KIA: gat met Top 5 kennislanden 6 miljard

Nieuws | de redactie
17 januari 2011 | De nieuwe KIA-foto toont een somber beeld. De dalende trend die zich vorig jaar manifesteerde bij de publieke onderwijsinvesteringen zet zich verder voort (naar 4,22% van het BBP). Afhankelijk van de verdere loonontwikkeling betekent dit €1 miljard minder kennisinvesteringen per jaar in 2015. Tot en met 2020 vallen €1,725 miljard aan FES-middelen voor kennis en innovatie weg. Bij de investeringen in onderwijs is het gat met het gemiddelde van ‘de Top 5’ bijna €6 miljard per jaar geworden.

Rinnooy Kan, Jongerius en Noorda presenteren het nieuwe, meestactuele beeld van de kennissector en zijn ambities en mogelijkhedenin de KIA-foto. Zij noemen het beeld “gemengd.” Maar de negatievefinanciële ontwikkeling mag niet reden zijn tot lethargie, zoblijkt uit hun voorzet: “Nederland en andere landen bevinden zichals gevolg van de financiële en economische crisis financieel ineen lastige positie. Er moet bezuinigd worden. We zien echter datlanden die dichtbij ons staan in de diverse ranglijsten, ondanks decrisis vasthouden aan een hoog niveau van investeringen in kennisen innovatie.”

Aansluiting met top niet verliezen

“Dat geldt bijvoorbeeld voor Duitsland, Frankrijk,Denemarken en Finland. We kunnen het ons niet veroorloven deaansluiting met de mondiale top te verliezen. Gegeven hetbudgettaire kader zullen we de komende jaren meer moeten bereikenmet de bestaande middelen. Dat kan ook, bijvoorbeeld door meersamenwerking tussen bedrijven, scholen en onderzoeksinstellingen endoor scherpere keuzes te maken. De leden van de KIA-coalitie zullenzich de komende jaren dan ook blijven inzetten voor het verbeterenvan de kennis- en innovatieprestaties.”

Daarom blijven zij met de KIA-partners kritisch kijken naar wat onsland doet in vergelijking met anderen in de top 5 van de wereld ende top 3 van Europa. “Op financieel vlak spiegelt de KIA-coalitieNederland aan vijf landen die in veel kennisranglijsten tot de topbehoren: de VS, Zwitserland, Zweden, Denemarken en Finland.”

De langere termijnprojecties in dat opzicht zijn niet gunstig: “Persaldo leveren de voornemens van het kabinet Rutte-Verhagen minderinvesteringen in kennis en innovatie dan het KIA-basispadveronderstelt. De precieze omvang hiervan laat zich momenteel nogniet bepalen. Een volgend kabinet zal daardoor niet starten met dein de KIA bepleite twee miljard euro extra publieke investeringenper jaar, maar met, afhankelijk van de loonontwikkelingen, rond deéén miljard euro per jaar minder publieke investeringen in kennisen innovatie.”

Dalende trend bij onderwijsuitgaven

Bij de publieke investeringen in onderwijs is het beeld bepaaldsomber aan het worden. De beweging van de investeringen gaatprecies de kant op die niet was afgesproken: omlaag. Hier “doetzich het grootste verschil in investeringen tussen Nederland en dekenniskoplopers voor. De dalende trend die zich vorig jaarmanifesteerde bij de publieke onderwijsinvesteringen zet zichverder voort (van 4,35 naar 4,22% van het BBP). Het gat met hetgemiddelde van de top 5 (5,18%) bedraagt nu bijna 6 miljard euro(per jaar).”

De belangrijkste factoren hierbij zijnde volgende:

-Inmiddels is het voornemens om de lonen van docenten enonderzoekers ook in 2012 op de nullijn te houden. Dat was in 2010voor het onderwijzend personeel in het primair en voortgezetonderwijs overigens ook al het geval. Afhankelijk van de groei diede marktsector in deze periode doormaakt groeit hierdoor het gattussen de in de KIA 2011-2020 neergelegde ambitie en wat wefeitelijk zien gebeuren. Bij een loonstijging van 1,5% in de marktkan dit ‘gat’ jaarlijks met tussen de 350 en 500 miljoentoenemen.

– De komende jaren zal moeten blijken in hoeverre deonderwijsbudgetten de groei in het aantal leerlingen kunnenvolgen.

-Per saldo wordt bezuinigd ten opzichte van het KIA-basispad. Datkomt doordat het kabinet inzet op de nullijn voor de salarissen vandocenten en onderzoekers en door het wegvallen van de investeringenuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES). De preciezeomvang hiervan laat zich momenteel nog niet bepalen maar zou,afhankelijk van de verdere loonontwikkeling, kunnen oplopen totrond de één miljard euro per jaar in 2015.

-Het verschil tussen het KIA-basispad en wat resteert bij de startvan een volgend kabinet in 2015 is een lagere investering vantussen de 400 en 500 miljoen euro via het FES.

– De KIA noteert een forse terugslag bij de cruciale indicator’Kwaliteit hoger onderwijs’: “deze gaat van groen naar rood. Ditkomt met name doordat indicatoren die betrekking hebben op depositie van excellente studenten stagneren:” de groei van deexcellentieprogramma’s stokt, ver van het voor 2020 gestelde doel.”Evenzo weten onvoldoende buitenlandse studenten de Nederlandseuniversiteiten te vinden en studeren er te weinig Nederlandsestudenten in het buitenland.”

– Nederland deed het op het opunt van de deelname aanvolwassenenonderwijs en LevenLangLeren “al slecht in internationalevergelijkingen en juist hier wordt stevig bezuinigd door hetkabinet Rutte-Verhagen (30+ in het MBO-onderwijs, maar ookinburgering en gemeentelijke re-integratiebudgetten). Het kabinetis weliswaar voornemens om via de arbeidsrelatie bijscholing tebevorderen, maar vergelijkbare pogingen in het verleden hebben totnog toe onvoldoende resultaat gesorteerd.”

Wat goed gaat, of beter

Toch zijn er onmiskenbaar ook successen te tonen.

-Zo gaat het goed met de instroom in het leraarschap in het HBO enop hogescholen neemt het aantal studenten per docent in eenvoldoende hoog tempo af.

-De bèta-promotie is ook zeer geslaagd. “Het goede nieuws uithet voortgezet onderwijs is de groei van het aantal havo en vwoleerlingen die een N-profiel of bètaprofiel kiezen. Deinvesteringen van de afgelopen tijd in het bètatechnische onderwijsop middelbare scholen werpen hun vruchten af. De prestaties vanmiddelbare scholieren, waarover onlangs nieuwe PISA-gegevensverschenen, behouden hun oranje kleur omdat – als we alleen naar deOESO-landen kijken – de top 5 nog in zicht is. Opkomende gebiedenals Shanghai en Singapore blijken echter hoger te scoren danNederland.”

-Internationaal gezien zijn Nederlandse onderzoekers “zeerproductief en hebben hun publicaties een grote impact. Traditioneelis dat onze kracht, maar er zijn wel scheurtjes zichtbaar.”Nederland lift nu nog mee met successen elders, stelt de KIA vast,”met name aan de technische universiteiten en in debètadisciplines. Dat is geen robuuste manier van werken. In dewetenschap geldt dat wie niet levert, vroeg of laat van het netwerkwordt uitgesloten. De vraag is daarom hoe lang deze goedeNederlandse positie gehandhaafd kan blijven zonder extramiddelen.”

– Op de diverse internationale ranglijsten doen deuniversiteiten het zeer behoorlijk. “Ze horen (bijna) allemaal bijde eerste 200 van de wereld, maar geen enkele Nederlandseuniversiteit neemt een echte toppositie in. Door de bank genomenlaten de internationale ranglijsten van universiteiten niettemineen lichte verbetering van de positie van Nederlandseuniversiteiten zien. De door buitenlandse bedrijven in Nederlandverrichte R&D laat een forse stijging zien.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«