Studeren is een hele dure dienst

Nieuws | de redactie
24 oktober 2012 | “Er is wel leenangst, maar als puntje bij paaltje komt gaan studenten toch lenen.” Hans Vossensteyn onderzocht de invloed van financiële prikkels op studiekeuze. “Het zal zo’n vaart niet lopen met teruglopende studentenaantallen.” Maar hou de aanvullende beurs toch liever op peil onder Rutte-II.

‘Perceptions of student-price responsiveness,’ dat was de titel van het proefschrift waarop Hans Vossensteyn in 2005 promoveerde aan de UTwente bij het Center for Higher Education Policy Studies (CHEPS). Uit zijn onderzoek bleek dat niet financiële prikkels, maar vooral de sociaal-economische achtergrond van studenten, de opleiding van de ouders en het niveau van de vooropleiding bepalend zijn voor de studiekeuze.

Studeren niet opeens onbetaalbaar

Erg bang voor een sterk achteruitgaande toegankelijkheid is Vossensteyn  in het huidige bestel van hoger onderwijs in ons land niet. “Er komt heel wat op ons af en dat is inderdaad niet leuk. Er wordt een beeld geschetst alsof studeren opeens onbetaalbaar wordt en dat valt dus wel mee.” Dat het wel meevalt, heeft de geschiedenis in 1996 wel laten zien, stelt Vossensteyn.

Toen in 1996 door minister Ritzen de prestatiebeurs werd ingevoerd, werd ook gevreesd voor stevige gevolgen voor de instroom. “Het heeft er inderdaad een poosje toe geleid dat de deelname licht terugliep en VWO afgestudeerden vaker voor een HBO opleiding kozen,” vertelt Vossensteyn. “Studenten besloten toch even te wachten, een jaartje ertussenuit te gaan, om hun studiekeuze beter te overwegen. Dat lijkt me niet zo heel erg trouwens.”

In het Nederlandse systeem is de afgelopen jaren stukje bij beetje de eigen bijdrage van studenten en hun ouders aan het hoger onderwijs omhoog gegaan. Volgens Vossensteyn is het nu voorgenomen sociaal leenstelsel daarin een wat grotere stap.

“Met name ouders vinden het niet leuk, maar we moeten wel realistisch zijn. Maar de helft van de studenten leent momenteel en gemiddeld komt dat uit op een bedrag van €15.000. Dat komt neer op zo’n €100 per maand afbetalen. De eerste twee jaar na afstuderen hoeft dat nog niet.”

Aanvullende beurs op peil

Uit het onderzoek dat hij hiernaar in 2006 deed bleek al dat dergelijke financiële prikkels niet de belangrijkste motivatie zijn voor studenten om al dan niet tot beslissingen te komen bij een studiekeuze. “En de studenten die het wel als probleem zien, stellen eerder hun studie even uit, zeg maar het ‘1996-effect’, om zo vervolgens beter over hun keuze na te denken.”

Volgens Vossensteyn maken studenten zich niet zozeer zorgen om een latere studieschuld. “Er wordt door studenten meer de afweging gemaakt of men genoeg middelen bij elkaar kan krijgen om maandelijks kosten van het studeren te betalen.”

Die afweging is voor studenten uit een rijker milieu natuurlijk makkelijker te maken. Vossensteyn hoopt dan ook dat een afschaffing van de basisbeurs niet gelijk het einde van de aanvullende beurs betekent. “Ik kan me zo voorstellen dat je een deel van de opbrengsten terugploegt in een aanvullende beurs, zeg zo’n honderd euro per maand.”

Gewoon interessanter werk

“Let wel, de overheid investeert al fors in studenten, alleen al in de bijdrage aan de reguliere kosten van onderwijs,” zegt Vossensteyn. “Universitair en HBO geschoolden kunnen ook een toename in die schulden echt wel betalen, bovendien wordt er naar draagkracht terugbetaald.”

“Ik vind het niet zo gek dat studenten en ouders meebetalen aan een hele dure dienst die studenten later heel veel oplevert. Niet alleen in termen van een hoger salaris, maar ook gewoon interessanter werk.”

Dat er nu met name in een tekortsector als de bèta en techniek alarm wordt geslagen, ziet ook Vossensteyn, maar hij relativeert. “Je moet het wel in perspectief zien. Er is wel eens onderzoek gedaan naar studenten met de vraag of zij nog waren gaan studeren als ze alles zelf hadden moeten betalen. 70% zou dat nog steeds hebben gedaan. Wat ik al zei, de financiële prikkel is niet de belangrijkste afweging.”

Kijk eens naar PO en VO

Omdat bèta-opleidingen een jaar langer duren voorziet Vossensteyn daar wellicht nog de meeste problemen. Maar hij stelt ook: “Op dit moment hebben we nog steeds te maken met een forse toename van de deelname aan het hoger onderwijs. Het is denk ik interessanter om te kijken hoe onderwijsinstellingen daar mee omgaan en hoe we dat met z’n allen willen financieren.”

“Wat we ons in het hoger onderwijs moeten afvragen is, denk ik, in hoeverre wij als gemeenschap dat willen faciliteren. Laten we elkaar nou niet voor de gek houden, een student studeert gemiddeld echt geen veertig uur per week, meestal zo’n dertig uur. Volgens mij heb je dan nog steeds genoeg tijd voor een bijbaan en om te sporten en leuke dingen te doen. Dan hoef je hooguit een beetje harder te werken.”

Om de kosten voor student én overheid te blijven overzien is het volgens Vossensteyn vooral raadzaam eens goed te kijken naar het primair en voortgezet onderwijs. “Al die wijzigingen in maatregelen in het hoger onderwijs zijn tijdelijke ruis. In het PO en VO worden de aspiraties en keuzes van jongeren bepaald, daar moet eens goed naar gekeken worden.”  


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK