor de profielen aan. Oftewel, kies ik voor een alomvattend plan of voor een meer incrementele benadering?

Bormans: Ja, daar hebben we in ons rapport onvoldoende een antwoord op gegeven. Het is legitiem als de minister dat thema op gaat pakken, dunkt me.

Veerman: Een kader voor het geheel zal wel gesteld moeten worden, want anders wordt het een mêlee van profielverhalen.Voor je het weet hebben elf hogescholen zichzelf uitgeroepen tot centra van ondernemerschap, of duurzaamheid, of een heleboel universiteiten doen het meeste aan innovatie. Dat werkt dus niet.

Van Wieringen: Dat roept de vraag op naar de regie, bijvoorbeeld tussen de universiteiten en de formulering van hun profielen. Bij de vraag daarnaar komt geen antwoord. Doodstil is het…

Bormans: Zou het nou zo verkeerd zijn als er hier zo’n kader geformuleerd zou worden? Dat was – in een heel andere situatie – in de jaren tachtig ook effectief bij de grote fusieoperaties als STC en TVC.

Van Wieringen: Het moet dan niet overkomen als: ‘DenHaag moet weer zo nodig’. Zoiets moet wel slim en gezaghebbend getrokken worden, zoals destijds het geval was. Met Wim Deetman enRoel in ’t Veld was dat natuurlijk wel sterk, ook met Jan KarelGevers bij de HBO-Raad daarbij toen.

Eerst inhoud, dan regie

Veerman: Inventariseer nou eerst maar eens wat de universiteiten en hogescholen zelf willen en voor zich zien als profielen en differentiaties, denk ik. En stel dan maar vast of het een zooitje blijkt te zijn, waar iedereen volstrekt andere dingen lijkt te denken. Of dat alles uiteindelijk ongeveer hetzelfde zou blijven. Stel dat dan maar vast, als dat zo zou zijn. Vervolgens kijken we dan samen hoe we verder kunnen komen. Kom dus daarna pas met de roep om regie.

Bormans: Ja, dat ben ik met je eens! Voer dat gesprek maar met elkaar, in HBO en WO en samen. Zelfs los van de vraag naar ‘wat moeten we nu meteen gaan uitvoeren?’. We moeten ook de balans opmaken van wat die profielen en differentiatie aan ambities willen en kunnen waarmaken. Die ambities strekken breder dan de individuele instellingen. Je zult die ook moeten willen zien in het kader van bijvoorbeeld de motie-Hamer: komen we zo weer in de top5van de wereld, zoals we allemaal willen? Voor de kunstopleidingen heeft de Commissie-Dijkgraaf zoiets nu geschetst. Die gaat ook uitvan heldere definities van ambities en profielen en leidt tot een zekere regie daarin bij de concrete uitwerking.

Veerman: Daar ben ik dus ook voor: eerst zorgen dat jebeginnen kunt met een heldere visie van zo’n sector of zo’ndiscipline op profielen en toekomstige ontwikkelingen en dan daarnade regie daarvoor samen inrichten.

Bormans: Het kan volgens mij inderdaad alleen langs zo’n benadering vanuit de inhoud. Dat zie je bijvoorbeeld ook bij de sector Techniek in het HBO. De Commissie De Boer heeft daar ook vanuit de inhoud een lijn uitgezet naar zwaartepunten in profielen, met bijvoorbeeld expertisecentra binnen de sector. Deze lijn en die van Dijkgraaf bij het kunstonderwijs zijn daardoor zeer interessant, ze zijn ook analoog qua denken, bij alle verschillen van de betrokken disciplines en hogescholen.

Van Wieringen: Dat houdt in dat HBO en WO in deze aanpak zelf nauw ‘erin getrokken’ moeten worden, omdat het veelmeer om de inhoud dan om bestuurlijke vragen gaat daarbij. Zou dat wel willen lukken?

Bormans: Dat denk ik wel. Als je dan wel sectoraal de balans op durft te maken en daar de conclusies voor de langere termijn uit trekt. Dat was bijvoorbeeld de kracht van de ‘verkenningscommissies’ en hun weerslag op de conclusies die in hetHOOP werden geformuleerd. Je zult bijvoorbeeld binnen die sectorenen met de profielen ‘competitie’ moeten aandurven ten aanzien van de ‘pieken in de delta’  van de verschillende disciplines en sectoren. Ook zul je de regie dan breder moeten durven in te richten en anderen, betrokkenen uit het beroepenveld en dergelijke erbij halen. Samen moet je dan bijvoorbeeld ook de niches, de witte vlekken die je dan ontdekt gaan invullen.

Veerman: Als dit inhoudsgedreven is, in zulke sectoren bij elkaar gebracht, kan dat voor het onderwijsdeel van het hoger onderwijs net zulke doorbraken geven als gebeurt voor het onderzoek. De regie moet dan inderdaad breder ingericht worden. Ik merk dat nu ook in de sector van watertechnologie. Daar kanNederland heel veel, we komen met allerlei ambities en nieuwe mogelijkheden, maar het aantal mensen op het HBO en in het WO indie disciplines schiet enorm tekort. Daar zul je in zo’n sectorale regie met elkaar dus veel eerder en directer aan moeten kunnen werken. Er zijn daar kansen genoeg.

Heel het HO in niveau omhoog

Bormans: Een punt dat hier niet ongenoemd mag blijven is het niveau van het hoger onderwijs. Het HBO moet echt een stap omhoog zetten, ook om voor VWO’ers aantrekkelijker te zijn.

Van Wieringen: Dit geldt voor alles, heel het hoger onderwijs moet in niveau omhoog willen. De universiteiten moeten nog meer zich richten op de standaarden van academische kwaliteit. Die hebben ze ook, helderder nog meestal dan het HBO deze kent. Het HBO kan hier meer doen, zeker ook doordat de docenten daar zichzelf leren ontwikkelen in hun vakken, bijvoorbeeld door meer betrokkenheid in praktijkgericht onderzoek.Nu is ‘nascholing’ nog sterk een aanvulling die men soms pleegt.Die ontwikkeling in het vak moet een mechanisme worden, dat bijna vanzelf deel is van wat het betekent les te geven aan eenhogeschool.

Veerman: Neem in de discussie over ‘niveau’ wel het karakterverschil van WO en HBO als je uitgangspunt. Dat is de kern, niet een verschil in ‘niveau’ of zoiets. Veel wat in het WO gebeurt is vaak HBO-achtig hoor, daar leiden we mensen op voor prachtige beroepen waar je het nodige leert aanpakken in een professie ophoog niveau.

Voor mij is de relatie tussen onderwijs en onderzoek echt onontbeerlijk. Deze koppeling is zowel voor hogescholen als universiteiten uiterst relevant. Onderwijs geven wordt met name aan universiteiten nog te vaak als corvee gezien.

Zelf durven denken

Van Wieringen: Dan speelt hier ook nog het punt dat de universiteiten zich nu toch zo langzamerhand groot genoeg vinden.Tegelijk zeggen we: ‘het niveau moet omhoog!’Dan stel ik mijzelf de vraag: ‘wat moet het HBO dan?’ Moet dat nog sneller groeien dan nu en tegelijk een hoger niveau verzorgen voor nog meer verschillende soorten studenten? Bekijk het eens van een andere kant: je zou ook kunnen bepleiten dat het HBO zijn kwaliteit beziet en aan upgrading doet, terwijl je naar het WO juist meer studenten laat doorstromen en deze daar een hogere, academische vorming krijgen. Tweederde van onze studenten studeert aan een hogeschool en binnen Europa is dat een uitzonderingspositie. Vinden we het vanzelfsprekend dat dit zo blijft? Dit soort veronderstellingen in de discussie moeten we niet zomaar laten liggen, die mag je best wat precies nagaan.

Bormans: Ik zie in elk geval dat het vraagstuk van het eigen profiel van de instellingen serieus wordt opgepakt. De vraag naar: Wat is mijn profiel en wie zijn daarbij mijn partners? In hetHBO zie ik dat dit geen vluchtig proces van het vinden van enkele mooie algemene formuleringen. Men stelt zich per instelling serieuze vragen, ook die van: ‘moet je als hogeschool echt alles doen wat je in het HBO zou kunnen aanbieden?’ Het antwoord is natuurlijk ‘Nee’. En we moeten vooral zelf durven denken. Als ik de vraag af en toe hoor ‘maar is wat wij zouden willen wel Veerman-proof dan ontplof ik zowat.’

Veerman: Dat meen je niet! Echt, vragen ze dat? Ben ik wel Veerman-proof  trouwens?


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK