Topleraren vasthouden, dat is de kunst

Nieuws | de redactie
1 november 2012 | De beste jongeren voor de klas lukt met Academische Pabo’s, Eerst de Klas en educatieve minoren steeds beter. EdK-alumni ‘De Denkfiguren’ en pionier UU-decaan Theo Wubbels blijven op weg naar het NHOC worstelen met leraren, hun vorming en lot en hoe je ze echt in de school weet te houden.

Wubbels is een van de aartsvaders van succesvolle nieuwe trajecten om meer gedreven jonge docenten te kweken met een stevige academische ondergrond. De Academische Pabo, educatieve minoren, Eerst de Klas, het zijn projecten die de UU-decaan waar mogelijk hielp aanjagen en vooruit sleuren.

Eerst de Klas alumnus Simon Verwer – ScienceGuide Student van 2011 – richtte ‘de Denkfiguren’ op  en zocht hem daarom op, om hun gezamenlijke debat met andere HO-toppers op het Nationaal Hoger Onderwijs Congres eind november op te warmen. Hun prangende vraag is nu vooral: “En hoe nu verder?”

Niet thuis in het team

Simon: “Directe aanleiding was een bericht over de uitstroom van de Academische Pabo, waarvan toch heel wat studenten niet doorgaan in de school! Hoe kan dat? De studenten zeiden iets, dat wij van ‘de Denkfiguren’ als oud-Eerst-de-Klassers wel herkennen. Bijvoorbeeld: ‘Ik voel me bij mijn school toch niet zo thuis, niet echt opgenomen in het team’.

“Dat is herkenbaar. Je voelt dat gebeuren. Dat speciale gevoel, de drive die je in zo’n project als Eerst de Klas of Academische Pabo meekrijgt, die raak je na een tijd toch wat kwijt. Als je niet oppast.”

Wubbels: “Niet iedereen gaat door voor de klas. Als ik heel eerlijk ben zeg ik ook maar meteen, dat ik evenmin als leraar natuurkunde in de school ben gebleven. Na een paar jaar werd ik al conrector, ging promoveren en daarna hoofd van het IVLOS aan de universiteit”.

Waarom bleef ik niet? Goeie vraag. Achteraf bezien was het toch het gebrek aan ruimte in loopbaankansen. Ik was conrector en heel veel meer ‘doorgroei’ zat er dan ook niet meer in. En dat ik verder, dieper wilde, dat zat er al snel in, zie ik achteraf. In mijn tweede jaar voor de klas gaven ze mij al studenten als stagiairs in mijn vak en ik van dat geweldig leuk om te doen”.

Vijf jaar groeien naar optimum

Simon: “Ze zeggen wel dat uit onderzoek blijkt, dat een jonge docent zo’n 5 jaar moet blijven om echt in het beroep te groeien. Ziet u dat ook zo?”

Wubbels: “Oh zeker, die 5 jaar heb je nodig om naar je optimum te groeien, zowel didactisch in de omgang met kinderen, als vakinhoudelijk. Elke nieuwe docent begint ‘erg laag’ in zijn greep op het vak, de impact van jonge professionals in andere beroepen is vaak aanzienlijk hoger, al bij de start.

Je moet dus flink groeien, ook in het ‘interpersoonlijke’ aspect van het leraarschap. Wees nou eerlijk, als het na een jaar of 3 nog een puinhoop is in de klas, tsja dan zal het met zo’n leraar echt nooit wat worden. Hoe vakbekwaam hij qua inhoud ook kan zijn.

Je moet docenten dus laten groeien tot toppers in vakinhoudelijke en interpersoonlijke aspecten. Alleen maar cognitieve kwaliteiten op vwo-niveau zijn daarvoor zeker niet genoeg. Wil je van de Academische Pabo studenten en Eerst de Klas-docenten echte toppers maken is het dus van groot belang dat we ze zo’n vijf jaar kunnen laten ‘volhouden’ in hun vak, voor de klas en daarbuiten.“

WO-studenten lokken en verleiden

Simon: “Je moet dat groeien wel zien als een soort van voortdurend bijblijven in je vak. In HBO en universiteit gaat dat toch vaak makkelijker dan binnen het VO, omdat die traditie in het hoger onderwijs sterker is.”

Wubbels: “En in het PO is het misschien nog wel moeilijker om daar steeds mee bezig te zijn en te blijven. We moeten dit in VO en PO dan ook nadrukkelijk aanwakkeren. Ook dat hoort bij het uitdagend maken en houden van het leraarsvak voor excellente jonge docenten en niet voor hen alleen.

In de Academische Pabo hebben we tegen de meewerkende basisscholen gezegd: ‘we zullen met u deze wo-studenten toch moeten zien te lokken, te verleiden om niet een academische master op te pakken, maar na hun bachelor bij u alles te geven. Hoe gaan we dit doen?’ Ik vroeg de scholenbesturen daarom om een baangarantie voor de succesvolle student-docenten en ook om mee te betalen bij hun collegegeld. Dat kreeg ik niet meteen rond, hoor.

Ook wilden we bij voorkeur duo-aanstellingen, dus twee Academische Pabo studenten tenminste per school. Je moet voorkomen dat zo’n student ten onder gaat in de onderdompeling in de lopende zaken van een school. Ze komen toch in een werkomgeving zonder academisch profiel en kunnen enerzijds veel meer in hun vakgebieden dan de nieuwe collega’s, maar anderzijds zijn ze nog kersvers. Sta je daar alleen voor, dan is de overgang en de confrontatie soms al te heftig.

Maak je een beetje kritische massa mogelijk in zo’n school door een duo of zelfs nog iets meer, dan helpt dat zeer. Ze gaan dan veel minder ‘snel weer weg’ en de impact in de school is veel groter, hopen we.”

Stagefase al heel snel voorbij

Simon: “Ziet u de effecten daarvan? Wij hadden als Eerst de Klas groep onderling in elk geval veel contact over wat we beleefden in ‘onze scholen’. Je trekt je aan elkaar op en je kunt met anderen vergelijkbare ervaringen delen. Je kunt ook af en toe stoom afblazen, hoor!”

Wubbels:  “Een aio bij ons doet onderzoek naar de begeleiders bij de Academische Pabo, precies omdat we willen volgen, willen leren wat daar werkt. Wat we merken is dat nogal vaak die begeleiders in de school na een jaar zuchten ‘Ik kan ze niks meer leren.’ De studenten hebben dan nog wel een paar jaar te gaan eigenlijk, maar de stagefase is al gauw voorbij. Daar moeten we mee om leren gaan.

Dit heeft ook te maken met de aanpak vooraf. We zetten niet elke academische student zo maar voor de klas. Ja, zoals ze dat ook in Finland niet doen, inderdaad. We selecteren op motivatie, ervaring in omgang met kinderen, jeugdwerk en dergelijke. Dat blijkt echt een belangrijke voorspeller van succes.”

Wordt niet te gauw ‘arrogant’

Simon: “Je zoekt in je studie en zo’n project wel mensen om je aan op te trekken, collega’s waar je tegenop kunt kijken. Als je begeleider al snel een houding aanneemt van ‘jou kan ik niks meer leren’, dan klinkt dat misschien even leuk, maar daagt het ook niet erg uit daarna.”

Wubbels: “Nee, maar ik waarschuw de studenten in de scholen ook. Wordt nou niet te gauw een tikje ‘arrogant’ als jong academicus binnen zo’n team!’ Het is voor de scholen, ons aan universiteiten en jullie als docent-studenten allemaal de opdracht van zulke projecten als Eerst de Klas een blijvend uitdagende omgeving te maken. Ook in het natraject ervan.

De scholen zijn hier als leer-en-werk omgeving als eersten aan zet. Bij hen moeten loopbaan en doorontwikkeling van excellente docenten een centraal aandachtspunt worden en ook blijven. Uitdagend klimaat is meer dan ‘je kunt ooit directeur worden hier.’

Ingrijpend is dit. Het zal ook gewoon duurder zijn om een uitdagender loopbaandiversiteit mogelijk te maken. Wees daar eerlijk in, ook als schoolbesturen. Je zult in je beleid ruimte moeten maken om je topdocenten te werven, te houden en te laten doorgroeien.”

Er kan heel veel wél

Simon: “Maar de universiteiten hebben ook een opdracht, net als andere partners rond de school. Zij moeten met de scholen die uitdagender mogelijkheden ontwikkelen. Dat kun je een – meestal klein – schoolteam niet in de maag splitsen.”

Wubbels: “Dat is waar, maar zoiets is ook vaak moeizaam voor ons, dat geef ik maar meteen toe. We zouden taken uit de zorgstructuren rond de school veel meer bij zulke jonge docenten kunnen laten landen. Daar zit veel onderzoek en ontwikkeling, werk en ook geld aan verbonden.

Zolang scholen nauwelijks één procent van hun tijd en geld kunnen steken in onderzoektaken wordt het niks met het zorgen voor meer en diepere uitdaging. Academische ziekenhuizen doen dertig procent onderzoek met hun medici. Zou je met scholen naar tien of vijftien procent kunnen groeien, dan gaat de uitdaging en meer academisch niveau in de teams wel degelijk werken.

Daarom, blijf knokken in je school als jonge docent. Er kan heel veel wel! Ook dingen die niet eerst veel geld vereisen en je kunt dat met veel goede mensen in en rond je school doen.

Ik ben bijvoorbeeld erg enthousiast over een VO-school waar ze een interne ‘academie’ hebben opgezet, waarin de zeer goede docenten de training van de collega’s samen met hen en hun relaties organiseren. Zeker in het VO voeren veel CvB’s tegenwoordig een stevig personeelsbeleid dat voor zulke dingen de ruimte wil geven.”

Kritische massa is wezenlijk

Simon: “Mijn collega Eke bij ‘de Denkfiguren’ doet veel met nieuwe media in de klas. Dat wekt enthousiasme, ook bij collega’s. Het blijkt dat je dan wel een schoolleiding nodig hebt die dichtbij de docenten zit en zulke dingen aanwakkert.”

Wubbels: “Je moet de scholen en elkaar blijven opporren. In het PO is dat moeilijker dan in het VO, met kleinere teams en kleine groepjes leidinggevenden.

En je zult ook dingen ‘topdown’ moeten regelen. We hebben in de universiteit de BKO en SKO in 10 jaar ‘van boven aan de trap’ doorgevoerd. Het is nu ook een tijdelijke validering geworden, je zult elke vijf jaar moeten blijven laten zien dat je je onderwijskwaliteiten op peil houdt en ververst.

Kritische massa vind ik ook wezenlijk. De Academische Pabo begon hier bij ons aan UU en HU. Nu doen ze het allemaal en dat jaagt elkaar ook meteen weer aan. Kritische massa ook bij de uitstroom maakt dat de variëteit van de loopbaanontwikkeling concreet en levend gemaakt wordt. We zullen in ons onderwijs gewoon moeten.”

Het gehele programma van het Nationaal Hoger Onderwijs Congres 2012 is hier te vinden. Aanmelden kan hier


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK