Emancipatiemotor van Nederland

Nieuws | de redactie
2 mei 2013 | "Een HBO-instelling anno 2013 is onherkenbaar veranderd ten opzichte van een aantal jaren geleden." OnderwijsOrakel Rob Verhofstad (Hanzehogeschool) schetst hoe fundamenteel anders we nu naar hoger onderwijs en studenten moeten leren kijken. Ook wat betreft een leenstelsel.

Op de dag van de OnderwijsOrakels was ook in Groningen het debat over goed HBO en WO flink op de agenda gezet. Een van de sprekers was Rob Verhofstad, de directeur onderwijs en praktijkgericht onderzoek aan de Hanzehogeschool in die stad. Hij schetste hoe de diepgaande, ook demografische, verandering van het hoger onderwijs en vooral het HBO ons dwingt anders te gaan kijken naar en analyseren van de lange termijn ontwikkeling van deze sector. U leest zijn betoog hier.


Voorbij het pauperparadijs  

‘Suzanna Jansen schreef het boek ‘Het pauperparadijs’. Op een prachtige manier beschrijft ze de geschiedenis van haar familie. Een kroniek van achterstelling, van uitzichtloze herhaling van tegenslagen, reizend van het Gesticht in Veenhuizen naar de achterbuurten van Amsterdam. In een interview vertelde de schrijfster, dat er in essentie maar één element zorgde voor de sociale mobiliteit die de familie uiteindelijk ten deel viel: onderwijs. Onderwijs zorgde voor emancipatie en verheffing.

Het hoger beroepsonderwijs speelt ook vandaag nog een belangrijke emancipatie-rol. Maar liefst 60% van onze studenten heeft ouders die zelf geen hoger onderwijsopleiding hebben afgemaakt. Voor een meerderheid van hen geldt dus dat ze ‘eerstegeneratiestudenten’ zijn.

Er zijn bovendien verhoudingsgewijs veel Hbo-studenten in Nederland. Twee derde van alle studenten in het hoger onderwijs studeert aan een hogeschool, een derde aan een universiteit. In een land als Duitsland liggen de verhoudingen precies andersom. Het aantal studenten dat studeert aan een Hbo-instelling neemt ook sterk toe. In 1992 waren er 259.000 hbo-studenten. In 2011 was dit aantal gegroeid tot 423.000.

HBO emancipeert ook zélf

Het is veelzeggend dat een steeds groter aandeel van de instroom bestaat uit Mbo-studenten. Ook dit is een voorbeeld van opwaartse mobiliteit. Het Hbo-onderwijs speelt door de achtergrond van haar studenten, door de toename in omvang en door de toenemende instroom van zulke studenten een belangrijke rol bij de emancipatie van studenten uit een milieu van niet-hogeropgeleiden. Ik durf daarom de stelling wel aan dat het hoger beroepsonderwijs de emancipatiemotor is van Nederland.

Deze maatschappelijke rol spelen Hbo-instelingen niet vanuit een statische stand en ook niet in een rimpelloze omgeving. Het zijn niet alleen de Hbo-studenten die emanciperen, de Hbo-instellingen emanciperen ook. De sector van het hoger beroepsonderwijs heeft een grote ontwikkeling ondergaan, waarbij kwaliteitsverbetering de rode draad vormt.

Inmiddels is praktijkgericht onderzoek als primair proces vervlochten met onderwijs als primair proces, worden curricula sterker vanuit een kennisbasis ontworpen. Daarmee wordt gewerkt aan verdere professionalisering van docentonderzoekers en spelen zaken als studenttevredenheid, rendementen en contacttijd een cruciale rol. Nu ook bij de ‘prestatiecontracten’ met de overheid. Een Hbo-instelling anno 2013 is onherkenbaar veranderd ten opzichte van een aantal jaren geleden.

Kwaliteit wordt steeds meer gedefinieerd in de mate waarin een opleiding erin slaagt om studenten aansluiting te laten vinden op de arbeidsmarkt. Elk jaar verlaten duizenden studenten de hogescholen met een waardevast diploma dat wordt erkend en gewaardeerd door het werkveld. Dat blijkt uit de cijfers: 90% van de afstudeerders is binnen drie maanden aan de slag.

Lange lijst overheidsingrepen

Het kan en moet nog wel beter. Zo wordt momenteel hard gewerkt aan een herschikking van technische opleidingen. Doel is om te komen tot minder opleidingen voor meer studenten met eindtermen die beter aansluiten bij wat het werkveld nodig heeft. Een operatie van maatschappelijk belang omdat deze de kenniseconomie voedt en versterkt.

Het hoger onderwijs mag zich verheugen in nogal wat aandacht van de overheid. De lijst met beleidsvoornemens en wetvoorstellen is lang. Maatregelen richten zich op kwaliteitszorg, studiefinanciering, hoogte van collegegeld, titulatuur etc. Bij analyse van Haagse maatregelen zijn in essentie twee aspecten van belang: wat is het effect op de toegankelijkheid en welke ruimte wordt geboden voor verdere kwaliteitsverbetering voor onderwijs en praktijkgericht onderzoek.

Bij discussies over het wetsvoorstel Kwaliteitswaarborgen valt op dat door minister Bussemaker wordt vastgehouden aan het voorstel van haar voorganger Zijlstra maar vanuit een andere grondhouding. De tone of voice van zowel kabinet als Tweede Kamer is aanmerkelijk opbouwender dan de periode hiervoor. Toen sloeg de balans wel erg door naar controle in plaats van vertrouwen.

Inmiddels lijkt er meer ruimte voor een evenwichtige balans hiertussen. Tijdens de bespreking in de vaste Kamercommissie klonken vertrouwenwekkende opmerkingen over de rol van NVAO en de stappen die de onderwijsinstellingen al hebben gemaakt. Het ziet er naar uit dat het maatschappelijke vertrouwen terug aan het komen is en dat er ruimte komt voor een wat efficiëntere externe kwaliteitscontrole. Een benadering die meer op vertrouwen en autonomie voor de instellingen is gebaseerd dan de afgelopen tijd het geval was.

Andere blik op leenstelsel

Een ander onderwerp dat de gemoederen bezighoudt is het sociale leenstelsel. De discussie hierover is volledig gepolitiseerd. Er is geen sprake van een discussion on merits, maar van een politiek slagveld waarbij de winst voor de een, een verlies voor de ander betekent.

Bekeken vanuit het gezichtspunt van toegankelijkheid en kwaliteit is er op het voorstel wel wat aan te merken. De berekeningen tuimelen over elkaar heen, en elke bewering wordt gelogenstraft met een tegenbewering. Ik ben toch nog niet tegengekomen dat iemand zegt dat door de invoering van het sociaal leenstelsel er meer studenten zullen kunnen gaan studeren of dat de drempel om te gaan studeren lager wordt.

60% van onze studenten is een eerste generatiestudent. Jongeren die opgroeien in gezinnen met hoogopgeleide ouders, kunnen hun toekomst vaak heel anders tegemoet treden dan jongeren die zulke voorbeelden en ervaringen in hun nabije omgeving niet kennen. Voor die laatste groep was er al een drempel om te gaan studeren die door deze maatregel groter wordt. Dat is niet goed voor de jongeren die het betreft en het is niet goed voor de maatschappij, die immers gebaat is bij goede studenten ongeacht hun afkomst.

Zero sum game?

Voorstanders van het sociaal leenstelsel stellen, dat door deze maatregel geldvrijkomt voor kwaliteitsverbeteringen in het hoger onderwijs. Echter, ook op dit punt wordt gegoocheld met cijfers. Het begon met ruim een miljard, maar daar blijft steeds minder van over. En de vraag is wat er netto voor kwaliteitsverbeteringen over blijft na aanpassingen van het voorstel om er voldoende politieke steun voor te verkrijgen.

De discussie over het sociale leenstelsel wordt gevoerd alsof het een zero sum game is: om de kwaliteit van onderwijs te verbeteren moet zoiets als een sociaal leenstelsel worden ingevoerd. Dus, om kwaliteit te kunnen verbeteren moet een prijs (toegankelijkheid) worden betaald. Er is echter geen natuurwet die stelt dat het een zero sum game moet zijn.

Er zijn andere systemen in andere landen waar andere keuzes worden gemaakt. Het hoeft geen zero sum game te zijn wanneer we niet willen kiezen tussen óf toegankelijkheid óf kwaliteit. Zoals wel vaker heeft het ook nu te maken met de prioriteiten die we in dit land stellen, het belang dat we hechten aan toegankelijk en goed hoger onderwijs.

Rob Verhofstad MSc, directeur onderwijs en praktijkgericht onderzoek aan de Hanzehogeschool Groningen


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK