Misverstanden over HBO en toepassing

Nieuws | de redactie
12 december 2012 | “Toegepast onderzoek is geen toepassing van onderzoeksresultaten in de praktijk, het is zelf onderzoek. En toegepast onderzoek is geen onderzoek dat oplossingen voor praktijkproblemen oplevert.” Misverstanden bij HBO-onderzoek blijven opdoemen, laat CHE-lector Peter Blokhuis zien.

“In de discussie over praktijkgericht onderzoek in het HBO lijkt niet ieder hetzelfde onder praktijkgericht onderzoek te verstaan. Dat is op zichzelf geen ramp zolang men maar weet waar iemand het over heeft. Het is echter niet voldoende te zeggen dat het HBO zich op praktijkgericht onderzoek richt. Onderzoek in het HBO is geen op zichzelf staande doelstelling maar is gerelateerd aan het onderwijs en de praktijk waarvoor het onderwijs opleidt. 

Men verwacht van het onderzoek verbetering van het onderwijs en innovatie van de praktijk. De vraag is daarom welk onderzoek daar een bijdrage aan kan leveren. Men kan praktijkgericht onderzoek zo breed opvatten dat de relatie met onderwijs en praktijk niet duidelijk is. 

Daar komt nog iets bij. Omdat de samenleving behoefte heeft aan innovatie wordt van het onderzoek gemakkelijk teveel verwacht. Volgens de zogenaamde kennisparadox levert groei van wetenschappelijke kennis niet automatisch innovatie van bedrijven en praktijken op. Er lijkt een kloof te bestaan tussen academisch onderzoek en het oplossen van problemen in de praktijk. 

Daarom verwacht men meer van het onderzoek van hogescholen die gericht zijn op het opleiden van professionals die in de praktijk moeten functioneren. Zij worden a.h.w. opgeleid met de problemen waarmee  men in de praktijk te maken heeft. Onderzoek dat zich op die problemen richt, maakt veel meer kans toegepast te worden in de praktijk  

Andrew van de Ven geeft in zijn boek over engaged scholarship echter aan dat dit een illusie is. “Professional schools typically build their raison d’étre on the mission of conducting research knowledge that advances both science and practice. But this mission remains an elusive ideal.” (Van de Ven 2007, p.1). 

In dit korte essay worden twee stellingen verdedigd met gebruikmaking van het boek Engaged Scholarship van Andrew van de Ven.

1)      Onderzoek lost wetenschappelijke problemen op en geen praktische problemen.

2)      Om onderzoek zo zinvol mogelijk te doen zijn voor de praktijk is een nauwe samenwerking tussen onderzoekers en professionals nodig.      

Twee soorten problemen

Problemen in het dagelijks leven en ook binnen de beroepsuitoefening zijn concreet en situatiegebonden. Ze betreffen het handelen: “Hoe kan ik dit oplossen?” “Hoe moet ik dat doen?” “Ik zou een beter resultaat willen bereiken maar hoe doe je dat?” “Zo kan het niet doorgaan maar welke andere mogelijkheden zijn er?”

Een oplossing vereist creativiteit, het gaat om iets dat er nog niet is. In die creatieve sprong wordt kennis meegenomen, kennis van de situatie, de middelen en de omgeving. Die kennis wordt toegepast bij de oplossing van het probleem maar het toepassen op zich levert geen oplossing op. Het vinden van oplossingen voor praktijk problemen is vaak sterk aan de persoon en de situatie gebonden. 

In de situatie vindt de professional een oplossing en hij kan die vervolgens uitleggen en voorstellen aan collega’s. Hij kan ook vooraf het probleem onder woorden brengen en anderen vragen mee te denken. Een volgende stap is het algemeen maken van het probleem waarbij afgezien wordt van het unieke van de situatie: “indien situatie x, hoe bereik je dan situatie y?” Die stap spreekt niet vanzelf. Wat in een bepaald geval werkt, hoeft niet in andere gevallen ook te werken. 

In een wetenschappelijke probleemstelling wordt afstand genomen van de concrete situatie en de dagelijkse ervaring. Uitgangspunt vormen bestaande theorieen en modellen in het licht waarvan de werkelijkheid abstract en beperkt wordt onderzocht. Het wetenschappelijke probleem betreft het bestaande: Hoe zit dit in elkaar? Hoe beinvloeden deze factoren de situatie of het handelen? De wetenschappelijke creativiteit betreft het bedenken van nieuwe theorieen en experimenten maar die betreffen niet iets nieuws maar wat er al is. 

Wetenschappelijk onderzoek kan over de praktijk gaan maar dan in haar feitelijkheid, beschrijvend, verklarend, vergelijkend. Praktijkgericht onderzoek is onderzoek gericht op wetenschappelijke kennis van de praktijk. Dat is een heel algemene aanduiding voor alle onderzoek dat betrekking heeft op de praktijk van het handelen.

Dat kan men beperken tot professioneel handelen dat economisch nut heeft, zoals in het HBO vaak het geval is. Daarbij kan het gaan om de condities van dat handelen, zoals beloning, arbeidsomstandigheden, e.d. maar ook om de aard van het professioneel handelen, het hoe. 

Veel kan ondergebracht worden bij bestaande disciplines maar dat geldt niet voor het onderzoek van het professionele handelen zelf.  Dat levert  kennis op van het ‘hoe’ van het handelen, ‘knowledge of how to do things’ (Van de Ven, p.3). Dat is nog steeds knowing that, in de termen van Ryle, kennis van hoe feitelijk gehandeld wordt, niet van oplossingen voor problemen. Ook in praktijkgericht onderzoek van het ‘hoe’ van het professionele handelen is het probleem wetenschappelijk en niet praktisch van aard. 

Dat neemt niet weg dat dit onderzoek het dichtst bij de praktijk staat. De onderzoeker die zich op het professionele handelen richt moet daar sterke affiniteit mee hebben, bijvoorbeeld door eigen werkervaring in het verleden. Zonder die affiniteit is het professionele handelen moeilijk te begrijpen.

De Engelse filosoof Gilbert Ryle wijdt in zijn boek The concept of mind een hoofdstuk aan het verschil tussen knowing that en knowing how. Knowing that staat voor alle kennis die in taal is uitgedrukt. Knowing how staat voor vaardigheden, bijvoorbeeld de vaardigheid lesgeven. Ryle benadrukt dat de twee niet tot elkaar herleidbaar zijn. Wat iemand ook weet te vertellen over goed onderwijs (knowing that), zijn kennis impliceert niet dat hij kan lesgeven.   

Toegepaste wetenschap en toepassing van wetenschap 

Wanneer wetenschappelijk onderzoek dichtbij de praktijk komt, spreekt men soms van toegepast onderzoek. ‘Toegepast’ staat daarbij tegenover fundamenteel. Twee misverstanden kunnen zich voordoen bij dit woordgebruik. In de eerste plaats is toegepast onderzoek geen toepassing van onderzoeksresultaten in de praktijk, het is zelf onderzoek. In de tweede plaats is toegepast onderzoek geen onderzoek dat oplossingen voor praktijkproblemen oplevert. In publicaties van de HBO-raad wordt daarom de voorkeur gegeven aan de verzamelnaam praktijkgericht onderzoek boven toegepast onderzoek en ontwerpgericht onderzoek. 

In de kenniseconomie is de toepassing van onderzoeksresultaten belangrijk. Valorisatie is het benutten van wetenschappelijke kennis voor nieuwe producten waardoor die kennis in waarde toeneemt. Maar als wetenschappelijke kennis niet direct tot toepassing in de praktijk leidt, zoals hiervoor betoogd, is het moeilijk om valorisatie te beheersen. Valorisatie is afhankelijk van innovatie en Innovatie is een zaak van creativiteit. Uit de kennis volgt geen innovatie, ze moet in de innovatie opgenomen worden. 

Hoewel men in Nederland zowel het universitair als het hoger beroepsonderwijs tot het hoger  onderwijs rekent, dienen we te beseffen dat het HBO de bovenkant komt van een beroepskolom: lager- middelbaar- hoger beroepsonderwijs, hoe verder ook gespecificeerd. Op steeds hoger niveau leert men het beroep uit te oefenen. Zo gezien past bij het HBO alleen onderzoek dat dichtbij de praktijk blijft en het handelen van de professional ondersteunt. De hoger opgeleide professional leert problemen te onderkennen en op te lossen. 

Dit in onderscheid van de middelbaar opgeleide die veel meer routinematig en aangestuurd werkt. De in het HBO opgeleide kan een probleemsituatie analyseren en nieuwe oplossingen bedenken. Dat is uniek, praktijkgericht onderzoek dat geen kennisresultaat voor andere gevallen oplevert. Wetenschappelijk onderzoek dat hierbij aansluit, moet voortbouwen op dit soort situaties, analyses en oplossingen. 

Onderzoekende houding

Wetenschap begint met nieuwsgierigheid. Mensen willen weten hoe de werkelijkheid in elkaar zit. In de beroepspraktijk is de professional niet in de eerste plaats nieuwsgierig, hij wil de doelen bereiken die bij zijn beroep horen. Daarbij hoort het oplossen van problemen en het innoveren van het eigen handelen. Kennis die daarvoor belangrijk is, is van ondergeschikte betekenis, als een middel. 

Wanneer gepleit wordt voor een onderzoekende houding van studenten en professionals heeft men niet het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek op het oog. Onderzoekend leren is leren met het oog op de praktijk. Het blijft niet steken in de taal van het boek en de docenten maar probeert die te verbinden met praktijkervaring. 

Het is een zelf ontdekken van de praktijk- wat gebeurt er? hoe doet men het?- en het opmerken van praktijkproblemen in het licht van het doel, de betekenis van het beroep. Deze houding is van belang voor student en docent. De docent moet op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen. Daarvoor kan hij literatuur lezen maar hij heeft ook ervaring nodig. Die ervaring kan hem ook leren hoe men in de praktijk met nieuwe problemen omgaat, iets wat lang niet altijd in de literatuur naar voren komt.       

Samenwerking 

In het Brancheprotocol Kwaliteitszorg Onderzoek (BKO) van de HBO-raad en de uitwerking daarvan in het zogenoemde basisdocument wordt praktijkgericht onderzoek omschreven als onderzoek dat is geworteld in de beroepspraktijk en bijdraagt aan de verbetering en innovatie van de beroepspraktijk. De verbetering van de praktijk vindt volgens het basisdocument plaats door het genereren van nieuwe kennis maar ook door het leveren van toepasbare producten en ontwerpen en concrete oplossingen voor praktijkproblemen. 

Ik heb al aangegeven dat het laatste nooit het resultaat kan zijn van alleen onderzoek. Cruciaal is dan ook wat volgt in de tekst: “Daarbij is het onderzoek doorgaans multi- en of transdisciplinair van aard en ingebed in een scala van interne en externe organisatorische verbanden, met  behoud van de wetenschappelijke betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek zelf.” Iets verder in de tekst wordt gezegd dat 

“het onderzoek wordt uitgevoerd in netwerken van praktijkdeskundigen en onderzoekers en de kwaliteit ervan door meerdere partijen wordt beoordeeld.” In dit citaat komt in elk geval ten dele naar voren dat het onderzoek niet op zichzelf staat maar samen met anderen wordt uitgevoerd, waarbij het niet zo is dat die anderen ook onderzoek doen maar zich met de onderzoeker op hetzelfde probleem richten. 

Steeds gaat het om de combinatie van onderzoek en oplossing van praktijkproblemen. Het onderzoek moet wetenschappelijk verantwoorde  kennis opleveren maar de praktijk vraagt om oplossingen waar men wat aan heeft. Samenwerking tussen professionals en onderzoekers lijkt daarvoor de beste conditie.      

Van de Ven onderscheidt vier soorten ‘engaged scholarship’: 1) informed basic research  waarbij stakeholders adviseren, 2) collaborative research waarbij vertegenwoordigers van andere disciplines en professionals meedoen, 3) design research gericht op onderzoek van oplossingen voor problemen, 4)action research waarbij het uitgangspunt een uniek probleem is. In al deze gevallen gaat het om echt onderzoek dat aan kwaliteit wint doordat betrokkenen, waaronder professionals, een eigen inbreng hebben door hun kennis van de situatie en het handelen. 

De onderzoeker alleen staat ver van de situatie af en is gericht op kennis, ook wanneer hij het professioneel handelen van binnenuit kent. De professional kan bijdragen aan de probleemformulering en hij kan oplossingen aandragen, de onderzoeker onderzoekt hun waarde en maakt de intuities van professionals expliciet voor het wetenschappelijk forum. Dat vereist een proces van goede samenwerking omdat het om een praktisch proces van trial and error gaat. Het probleem brengt onderzoeker en professional samen, hun doelen verschillen en beiden hebben baat bij het samenspel. 

Conclusie 

Wil het HBO een unieke kennisbijdrage leveren, dan zou het zich moeten richten op het hoe van het professioneel handelen in brede zin. De typering ‘praktijkgericht onderzoek’ is te algemeen en leidt al snel tot “universiteitje spelen”, iets waarvoor het HBO vaak is gewaarschuwd. De gerichtheid op het hoe van professionele praktijken sluit aan bij de wens de kennisparadox te vermijden en een bijdrage te leveren aan innovatie. 

Zoals ik heb getracht aan te tonen kan die innovatie niet eenzijdig van het onderzoek komen. De onderzoeker innoveert niet, hij kan innovatie ondersteunen in een samenspel met de creatieve professional. Die creativiteit speekt niet vanzelf. Creativiteit begint in het onderwijs. Creativiteit in de praktijk vraagt om de moed eigen wegen te gaan en dwars te denken. Creativiteit vraagt om passie en die passie kan in al te schools onderwijs doodgeslagen worden. 

Professionals kunnen door onderzoekers gestimuleerd worden en omgekeerd. Gaat het echter vooral om scoren met publicaties, subsidies en grote projecten, dan voorzie ik dat in de toekomst met spijt wordt terug gezien op een periode waarin geld voor het HBO weer eens verkeerd werd besteed.”    

Peter Blokhuis is lector bij de Christelijke Hogeschool Ede


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK