De orchidee van het HBO

Nieuws | de redactie
13 april 2011 | Het gebouw van de HBO-raad is ingepakt. Niet door Christo, maar door oppoetsers van de façade van het pied à terre van een admiraal van de West Indische Compagnie. Guusje ter Horst is sinds 1 januari met een vergelijkbare klus bezig. Maar zij wil het bepaald niet bij de historische verpakking laten. “Met wat we nu doen als HBO, kan de Kamer zien dat we zélf bezig zijn met de dingen waar anderen over klagen. Alleen als je zelf aanpakt, kun je maatschappelijk vertrouwen kweken.”

U bent nu precies een kwartaal voorzitter van de HBO-raad.Wat was het leukste dat u tot nu toe meemaakte?

Echt het leukste zijn de werkbezoeken aan de hogescholen. Jemerkt er meteen hoe verschillend de sfeer overal weer is. Rotterdamis prachtig, maar het is er ook anders dan Groningen en dat lijktweer niet op Zeeland. De binding met de omgeving, met de regio issterk, dat merk ik overal opnieuw. Ook de denominaties spelendaarin een rol en de eigen focus van de hogeschool.

Ik was net in Zeeland bij de hogeschool. Wat ze daar allemaalmet een thema als water en de bedrijvigheid op dat terrein doen, ikvond dat zo interessant om mee te maken. Ze kweken er kreeftjes, opeen manier die in Nederland nergens voorkomt. Heel klein zijn die,pas na een jaar of zeven zijn het de kreeften die je kunt bestellenzal ik maar zeggen. Culinair was dat bezoek dus meteen al iets meteen plezierig lange termijn vooruitzicht!

Toen ik bij de Hogeschool Rotterdam was, zag ik weer een heelandere benadering. Daar leggen ze de focus helemaal op hun rol inen voor de stad. De haven, de bedrijven, daar zijn ze geweldig meebezig, de projecten in die richting vond ikindrukwekkend. De hogescholen zijn allemaal heel ‘eigen’ enhelemaal geen sfeerloze molochs, integendeel.

En het minst leuke in deze drie maanden was….?

Weet ik eigenlijk niet….minst leuk, ik heb de neiging dat soortdingen gauw te vergeten. Ik doe het gewoon graag, het HBO isbovendien een heel mooie sector.

Maar een waar men vaak gauw aan voorbij gaat. Als er 9topgebieden worden ingericht of discussies zijn over studenten, dandenkt men meteen, en vaak alleen, aan universiteiten. Tweederde vande studenten, het ‘jong talent’, zit aan de hogescholen, maarje hoort daar toch erg weinig over. Daar kunt u toch geen genoegenmee nemen?

Ik kan me daarover wel lopen verbazen, maar het is gewoon zo. Enik geloof dat ik het ook wel een beetje snap, van buitenaf komend.Veel van de posities in de samenleving en van de mensen in hetmaatschappelijk debat worden bekleed door doctorandussen. Deuniversiteit van vroeger is hun achterland als de discussie gaatover hoger onderwijs, ook over onderzoek. Die is hen vertrouwd, ishun stukje van de beleving.

Dat zal overigens gaan veranderen, dat kan niet anders. Er komenhonderdduizenden nieuwe mensen bij op al die posities die ook vande hogescholen komen. En ook bij het onderzoek zul je zien dat mensteeds meer meekrijgt en ervaart, dat allerlei onderzoek ook bijhogescholen gedaan wordt.

Universiteit en hogeschool zijn hier geen of-of instellingen,maar bieden het hoger onderwijs verscheidenheid en elkaar ookaanvulling in de ontwikkeling van kennis en mensen. Een beetjeconcurrentie kan daarbij trouwens helemaal geen kwaad, vind ik.Zeker als het gaat om het leveren van topprestaties opverschillende terreinen kan dat best stimulerend zijn. Waar ik nietzo gek op ben is de nadruk op competitie om de studententallen, omconcurrentie over ‘ik meer dan jij’. De competitie moet gaan om dekracht van de inhoud die je weet te brengen, om de kwaliteit van jeonderzoek, of het nu fundamenteel of meer praktijkgericht is.

U treedt aan in een periode dat het HBO een hoop problementegelijk op zijn bordje vindt. En die hangen ook nog allemaalsamen. Veerman staat niet los van ‘geld’ en samen staan die tweeniet los van ‘kwaliteit’ en dat niet los van reputatievraagstukken.De aanpak daarvan zult u voorlopig niet kunnen doen met extraruimte of middelen om te investeren in verbetering.

Nee, ik verwacht dat ook niet. Misschien is het nu als metorchideeën. Soms bloeien die het mooiste als ze maar weinig waterbijgegoten krijgen. Er komt weinig bij, op termijn misschien wel,maar voorlopig moet je er maar niet op rekenen. Dat dwingt totkeuzes. Is dat erg? Ik denk het niet, want het is goed als je jeafvraagt ‘wat is dan mijn eigen keuze?’ Wij worden als HBO-sector,als vereniging voor de keuze geplaatst: ‘gaan we de basiskwaliteitvan ons onderwijs voorop zetten, of juist de extra punten dievanuit ‘Veerman’ noodzakelijk blijken te zijn?’

Die keuze hebben we samen gemaakt: wij kiezen voor een ‘compacteVeerman’. Dus dat rapport zó uitvoeren dat we primair de dingendoen die de basiskwaliteit echt omhoog helpen brengen. Dat betekentdat je van de punten uit Veerman heel bewust moet kiezen welke jevoorrang geeft en je niet van alles wat doet. Het versterken vanhet onderzoek moet je dus bijvoorbeeld oppakken omdat ditnadrukkelijk bijdraagt aan een hogere kwaliteit vanbachelor én master.

Daarbij spreken wij wel één ding af: nieuwe initiatieven moet jealleen daar financieren waar de basiskwaliteit op orde is. Om tekunnen ‘pitchen’ voor investeringen in nieuwe dingen inzwaartepunten en een kop bovenop het bacheloraanbod, is het op ordebrengen daarvan een voorwaarde. Die nieuwe middelen zijn nietbedoeld om extra’s te financieren terwijl de focus in instellingenof opleidingen eerst nog gericht moet zijn op de primairekwaliteitsnormen. Die voorwaarde zullen we met elkaar goed moetenuitwerken vind ik.

Maar de analyse van wat nodig is, vereist meer dan ‘op ordezijn’ per instelling. De vraag naar de ‘nationale kennisagenda’ enambities zal ook per sector op tafel moeten komen. Zie wat decommissie Dijkgraaf hier als ‘springplank‘ voor Veermanprocesheeft geformuleerd.

Op de vraag naar goeie sectorale analyses van wat we willen ennodig is zeg ik ‘ja’. We hebben daar ook een goede aanpak voor: eeneerste verkenning van de vragen en kansen doen en daaruit eensectorplan laten ontstaan. Dat moet je met de sector, met depraktijk samen laten groeien. Anders gezegd, ik waarschuw om zoietsvan bovenaf op te leggen, als OCW soms de neiging zou hebben.

Want je kunt dat wel willen doen, maar dat roept een eindeloosproces op van problemen en belemmeringen. Kijk naar de kunstsector!De geluiden dat er allemaal mensen zonder werk zouden wordenopgeleid en dat de kwaliteit niet zou voldoen, nou die bleken dusniet te kloppen. Dijkgraaf liet iets heel anders zien, zodat eensectorplan met een andere insteek mogelijk wordt. Ik ben benieuwdwat dat gaat opleveren nu het regieorgaan onder leiding vanBrinkman dit heeft opgepakt. Niet van bovenop opgelegd dus, maarkomend vanuit de sector zelf.

Die verschillende inputs van sectoren, regieorganen eninstellingen zelf zal toch in een samenhangend geheel’post-Veerman’ moeten worden samen gebracht. Hoe voorkom je zoweldoublures en ‘more of the same’, als ‘na u, meneer’ afwachtendgedrag? 

Als er maar geen rijkscommissaris komt, svp! Je laat je alsstaatssecretaris toch niet uit handen nemen wat je eigen opdrachtis? Zo’n figuur doet me denken aan een soort noodtoestand,alsof de dijken aan het doorbreken zijn en het land ieder momentonderloopt. Nu zit de Deltacommissaris in het pand naast ons, maartoch, zo erg is het hier niet in het hoger onderwijs.

Maar wat dan wel? Iemand zal de optelsommen van deprofileringsdromen en nationale noodzaken bij elkaar moetenbrengen.

Ten eerste gebeurt dat nu al. ‘De drie‘ [Dijkgraaf, Sistermans en Van Wieringen]moeten al een bekostigingsopzet maken in het kader van Veermansambities. Daarin zit al de vraag naar de ‘kwaliteitsbekostiging’van het HO. In mijn gesprek met hen heb ik gezegd: ‘Begin eralsjeblieft niet aan!’ Onze opzet met de basiskwaliteit alsvoorwaarde voordat je bij de extra’s iets kunt realiseren, kon opdit punt wel eens veel krachtiger werken.

Waarom zei u ‘De drie’ zo vurig ‘aub niet’?

Omdat ik zoiets als minister heb meegemaakt bij de politie,bijvoorbeeld. Weet je, iedereen is ervoor dat geld alleen gaat naar’kwaliteit’. Vervolgens ga je criteria formuleren en iedereen gaathetzelfde doen, namelijk dat wat bij die normen blijkt te scoren.Het effect is dat we allemaal hetzelfde kunstje gaan zitten doen enje differentiatie en profiel kunt vergeten. Het wordt onbedoeld eenaverse prikkel.

Wie maakt die optelsom dan wel? Wie tekent de kaart van deprofielen en hun attractiepunten in Nederland?

Die vraag hebben we in onze eigen voorzittersconferentie ook optafel gehad. Je moet dat allereerst aan de mensen zelf vragen, ookbinnen de hogescholen zelf. ‘Waar zou jij je nou echt op willenonderscheiden?’ Men is daar meestal heel concreet over, men kentzijn veld, omgeving en de eigen kwaliteiten best.

Dat levert een beeld op dat wij als HBO-raad vanuit allehogescholen zouden moeten aggregeren. Je kunt zo’n beeld al tekenenvan welke kenniscentra van de hogescholen nu direct aansluiten bijde 9 topgebieden die EL&I formuleerde. Ook vanuit de 3000bedrijven die nu al vanuit SIA/Raak met de hogescholen samenwerkenen die ook op zulke topgebieden bezig zijn.

Die kaart van Innovatie Nederland kunt u als HBO-raad zekertekenen. Maar ik zie ook dat EL&I het HBO over het hoofd zietals men die 9 topgebieden definieert en concreet invult.

Oh, ik ben gek op kaarten! Zoiets concreet uitwerken op diemanier, dat lijkt me prachtig, dat ziet iedereen letterlijk voorzich.

Voor EL&I en de topgebieden komen we met een overzicht vanwat de hogescholen en hun regionale netwerk nu al doen en hoe wedat gaan uitbreiden. Ik besef dat ze ons vergeten, hun blik is gericht op onderzoek inde klassieke zin en dan denkt men aan universiteiten. Bij destartbijeenkomst was ik aanwezig, maar je merkte al dat ze ons bijdie 9 topteams zouden vergeten. Ik maak mij daar maar liever nietdruk om. Het MKB, die 3000 SIA/Raak partnerbedrijven en anderenweten dat wel en met hen komen we voluit in beeld, zodra het om deconcrete praktijk van de innovatie in die 9 topgebieden gaat.

We missen de kans, las ik op ScienceGuide Ik zeg het wat anders:als we het niet blijken te kunnen, dan zijn we het niet waard. Danmissen we die kans.

Met die kaart in de hand moet iemand de reisgids vanInnovatief Nederland schrijven, het plan van de concrete route naaren invoering van Veerman. Wie is de beste auteur daarvan?

De centrale positie zit toch allereerst bij degene die het geldinzet en daarmee sturen wil. Die moet er dan ook voor zorgen dat ermet die middelen goede dingen gebeuren. Daar zal OCW een hele klusaan hebben, denk ik.

Dan komt op ons direct de vraag af of we als HBO-raad niet zelfdie verantwoordelijkheid moeten opnemen. ‘Moeten we dat welwillen’, klinkt dan bij velen onder onze leden. Ik snap dat best.Kun je je leden wel aansturen in zo’n rol als je tegelijk hunvereniging bent?

Het HBO kon ontstaan doordat minister Deetman die bereidheidkreeg bij de HBO-raad onder Jan Karel Gevers. Zonder die durf warendie 450-500 schooltjes geen eigenstandige HO-sectorgeworden.

Hoe onafhankelijker je staat ten opzichte van het HO en desector, hoe meer je denkt: ‘Dat moet je wel zelf oppakken als hetop je weg komt.’ Deze voorzitter herkent dat dus sterk. Maar ikherken die geluiden best die klinken ‘dat zou je beter niet willendoen..…’

Kiezen, profileren, dat betekent dan wel niet slechtsextra’s verdelen, maar ook kritisch herijken van aanbod,herschikken van dingen. En waar nodig ook durven te stoppen. Hoewordt dat vastgelegd?

Dat blijkt toch ingewikkelder dan vaak gedacht. Als we zeggendat we ons willen richten op brede bachelors voor de instroom, danklinkt algauw dat er voor allerlei bedrijfssectoren onmisbarespecifieke opleidingen moeten blijven. En als je zegt te willenconcentreren roept dat het schrikbeeld op van nóg groterehogescholen!

De Tweede Kamer zit momenteel eerder op de lijn van de opsplitsing van instellingen, dus dat maaktzo’n aanpak lastig, vermoed ik. En dan is er die regionaleverankering van de opleidingen, met bedrijven, met het VO.  Entoch zeg ik, ook tegen de Kamerleden: zwaartepunten kiezen betekentook dat je met elkaar kunt herschikken waar je niet zoveel’zwaartepunt’ hebt. Als de uitkomst voor een hogeschool dan is ‘weworden kleiner maar beter’, dan is de uitkomst dus wel een beterHBO.

Dat betere begint met hogere basiskwaliteit. Daar moet die’compacte Veerman’ bovenop gezet worden. Maar wat houdt die hogerebasis eigenlijk in? Gaat het dan om betere cijfers voor taal enrekenen?

We hebben dat zo scherp mogelijk willen formuleren, er nietomheen willen draaien. Er zijn vier kwetsbare thema’s voor het HBOen die moet je nu aanpakken, wil je Veerman kunnen uitvoeren.

1) De bezoldiging van bestuurders. Dat hebben we meteenaangepakt. De transparantie is nu een feit. We gaan de basiswaarop de salarissen voor de top is gelegd ook nog aanpassen aan deeisen en afspraken die nu actueel zijn.

2) Het rendement moet echt omhoog, vooral de uitval in heteerste studiejaar moet minder hoog. Helemaal nul zal niet slagen,maar je moet de studenten op dit punt toch veel meer richtingkunnen geven. Dat je in jaar één je weg vindt en merkt dat het goedlukt, dat is ook enorm motiverend, voor elke student van elkeachtergrond.

3) De tevredenheid van de studenten over hun onderwijs kanen moet zo ook omhoog kunnen. Het HBO zit hier onder de scores vande universiteiten. Dat vind ik nergens voor nodig.

4) De waarde van de diploma’s. Hun validiteit en kwaliteitzijn geen onderwerp waar enige discussie over mag ontstaan.Daarom regelen we dit jaar nog dat de examencommissies op ordezijn.

Met OCW hebben we bovendien extra punten afgesproken op ditterrein. Bijvoorbeeld over de contacturen per student. En over dekwaliteit van de HBO-docenten. Daar gaat het echt fors vooruit. Debeide gestelde normen zijn een feit: 10% gepromoveerden, 70%MA-graden in 2014. Die doelstellingen gaan we halen.

Voordeel van zulke concrete normen is dat u de vage, nogalalgemene discussie over ‘de kwaliteit van het HBO’ van repliek kuntdienen. Maar de argwaan is breed en misschien ook diep, zelfs in deTweede Kamer.

Met wat we nu doen, kan de Kamer in elk geval zien, dat we zélfbezig zijn met de dingen waar anderen over klagen. Alleen als jezelf aanpakt kun je maatschappelijk vertrouwen kweken. Dat zie jeook nu Doekle Terpstra concreet bezig is bij Inholland. Ook daarlaten we het er niet bij zitten, maar pakt hij aan. Die uitdagingis niet uniek voor het HBO, trouwens. Ik ken de politie, kijk naarde zorg en noem nog maar een paar sectoren of instituties op. Voorniemand is dit makkelijk.

Waar het mij om gaat is dat onze omgeving weet dat we deproblemen zelf allereerst aanpakken. Daarmee zeg je ook: ‘U kunt opons vertrouwen’. We wachten niet tot een ander aan de bel hangt, wezijn het zelf die de volle aandacht geven voor dat waar iets nietgoed gaat.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«