Wennen aan bijpraten

Nieuws | de redactie
11 mei 2011 | Martin Paul kwam via San Diego, Harvard en Berlijn naar Maastricht. Hij is de eerste Duitse collegevoorzitter en geniet – soms monkelend, soms verbaasd – van het Nederlandse HO. “Een beslissing is hier niet het slot van een discussie. Eerder het begin van allerlei debatten.”

De nieuwe CvB-voorzitter van de Universiteit Maastricht lijkt inniets op zijn voorganger Jo Ritzen. De tanige, kwikzilverigeoud-minister en agent provocateur is opgevolgd door een grote,forse medicus en voormalige voorzitter van de Europesedecanenkoepel DEAN. En toch worden hun overeenkomsten helder naarmate het gesprek vordert. Allereerst een fascinatie voor enverleden in het Amerikaanse universitair bestel.

Iets einmaliges

Martin Paul studeerde in San Diego en ging daarna naar Harvardom er alles te weten te komen over hart en bloedvaten en demedicijnen tegen aandoeningen aan die cruciale levensorganen. “Ikhad daar heel goed kunnen blijven hangen, dat klopt. Mijn vrouw hebik in Boston ontmoet, dus dat schiep ook een band.” Maar toen kwam’die Wende’. De Duitse medisch onderzoeker kon in het herenigdeBerlijn een droom helpen realiseren.

“De medische faculteiten van de West- en Oost-universiteitmoesten samengebracht worden. In 1994 kon ik daar beginnen dat stukvan onze eenwording te helpen realiseren. Geen kleinigheid, want inde universitaire organisatie en cultuur van de DDR maar ook inWest-Berlijn was er heel wat aanwezig waar  vergaandeverandering nodig was. We noemen het niet voor niets ‘die Wende’,de hereniging van ons land. Ik kon toen decaan worden en we hebbener enorm aan getrokken, al onze energie in gestoken. In 15 jaarwerd de Charité zo van een door een communistische cultuur gevormd instituut tot de nummer één op medisch terrein inDuitsland. Zoiets helpen ontstaan, het is ietseinmaliges dat je in je leven zo’n kans krijgt!”

MartinPaul

Na 15 jaar keek manager en decaan Paul wel af en toe naarzijn eigen Werdegang. “En nu? Dat vroeg ik mewel af soms. Ik was 50 en moest me afvragen, zou ik nog nieuwewegen inslaan, of de komende jaren nog watvoorzitterschappen in mijn vak, een paar mooie bestuursposten ofzoiets zou doen. Ik was niet van plan op te stappen, die kant ginghet niet op toen.”

Geen Louis van Gaal

En toen kwam er een e-mail binnen uit Maastricht: of hij decaanvan de medische faculteit en het UMC wilde worden, van een sterkEuropese, op onderwijsvernieuwingen gerichte universiteit?

“Sincerely, Jo, daarmee sloot de mail af. Dat informele, datintrigeerde. Ik had Ritzen nog nooit ontmoet! Wel was mijn relatiemet Nederland erg goed, we werkten vaak samen met universiteitenhier, zo als Groningen en ook Maastricht.” Ritzen bleek een lijstjete hebben gemaakt van de toonaangevende medische decanen in Europaen Amerika en ingeschat te hebben bij wie een mail  een goede kans zou maken. Uit die namenlijst benaderde Ritzen er eenpaar.

“Hij heeft een gok gewaagd, om te zien waar er mogelijkhedenwaren. Ik was voldoende geïnteresseerd in zijn verrassende vraag omhet gesprek aan te gaan. Jo kwam daarop naar Berlijn, striktvertrouwelijk, en nam de voorzitter van de Gezondheidsraad mee voorhet gesprek. Dat gaf meteen aan, dat de functie in Maastricht ereen op een hoog niveau zou zijn. Dat ik in Berlijn niet direct weghoefde, bleek wel op de dag van onze eerste ontmoeting. DeCharité maakte net toen bekend, dat  we voor €120 miljoen aannieuwe investeringen konden realiseren in deneurowetenschappen.”

En toch koos Martin Paul toen voor Maastricht. “Het nieuwe trokme, het was echt een nieuwe stap en een uitdaging.” Lachend voegthij een Duits-Nederlandse metafoor toe: “Ik wilde geen Louis vanGaal worden, iemand die in een situatie terecht komt waarin hijalleen maar minder kan gaan presteren na wat hij daarvoor bereikthad…”

Polderen deed ik al

Als decaan en nu als collegevoorzitter onderging hij eenculturele en beleidsmatige onderdompeling. Hij zegt enerzijds nietzo heel veel, diepgaande verschillen te beleven tussen het Duits enhet Nederlands hoger onderwijs. “Polderen bijvoorbeeld, dat vind ikniet zo merkwaardig. In Berlijn deed ik dat al, het bouwen aan enonderhouden van goede netwerken. Zoiets is in zo’n stad met grotehistorische en culturele verschillen gewoon noodzakelijk, dus zo’nwerkstijl had ik al.”

Maar al pratende komen de eigenaardigheden van cultuur en stijlin Nederland toch wel op tafel. Martin Paul lacht als hij verteltover een les die hij echt heeft moeten leren: ‘bijpraten’. “In eenvergadering ging ik er altijd vanuit dat je met elkaar to thepoint alles doorneemt, zodat iedereen weet wat hem te doenstaat en ook volop input kan hebben. Tot slot kun je dan watinformeler nog een rondvraagrondje doen voor suggesties enaandachtspunten voor volgende meetings. Maar in Nederland gaat datanders. Je begint met koffie en men gaat dan met elkaar bijpraten.Komt er van alles op tafel, ook buiten de agenda en als voorzitterweet je dus eigenlijk niet wat je moet doen. Moet ik zelf puntengaan noemen? Moet ik dingen concluderen of juist afkappen? Dat hebik moeten leren, dat bijpraten. Nu ben ik het gewend en zie ook decharme er van in.”

Afspraken maken en beslissingen nemen, dat gaat bij Nederlandersook een beetje anders. “Dat gaat hier soms heel informeel,mondeling. Dan zegt iemand tegen me ‘met je voorganger hebben weafgesproken, dat ik…’ en dan blijkt dat nergens gedocumenteerd tezijn. Die afspraak is dan wel gemaakt en men werkt er ook goed mee,maar ik merk dan dat ik daar een beetje Duits in blijf. Als er zo’nafspraak is, dan wil ik die toch wel graag even netjes vastgelegdzien…..”

Uithangbord?

Sowieso is die informele kant zowel plezierig als bewerkelijk.Processen van besluitvorming hebben hun eigen dynamiek inNederland, zegt Paul. “Een beslissing is hier niet de afronding,het vorm niet het slot van de discussie. Vaak lijkt het eerder hetbegin! De beslissing is als een uitnodiging tot allerleivervolgdebatten. Dat is iets waar je als Duits bestuurder wel aanmoet wennen. Het is een spel dat je moet leren. Nu ken ik dit en ishet zelfs leuk om dat dan zo te spelen. Ook dat hoort bij datpolderen.”

Het collegevoorzitter zijn is ook een eigen, echt Nederlandsefunctie. Die rol is anders dan elders, zo stelt Paul vast. “InDuitsland kijken ze je met grote ogen aan: de universiteit heeftzowel een president als een rector? Hoe kan dat goed gaan? Diemoeten toch hetzelfde doen? In Amerika is de president van deuniversiteit weer een heel andere figuur, veel meer eenuithangbord. Die moet bij de fondsenwerving en de netwerken puntenscoren.”

Zelf vindt hij het Nederlandse bestuur eigenlijk heelaantrekkelijk. “De nadruk ligt op collegiaal werken, met hetbestuur als één club die het samen waarmaakt. We kijken dan vooralnaar wie welke rol binnen dat bestuur het beste kan vervullen enmaken daar collegiale afspraken over. Ik houd niet zo van diestereotype rolverdelingen in een bestuur. In collegialiteit kun jeveel beter taken verdelen op basis van de kennis en kunde, deaffiniteit met vraagstukken.”

Na de dynamische jaren onder Jo Ritzen is de UM in de ogen vanzijn opvolger “volwassen geworden”. Oude beelden over hetacademisch onderwijs in Maastricht zijn daarmee aan het verdwijnenen dat vindt hij ook goed, in het licht van ‘Veerman’. “We zijnveel meer dan een goede leverancier van bacheloronderwijs. Somsweet men dat nog niet. Toen recent de beoordeling van onze mastersheel goed bleek te zijn, werd dat in de media ‘verrassend’ genoemd.Dat vond ik wel grappig. Die mensen hadden niet zo goed opgeletblijkbaar.”

Kwaliteit van leven

Met die goede reputatie – door het toonaangevende CHE nog eensfors onderstreept – kan de UM bij ‘Veerman’belangrijke stappen vooruit zetten, meent Paul. “Juist nu kunnen wescherpe keuzes maken, ook bij de speerpunten van ons onderzoek. Datvertalen we dan naar ons onderwijsaanbod en naar demaatschappelijke en internationale relaties rond dat onderwijs enonderzoek. Voor onze universiteit is dat misschien ook minderlastig dan bij collega’s. Wie binnen het universitair onderwijs’alles in huis heeft’, die heeft het veel moeilijker om met hetrapport-Veerman in de hand tot zulke scherpe keuzes en speerpuntente komen.”

Het aanscherpen van de focus ziet de nieuwe collegevoorzitterprimair gebeuren op drie thema’s. Die zijn bewust niet specifiekgebonden aan faculteiten, maar wel aan benaderingen van hetonderwijs en onderzoek van de hele universiteit. “Allereerst leggenwe het accent op ‘de kwaliteit van het leven.’ Daarin komt veelmeer aan de orde dan een klassiek-medische benadering. Dat raaktook de verbinding van de zorg met recht en met business. Hoeorganiseer je de opvang van zeer oude mensen? Hoe benader jeethische aspecten bij de zorg, ook in juridische zin? En zo zijn ernog veel meer aspecten, die de verschillende disciplines uit heelde universiteit en het UMC bijeenbrengen.”

Samen met de twee andere thema’s “Europa en deglobaliserende wereld” en “Innovatie en leren”, vormt ditde verbindende onderzoekslijnen van de universiteit. “Daarom moetenwe ook zulke dingen durven doen als een ‘science college’ enintensieve vormen van regionale samenwerking met bedrijven enkennisinstellingen als bij Chemelot. Daar kun je zulke innovaties concreetmaken. Ook hier zullen het UMC en de universiteit nog veel meersamen gaan optreden. Als kenniscentra en opleidingscentra is hettoch vreemd als deze twee apart zouden opereren? Op elk van diedrie kernthema’s zijn zij juist bestuurlijk en inhoudelijk sterkmet elkaar verbonden.”

Return on investment

Een voorbeeld van dit soort onderwerpen is hoe een land als hetonze – en een regio als Limburg – om moet gaan met de demografischeomslag. “Ja ‘de krimp’ raakt al dit soort punten, waar wij alsuniversiteit een zwaartepunt van maken. We bouwen bijvoorbeeldsamen met het Maastricht UMC aan een centrum voor ‘de technologievan de zorg’ als deel van de Maastricht Health Campus. Kernideedaarvan is dat we zouden moeten toewerken naar een ziekenhuiszonder bedden, naar het omgaan met zieke en oudere mensen op eenwijze die hen niet volstrekt afhankelijk maakt. Want iedereen zalmoeten leren inspelen op de vergrijzing en op de zorgen die mensendaar over hebben.”

Een universiteit en medisch centrum hebben daarbij bovendien deopdracht naar veel bredere partnerschappen te kijken dan menvanouds gewend was, onderstreept Paul. “Dat zijn niet alleen maarandere instituties in de zorg. Een dergelijk centrum moet intensiefuitwisselen met bedrijven in hightech sfeer, met verzekeraars, metregionale overheden enzovoorts. De maatschappelijke ‘return oninvestment’ van zulke knooppunten is heel hoog. Zij leiden totnieuwe kennis en inzichten zonder welke de oplossingen van dievraagstukken niet zullen lukken.”

Kaasschaven?

Het is deze manier van kijken naar de rol van kennisinstellingendie de nieuwe UM-voorzitter positief doet reageren op de 9topgebieden die minister Verhagen heeft geïdentificeerd. “Ik vinddie keuze wel slim. Zo focus aan te brengen kan best helpen. Maarde vraag moet je dan wel nog sterker stellen: ‘hoe investeren wedaar nu concreet in?’ Op het gebied van de Life Sciencebijvoorbeeld kan wat steviger aangegeven worden dat dit sterkgericht moet zijn op meer focus voor gezondheid en ‘healthyageing’. Het is nu nog wat algemeen en de focus ligt op bedrijven,maar zonder dat  daar scherper in gekozen is. Kennis, kundekassa is op zich een prima benadering, maar als dat ertoe leidenzou dat je die maatschappelijke return on investment niet zietkomen, dan ga je aanzienlijke opbrengsten missen.”

“Recent voerden wij een brainstorm uit op dat terrein. Toenbleek dat zeer grote besparingen in de gezondheidszorg enverbeteringen in de levenskwaliteit van mensen mogelijk zijndoor zeer gericht te werken aan preventie. Wat je dan doet isinvesteren in mensen die juist nog geen patiënt zijn.”

“Dat vereist een sprong in het denken over hoe je investeert,maar zo durven kijken is effectiever dan te denken in de vorm vankaasschaven.” Een Duitse collegevoorzitter, die het woordkaasschaven al kent. Dat is wel echt Nederlands.

Martin Paul spreekt op 29 en 30 november op het NationaalHoger Onderwijs Congres (NHOC).Het volledige programma van het NHOCleest u binnenkort opScienceGuide. Ook is het mogelijk om nu alvastuw plaats te reserveren ofde brochure aan te vragen. Voor meerinformatie kunt u contact opnemen met SBO-congresadviseur Leanne Visser op telefoonnummer 040-297 2793.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK