De Chinese handschoen

Nieuws | de redactie
27 september 2012 | Heel Kennis-Nederland buitelt over elkaar heen om in China te scoren. Barend ter Haar van Clingendael kijkt daar met een lodderoog naar en analyseert het China-advies van de AWT met eenzelfde blik. "Waarom blijft die versplintering bestaan?"

Over elkaar buitelen

In zijn advies De Chinese handschoen[1] bepleit de Adviesraad voor het Wetenschaps- enTechnologiebeleid (AWT) de samenwerking met China te intensiverenen te bundelen en daarbij maatwerk te bieden aan gearriveerdebedrijven, kansrijke bedrijven en kenniswerkers. 

Ongeacht de kleur van het volgend kabinet, zal de Nederlandseregering dit advies graag omarmen, want dat Nederland gebruik moetmaken van de mogelijkheden die de snelle ontwikkeling van Chinabiedt is onomstreden. Het advies roept echter een aantal vragen opdie in het advies hoogstens kort worden aangestipt. Nu iedereen inNederland over elkaar heen buitelt om met Chinasamenwerkingsovereenkomsten te sluiten, verdienen deze vragenbijzondere aandacht.

Zo roept het advies vragen op over het doel van de bepleittesamenwerking. Gaat het ons echt alleen om het geld dat in en metChina valt te verdienen? En moeten we China als een uniek gevalbehandelen of is dit advies ook geldig voor onze relaties metlanden als India en Indonesië? De AWT is niet de eerste diewaarschuwt tegen de huidige versplintering van het overheidsbeleidten aanzien van China. Maar waarom blijft die versplintering dantoch bestaan?

De AWT merkt op dat de belangen van Nederlandse bedrijven nietaltijd samenvallen met de belangen van Nederland. In een advies dathelemaal in het teken staat van de ondersteuning van Nederlandsebedrijven is dat een belangwekkende opmerking, maar de AWT gaat ernauwelijks op in. En wat bedoelt de AWT precies wanneer hij spreektover een “Nederlands” bedrijf?

Waar ligt de grens? 

Verder klinkt het advies om tegenover China vaker samen metandere landen op te treden, bijvoorbeeld in EU-verband, nogalplichtmatig, alsof de AWT betwijfelt of het de moeite waard is hierveel energie in te steken. Het advies spreekt daarom vrijwel alleenover op nationaal niveau te nemen maatregelen. Acht de AWT datinderdaad het verstandigst?

Tenslotte stelt de AWT dat we voor de Nederlandse economiecruciale kennis moeten behouden maar hij maakt niet duidelijk hoe.Is in beginsel ieder particulier of geprivatiseerd bedrijf inNederland voor China te koop? Zo nee, waar ligt de grens?

Hieronder zal kort op deze vragen worden ingegaan. Ten slottekomt de vraag aan de orde waarom de AWT nauwelijks aandacht aan debovengenoemde vragen besteedt.

Waartoe dient de samenwerking? 

Het advies wekt de indruk dat kennisuitwisseling met Chinaslechts één doel dient, namelijk ondersteuning van onsbedrijfsleven. Kenniswerkers, universiteiten en onderzoekers dienaar China gaan om kennis uit te wisselen “verdienen waardering ensteun van de overheidwant[mijn cursivering] zij bouwen aannetwerken die voor het Nederlandse bedrijfsleven van groot belangzijn”. Dat is een visie die enige toelichting behoeft, want zijspreekt niet vanzelf.

Het beleid van Nederland ten opzicht van China is door hetministerie van Buitenlandse Zaken neergelegd in de BeleidsnotitieChina[2]. Daaruit citeert de AWT de volgende passage:

“Nederland streeft er, mede in het licht van onze eigenbelangen, naar om:

–         bij tedragen aan stabiliteit in China door middel van een voortgezettedialoog en activiteiten op het gebied van democratisering,mensenrechten (..);

–         bij tedragen aan een verantwoordelijke invulling van China’s rol op hetwereldtoneel (..);

–         hetChinese streven naar duurzame ontwikkeling te ondersteunen (..)

–         handel eninvesteringen te bevorderen (..);”

Vervolgens stelt de AWT dat voor dit advies “met name hetlaatste deel van bovenstaande passage relevant” is. Hoezo? Spelenkennis en onderzoek geen rol bij duurzame ontwikkeling, bijbevordering van een verantwoordelijke rol van China op hetwereldtoneel en bij democratisering en mensenrechten?

Her en der in het advies noemt de AWT voorbeelden vankennisuitwisseling die een ander doel dienen dan de bevordering vanhet bedrijfsleven, zoals de Zweedse steun aan hetmensenrechtenonderwijs op Chinese universiteiten. Zou deNederlandse overheid zo iets alleen moeten steunen wanneer hetNederlandse bedrijfsleven daar baat bij heeft? Nederland en Chinageven beiden ontwikkelingshulp aan derde landen, zij het dat onzewerkwijzen nogal verschillen. Zou dat geen nuttig onderwerp vankennisuitwisseling zijn?

Verder strekkende taak 

Zoals uit de boven aangehaalde beleidsnotitie blijkt, strekt detaak van de Nederlandse overheid verder dan de bevordering van hetNederlands bedrijfsleven. Samenwerking met China op het gebied vanonderzoek en kennis zou ook ten goede kunnen komen van andereNederlandse beleidsdoelstellingen, zoals bevordering van deontwikkeling van een internationale rechtsorde.

Deze mogelijkheden blijven in het advies echter onderbelicht. DeAWT onderstreept daarnaast wel “het belang van relaties enmenselijke betrekkingen”, maar vergeet politieke belangen,veiligheidsbelangen, milieubelangen en natuurbelangen.

China’s relatief belang  

De betekenis van China is groot en groeiende, maar we moetendeze niet overdrijven. Terecht wijst het advies er op dat de hetaandeel van China in de Nederlandse export in 2011 slechts 1,6% was(de invoer was veel groter, maar dat betrof vooral doorvoer). Maareven verder stelt de AWT dat de Europese markt “op dit moment” voorNederland aanzienlijk belangrijker is dan China en wekt daarmee deindruk dat de Chinese markt voor Nederland belangrijker zou kunnenworden dan de Europese.

Verder stelt de AWT: “Ruim 30% van de export van Duitsland gaatnaar Azië, het merendeel naar China” en wekt daarmee de indruk datmeer dan 15% van de Duitse export naar China gaat. In 2011 was datechter 5,7%, iets meer dan de Duitse uitvoer naar Oostenrijk(5.5%), maar minder dan de uitvoer naar Nederland (6,6%).

Daarnaast moet men zich afvragen of het verstandig is de opkomstvan China als een geïsoleerd verschijnsel te behandelen. Vormt dezegeen onderdeel van een bredere ontwikkeling die een groeiend aantallanden omvat, waaronder grote landen als India, Brazilië enIndonesië? Uiteraard is elk van deze landen uniek, maar wat de AWTover de relatie met China zegt, namelijk dat deze allerlei kansenbiedt aan Nederlanders en aan Nederlandse instellingen enbedrijven, kan over al deze relaties gezegd worden. AangezienNederland moeilijk overal tegelijk prioriteit aan kan geven, zullenkeuzes gemaakt moeten worden. Die hoeven niet noodzakelijkerwijsaltijd in het voordeel van samenwerking met China uit tevallen.

Hoe breed?  

De AWT stelt de oprichting voor van een “kleinschalig”China-platform waarin de strategie, activiteiten en netwerken vanverschillende actoren (bedrijven, kennisinstellingen,lokale overheden en rijksoverheid) in relatie tot Chinasamengebracht worden teneinde de Nederlandse krachten te bundelen.Dit klinkt aardig, maar het is wel erg vaag. Wat zou de reikwijdtevan dit platform zijn? Beperk je het tot diegenen die betrokkenzijn bij kennisuitwisseling met China ten behoeve van hetNederlands bedrijfsleven?

Maar hoe onderscheid je dat van handelscontacten, die immersvaak een kenniscomponent hebben? En zou het platform ook actorenomvatten die met andere oogmerken met China willen samenwerken,bijvoorbeeld om de natuur te beschermen of mensenrechten tebevorderen? En mogen in dat geval ook organisaties als AmnestyInternational en Human Rights Watch aan het platform deelnemen,bijvoorbeeld omdat zij in China kennis over de mensenrechten willenverspreiden? Of mogen onderdelen van een universiteit zoals hetNetherlands Institute of Human Rights wel aan het platformdeelnemen en NGO’s niet?

De gedachte om de Nederlandse belangstelling voor China tebundelen is nadere uitwerking zeker waard. Wellicht zouden debetrokken instellingen en bedrijven bijeen kunnen komen rond aanspecifieke onderwerpen gewijde tafels en zou het voorgesteldeplatform kunnen dienen als een overkoepelend verband dat dezetafels waar nodig met elkaar in contact brengt. 

Nederlandse krachten slecht gebundeld 

Bij deze mooie ideeën over bundeling van de Nederlandse krachtenmoet helaas opgemerkt worden dat zulke ideeën allerminst nieuwzijn, maar tot nu toe steeds hoogstens gedeeltelijk zijnuitgevoerd. De vraag is hoe dat komt.

De voornaamste reden is wellicht het informele 1648, een soortWestfaalse Vrede[3] die de departementen onderling gesloten hebben. Dekern daarvan is dat de departementen hun onderlinge grenzen zo goedmogelijk afgebakend hebben, dat zij die grenzen respecteren enbinnen die grenzen soeverein zijn.

Dus als de directie Onderwijs van Buitenlandse Zaken een weeklang overleg voert met de onderwijsdeskundigen van de Nederlandseambassades en daarbij niemand van OCW uitnodigt, dan is daar op OCWniemand over verbaasd, want de grenzen tussen het werkterrein vanOCW en dat van BZ worden in acht genomen. Omgekeerd hoeft OCW BZniet op de hoogte te houden van wat het doet op het gebied vaninternationale wetenschappelijke samenwerking.

Dit systeem heeft als nadeel dat niemand het overzicht heeftover het Nederlands optreden in het buitenland en dat hetNederlands beleid een versplinterde indruk maakt. Deze bezwarenwegen in de ogen van de departementen kennelijk niet op tegen demoeite die het zou kosten om tot een interdepartementale visie tekomen.

In Brussel wel samenhang

Uiteraard zijn er uitzonderingen en inbreuken op deze Westfaalsevrede. Zo is het internationaal cultuurbeleid een gedeeldeverantwoordelijkheid van OCW en BZ. De grootste inbreuken wordenveroorzaakt door de Europese samenwerking. Een volstrektongecoördineerd optreden van de departementen in  Brusselbleek veel nadelen te hebben.

Zo veel dat er nu sprake is van structurele coördinatie van hetNederlands standpunt. Wanneer het gaat om de Nederlandse inbreng inwereldwijde fora, zoals de gespecialiseerde organisaties van deVerenigde Naties, of om bilaterale relaties met een land als China,staat de Westfaalse vrede echter nog overeind en zijn inbreukendaarop nog steeds een uitzondering op de regel.

Botsende belangen

De AWT wijst er terecht op dat de belangen van Nederlandsebedrijven niet altijd samen vallen met de belangen van Nederland,maar lijkt hierin geen aanleiding te zien om de ondersteuning diede Nederlandse overheid tegenover China aan het Nederlandsbedrijfsleven zou moeten geven te kwalificeren.

Daarbij is het goed te bedenken dat in China de staat, al is hetsoms op de achtergrond, een zeer belangrijke rol speelt en daarbij,veel meer dan in Nederland gebruikelijk is, het oog houdt opstrategische doelen voor de lange termijn. Het is daaromvoorstelbaar dat China bereid zal blijken om veel meer dan demarktwaarde te betalen om de controle te krijgen over kennis diehet strategisch van belang acht. Voor het betreffende bedrijf kandat een zeer interessant aanbod zijn, maar de Nederlandse belangenzouden daardoor geschaad kunnen worden.

De AWT stelt dat daarom een “duidelijke visie op het belang vanNederland als geheel” nodig is[4]. Dat klinkt aantrekkelijk, maar wie gaat die visieontwikkelen? Daar zegt het Advies niets over. 

De AWT gebruikt de term “Nederlands bedrijf” alsof we allemaalwel weten wat daarmee bedoeld wordt. Maar is dat zo?

Het feit dat bedrijven als EADS en IKEA hun internationalehoofdkwartier gevestigd hebben in Nederland is voor de AWTkennelijk niet voldoende om deze bedrijven als Nederlands tebeschouwen. Maar wat is het verschil met bijvoorbeeld Philips,anders dan dat Philips historische banden met Nederland heeft enhet topmanagement van Philips voor de helft uit Nederlandersbestaat? De productie van Philips vindt immers grotendeels buitenNederland plaats en de winst gaat voor een groot deel naarbuitenlandse aandeelhouders.

In zijn Kwetsbaarheidsanalyse spionage[5] stelt de AIVD (in een ander verband, waaroverhieronder meer) dat het Nederlands belang in het geding is wanneereen Nederlandse onderneming “qua werkgelegenheid, belastingafdrachtof dividenduitkering van belang is voor de Nederlandse economie”.Het zou interessant zijn te weten of de AWT het eens is met eendergelijke kwalificatie van het Nederlands belang. 

Samen met anderen

De AWT stelt dat er in Europa nog maar beperkt sprake is vangezamenlijk optrekken richting China en dat met name “de groterelidstaten” daar weinig toe geneigd zijn[6]. De AWT lijkt dit te betreuren en spreekt positiefover het gezamenlijk optreden van de Scandinavische landen, maarkomt vervolgens met nogal minimalistische aanbevelingen.

Hij bepleit slechts samenwerking met andere landen bij “het inkaart brengen van (beleids)ontwikkelingen in China en identificerenen monitoren van goede universiteiten en onderzoeksgroepen” enmeent dat samenwerking in EU-kader vooral gericht moet zijn op deEuropese kaderprogramma’s.

Het lijkt daardoor of de AWT zich er bij neer heeft gelegd dateen gezamenlijke benadering van China onhaalbaar is en het dusverspilde moeite zou zijn zich daar voor in te zetten. Is dat nieteen beetje defaitistisch? Zou Nederland zich niet actiever moeteninzetten voor grotere samenhang in het Europese optreden tegenoverChina?

Weglek van strategische kennis

De AWT wijst op het gevaar dat China kennisintensieve bedrijvenoverneemt en dat daardoor kennis uit Nederland verdwijnt[7]: “De vraag is hoe Nederland zich hiertegenkan wapenen. Is het voldoende om te zorgen voor zoveel mogelijkdynamiek en diversiteit in het ecosysteem, zodat het voor debuitenlandse investeerder altijd aantrekkelijk is om R&Din Nederland te laten? Of is het noodzakelijk cruciale kennis -naar analogie van het financiële stelsel – als systeemkennis aan temerken? De raad is van mening dat dynamiek en diversiteitbescherming bieden, maar het is onzeker of deze afdoende is.”

Daar laat de AWT het bij. Opmerkelijk is dat hij niet ingaat opde aanbevelingen die de AIVD een jaar eerder deed in debovengenoemdeKwetsbaarheidsanalyse spionage. Om een betere balanste vinden tussen belangen op de korte en de langere termijn steltde AIVD voor:

• Breid batenanalyses voor het Nederlandse economisch welzijnvan het delen van technisch-wetenschappelijke kennis uit met dekostenanalyses als gevolg van het weglekken van deze kennis.

• Besteed in de afweging om activiteiten uit te besteden of teoffshoren nadrukkelijk aandacht aan de risico’s van spionage en de(economische/financiële) gevolgen hiervan.

Terecht concludeert de AIVD dat het “naar het buitenlandweglekken van strategische kennis of bedrijvigheid die relevant isvoor de Nederlandse nationale veiligheid op lange termijn”onvoldoende aandacht krijgt, want het begrip nationaleveiligheid komt in het AWT advies helemaal niet voor.Kennelijk strekt de verkokering van de Nederlandse overheid zichook uit tot de adviesorganen.

Deze verkokering blijkt overigens ook uit de regeringsreactie ophet genoemde AIVD-rapport. In de reactie van de minister vanVeiligheid en Justitie wordt namelijk alleen ingegaan op dedreiging van spionage, oftewel de dreiging dat strategische kennisop wederrechtelijke wijze ontvreemd wordt, hoewel in hetAIVD-rapport uitdrukkelijk gewezen wordt op de mogelijkheid datstrategische kennis op legale wijze uit Nederland verdwijnt,bijvoorbeeld door de overname van een bedrijf.

Ongewilde illustraties

Ongewild illustreert de AWT hoe moeilijk het is om tot een breedsamenhangend beleid te komen door wel te waarschuwen voor devalkuil van de versnippering van het overheidsbeleid ten aanzienvan China[8], maar er vervolgens zelf in te vallen.

Veelzeggend is de lijst met gesprekspartners die als bijlage bijhet rapport is opgenomen. Terecht wijst de AWT op het belang vaneen brede, samenhangende benadering. Vrijwel ieder ministerie heeftte maken met internationale samenwerking op het gebied vanonderzoek en kennis en vrijwel ieder ministerie heeft te maken metsamenwerking met China op dit gebied.

Kennis en onderzoek op het gebied van voedselveiligheid enbiodiversiteit zijn bijvoorbeeld verantwoordelijkheden van hetvoormalige ministerie van LNV. De ethische aspecten van biomedischonderzoek liggen bij het ministerie van VWS. Water- enmilieuvraagstukken zijn ondergebracht bij het ministerie vanInfrastructuur en Milieu, evenals het klimaatvraagstuk.Samenwerking op het gebied van onderzoek en overdracht van kenniszijn belangrijke aspecten van het OS-beleid. De minister vanVeiligheid en Justitie heeft als taak te voorkomen dat vitalebelangen van Nederland geschaad worden door het weglekken vanstrategische belangrijke kennis en ga zo maar door.

Op al deze terreinen speelt China een belangrijke rol en je zoudus verwachten dat de AWT met de betreffende ambtenaren op dezedepartementen gesproken zou hebben. Maar dat is niet het geval.

Vrijwel iedereen op de lijst van gesprekspartners past netjes inde TWA-koker. Er is met niemand op Buitenlandse Zaken gesproken,met niemand op VWS, met niemand bij I&M, met niemand bij deAIVD of op het ministerie van Veiligheid en Justitie. Zelfs inPeking heeft het onderzoeksteam de gelegenheid van een bezoek aande Nederlandse ambassade niet aangegrepen om met iemand buiten deAWT-gemeenschap te spreken.

Barend ter Haar

Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven


[1] De Chinese handschoen; hoe Chinese en Nederlandsekennis elkaar kunnen versterken; februari 2012; in digitale vorm tevinden op www.awt.nl

[2] Beleidsnotitie China – Vormgeving van eenbilaterale samenwerkingsrelatie met China voor de periode2006-2010; bijlage bij kamerstuk 29 234 van 26 juni 2006

[3] De Westfaalse Vrede maakte in 1648 een einde aande Dertigjarige en de Tachtigjarige oorlog. Een belangrijkonderdeel was dat iedere soeverein zelf mocht bepalen welkegodsdienstige richting op zijn grondgebied officieel werdaangehangen. Dat de godsdienstige richtingen van twee landen elkaarverketterden, bleek in de praktijk geen beletsel voor onderlingehandel en militaire samenwerking.

[4] Blz .13

[5] Zie blz. 19 van Kwetsbaarheidsanalyse spionage;Spionagerisico’s en de nationale veiligheid; dit werd op2 april 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden als bijlage bijKamerstuk 30821 nr. 11.

[6] Blz. 25

[7] Blz. 22

[8] Blz. 8 


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK