Leraar met beroepseer

Nieuws | de redactie
2 oktober 2013 | Simon Verwer recenseert voor de Dag van de Leraar het boek van collega’s Jelmer Evers en Rene Keyber: 'Het Alternatief'. Kern is dat "de leraar zijn eigen beroep terug zal moeten eisen van beleidsmakers, politici en bestuurders. Het ontbreekt leraren veelal aan eigenaarschap, omdat dit systemisch weg is georganiseerd."

‘Aan de vooravond van een aantal weken waarin volop aandacht zal zijn voor het thema ‘leraarschap’ verschijnt Het Alternatief: Weg met de afrekencultuur in het onderwijs! van het docentenduo Jelmer Evers en Rene Keyber. Zoals uit de titel spreekt is het een bundel met een duidelijke focus, krachtig signaal en grote ambitie.

Samengevat: de leraar zal zijn eigen beroep moeten terug eisen uit de handen van beleidsmakers, politici en bestuurders.  Er is, zo wordt gesteld, een omwenteling nodig die tot een nieuwe machtsverdeling binnen de onderwijspolitiek zou moeten leiden. Over het hoe en waarom van deze omwenteling gaat dit spannende boek dat als eerste aanzet meer dan geslaagd genoemd kan worden. 

§ 1. Emancipatie van de leraar

Het is de moeite waard eerst stil te staan bij de ontstaansgeschiedenis van dit boek en de uniciteit ervan. Leraren maken zich wel vaker kwaad over de gang van zaken in het Nederlandse onderwijs, getuige vele ingezonden brieven in dagbladen. Zo ook Evers en Kneyber. Wat deze bundel bijzonder maakt, is wat reeds in de titel gesuggereerd wordt. De auteurs introduceren de inhoud van de bijdragen als een alternatief voor de huidige onderwijspolitiek. Kortom: niet alleen mopperen maar actief meedenken over hoe het beter kan, en volgens hen ook moet.

Deze invalshoek is een verademing. Hoewel van de 28 (!) bijdragen een aantal nog in de klassieke zeurstand schiet, zijn de meeste analyserend, opbouwend en rijk aan een waardengerichte onderwijstaal. De auteurs streven naar een trendbreuk met het neoliberaal paradigma waarin meten, toetsen en beoordelen tot doelen op zich zijn verheven. En getuige de kwaliteit van de bundel doen ze een goede poging.

§ 2. Een eerste blik

Een eerste, onbevangen blik op de inhoudsopgave dwingt respect af. Want het mag gezegd worden: het duo is er in geslaagd om grote, internationale namen Howard Gardner, Gert Biesta en het trio Hargreaves, Shirley en Fullan bereid te vinden om een bijdrage te leveren. Dat is een prestatie van formaat.

Nu zijn Jelmer Evers en René Kneyber zelf ook geen onbekenden binnen Nederland vanwege hun werk over digitalisering (Evers), pedagogiek (Kneyber) en onderwijspolitiek (beiden), maar het is niet evident om Harvard hoogleraren bereid te vinden om mee te schrijven. Afgewisseld met relatief onbekende Nederlandse auteurs met praktijkervaring benaderen zij het onderwijs vanuit een cultuurfilosofische invalshoek om af te rekenen met de afrekencultuur.

Het boek verschijnt in een serie ‘beroepseer’ geïnitieerd door Thijs Jansen, senior onderzoeker aan de School voor Politiek en Bestuur van de Universiteit van Tilburg, waarin eerder geschreven werd door en over politieagenten, verpleegkundige en sociaal werkers . In zijn zeer lezenswaardige proloog contextualiseert Jansen de onderwijsbundel binnen een bredere beweging waarin hij op eloquente wijze de perspectiefwisseling op de positie van de professional beschrijft.

Waar eerst sprake was van een idee van slachtofferschap ten opzichte van de grote boze managers, is het voortschrijdend inzicht nu dat professionals die niet durven opstaan voor hun praktijk zichzelf in “vrijwillige slavernij” zouden houden. Vanuit een neo-republikeins perspectief en sterk leunend op het werk van de Amerikaanse filosoof Richard Sennet, zet Jansen de toon en doet dat op een activistische, politieke wijze. Deze resoneert sterk in de andere bijdragen, al varieert, logischerwijs, de distantie, relevantie en kwaliteit.

§ 3. De leeservaring

Wie de bundel van voor tot achter leest ondergaat een opmerkelijke leeservaring. Soms stond ik juichend in de werkkamer, naarstig op zoek naar medestanders om hen geniale passages onder de neus te drukken, in andere delen was de bitterheid zo sterk dat ik het boek even weg moest leggen.

De teksten verschijnen in een periode die op macro-niveau gekenmerkt wordt door twee tegenovergestelde bewegingen. Aan de ene kant komt er steeds meer nadruk op rankings, meten en benchmarks, aan de andere kant wordt de roep om professionele ruimte sterker. Een klassieke confrontatie: controle versus vertrouwen.  Het Alternatief, het moge duidelijk zijn, streeft naar een grotere professionele ruimte en stelt de vraag hoe het systeem zo ingericht zou kunnen worden, dat eigenaarschap kan leiden tot “een cultuur van risico nemen in een sfeer van vertrouwen”.

In de inleiding leggen Evers en Kneyber uit wat zij verstaan onder de afrekencultuur in het onderwijs:

1) De nadruk op toetsen leidt tot een naar inhoud en doelen ongewenste vernauwing van het onderwijs. Bovendien is het niet de leraar die tot deze toetscultuur besluit maar ‘Den Haag’.

2) De afrekencultuur leidt tot veranderde relaties tussen school, ouders en leerlingen, waardoor consumentisme systematisch in de hand gewerkt wordt.

3) Het belang van de school wordt groter dan dat van het kind. Het wordt minder belangrijk wat een school kan doen voor een kind, dan wat dat kind kan doen voor de school.  

Alle auteurs hebben deze uitgangspunten impliciet of expliciet in hun teksten over genomen. Aangezien een bundel als deze een recensent altijd voor een dilemma stelt, maak ik hier de keuze om de sterkste en zwakste bijdragen te noemen en vervolgens een aantal opmerkingen te maken over de bundel als geheel met een speciale referentie aan de stukken die de redacteuren zelf hebben bijgedragen, te weten de inleiding, een stuk over de expert-leraar en het slot.

§ 4. Een alternatief voor het hedendaagse onderwijsdenken

De eerste bijdrage van de bundel, geschreven door historisch wijsgerig pedagoog en leraar Alderik Visser, blijkt meteen één van de beste. In Marktfilosofie en onderwijsutopie: leraren tussen ‘leefwereld’ en ‘systeem’ beschouwt Visser vanuit een filosofische invalshoek het “neoliberale paradigma” waarbij hij met hulp van filosofen als Adam Smith, Hans Achterhuis en Jürgen Habermas het huidige onderwijsdenken deconstrueert en hedendaagse ontwikkelingen op onnavolgbare wijze aan elkaar verbindt.

Visser beschrijft de manier waarop het politiek-economische denken van het neoliberalisme geleid heeft tot schaalvergroting  in wat hij noemt “een quasi-markt”. We doen net alsof onderwijsinstellingen bedrijven zijn, die functioneren op basis van dezelfde bedrijfseconomische aannames over de relatie tussen vrije markt, rendement en efficiency. Maar dat is niet zo.

Onderwijs is een fundamenteel andersoortig proces, dat beschermd dient te worden tegen de nadruk op maakbaarheid, meetbaarheid en transparantie. Want dergelijke ontwikkelingen leiden tot een uitbesteding van kwaliteitszorg naar externe partijen, zoals de onderwijsinspectie, hetgeen uiteindelijk resulteert in een onderwijscultuur waaruit de ziel verdwenen is en waar de angst regeert.

In een uiterst treffende passage beschrijft Visser waartoe dit kan leiden: “Naast de maakbaarheid is de daarmee verwante meetbaarheid een mythe die in tijden van postmodernisme en neoliberalisme enorm populair is geworden. In een markt hebben producenten feedback nodig over de kwaliteit en de rentabiliteit van processen en producten, en moeten ook consumenten in staat zijn afgewogen keuzes te maken. Hierom zijn ook in en rond het onderwijs praktijken ontstaan om input, output en throughput te kwantificeren. Voor wie niet gewend is te denken in zulk jargon: efficiënt en effectief is een middelbare school wanneer zij het halffabrikaat ‘leerling groep 8’ (input) zonder vertraging (throughput) naar een eindexamenpapiertje op gepast niveau (output) loodst.”

Een pijnlijk herkenbare schets die de vinger op de zere plek legt. Om een einde te maken aan deze verenging pleit Visser voor een morele, pedagogische heroriëntatie, waarbij iedereen die in het onderwijs werkzaam is bijdraagt aan goed onderwijs voor leerlingen en leraren.

Ook een ijzersterke bijdrage komt van hoogleraar onderwijsbeleid en filosoof Gert Biesta. Het werk van Gert Biesta wint internationaal rap aan terrein en dat is niet voor niks. Intellectueel is het één van de weinige denkers die in staat is om te breken met het huidige discours en een eigen alternatief voor te stellen. Hij doet dit door zich expliciet te richten op de vraag naar goed onderwijs.

Een focus op goed onderwijs is rijker en waardevoller dan spreken over excellentie of effectiviteit. De bijdrage van Biesta verdient het om in zijn geheel te worden gelezen. Samengevat schept hij een alternatief kader waarbinnen hij op een vruchtbare en betekenisvolle wijze over goed onderwijs kan spreken. Hij stelt dat goed onderwijs zich altijd verantwoordt over de inhoud, het doel en de relatie. Of, zoals hij het zelf formuleert: “Mijns inziens gaat het er in het onderwijs niet om dat kinderen en jongeren leren, maar gaat het erom dat ze iets leren, dat ze dat om bepaalde redenen en met een bepaald oogmerk leren, en dat ze het van iemand leren.”  (Biesta, p. 68).

De omgang met deze wezenlijke vragen zijn, zo stel ik zelf vast uit mijn praktijk, grotendeels uitbesteed. Het ontbreekt leraren veelal aan eigenaarschap omdat dit systemisch weg is georganiseerd. Goed opgeleide leraren met zelfvertrouwen en kennis van zaken storen zich aan dit gegeven. Anderen niet. De waarheid gebiedt te zeggen dat sommige leraren dit wel prettig vinden en juist hierin een te vaak onbesproken pijnpunt ligt.  

§ 5.  Niet alles is even goed

Een bundel als deze kan natuurlijk niet over de hele linie de kwaliteit van Visser en Biesta bieden. Hoewel de invalshoek van de bundel gericht is ‘een alternatief’, zijn sommige stukken desalniettemin vooral een articulatie van onvrede met  een abstracte notie van ‘het systeem’.

Een goed voorbeeld daarvan is het interview met Leo Prick. Deze docent, auteur en journalist loopt al lange tijd mee en dat merk je in zijn antwoorden. De ballast en kennis van het verleden zitten bij Prick een onbevangen blik in de weg. Zijn woede, hoe terecht deze ook moge zijn, richt hoofdzakelijk op slecht functionerende politici, media en opleidingen, terwijl de kracht van deze bundel voorkomt uit een focus op het eigenaarschap van de leraar.

Tegenvallend vind ik ook de stukken waarbinnen analyse blijft steken in uitspraken waar in principe iedereen het wel mee eens is. Het interview met Howard Gardner is lezenswaardig maar mist pit.  Het stuk van hoogleraar onderwijsfilosofie Doret de Ruyter en ethicus Jos Kole over deugden en idealen is inzichtrijk, maar te lang en te academisch. De vraagt dringt zich daar op welk doel de redacteuren precies beoogden.

§ 6. Flip the system

Evers en Kneyber leveren zelf een bijdrage in een artikel over expert-leraren, naast hun inleiding over het doel van de bundel:  ‘weg met de afrekencultuur’. Het artikel over de expert-leraren komt weinig overtuigend over, omdat het duo wel heel sterk leunt op citaten en theorie van anderen. Expert- leraren beschikken over een cognitieve capaciteit waarmee ze de les kunnen analyseren en aanpassen tijdens de les zelf. Bovendien beschikken ze over een rijk gevulde gereedschapskist van kennis, vaardigheden en bovenal een lerende houding.

Wellicht dat Evers en Kneyber sterk leunen op anderen om te laten zien, dat de juiste kennis over hoe leraren zich kunnen ontwikkelen al lang aanwezig is, maar van de initiatiefnemers van een bundel als deze verwacht ik wat meer eigen kleur.

Zo’n eigen positie komt er wel in de conclusie van de bundel. De vele inzichten uit het geheel monden uit in een voorstel tot organisatie en machtsverdeling dat Flipping the System wordt genoemd. Deze omkering betekent een vorm van ‘collectieve autonomie’ waarbij niet-onderwijsgevenden verantwoording afleggen aan leraren in plaats van andersom.

FlippingTheSystem

In het slotartikel formuleert het duo een invulling voor dit voorstel en wat mij betreft schieten ze hier tekort. Concrete maatregelen die kunnen bijdragen aan hun ideaal zouden zij vinden:

1) een innovatiepot van 2% van het onderwijsbudget, naar Canadees voorbeeld, waardoor leraren zelf het onderwijs kunnen maken en risico’s durven te nemen in een sfeer van vertrouwen.
2)  een herindeling van de tijd, met een vermindering van de lesgevende taak. Kortom: minder maar betere uren.
3) schaf de onderwijsinspectie af: leraren zouden onderling de kwaliteit moeten borgen.
4) creëer carrièreperspectieven: het idee dat carrière maken in het onderwijs betekent dat je verder van de leerling af komt te staan en zo meer gaat verdienen moet verdwijnen. Het lesgeven zelf kan via verschillende rollen interessanter worden gemaakt waardoor je in de klas kan blijven werken en carrière kan maken.

Met name het punt van ‘het afschaffen van de onderwijsinspectie’ is te oppervlakkig uitgewerkt. In plaats van een inspectie neemt het lerarenregister een prominente plek in, waarbij de beroepsgroep maatstaven formuleert en zichzelf controleert. Als dit niet goed werkt, komt er een tuchtraad in beeld. “Er zou vanuit de beroepsgroep een tuchtraad samengesteld moeten worden die collega’s bij apert disfunctioneren uit het register kan zetten en ze daarmee de toegang tot het lesgeven op een school kan ontzeggen.” (Evers & Kneyber, p. 277).

Dit gaat echt te snel en het roept allemaal vragen op. Wie komt er in zo’n raad, hoe functioneert deze en wat betekent dit voor de onafhankelijkheid van het oordeel? Dit wordt jammer genoeg niet verder uitgewerkt. En dat is een beetje het gevoel waarmee het boek de lezer achterlaat. Want na een zeer overtuigende analyse over ‘het waarom’ van de cultuurverandering, lijkt ‘het hoe’ er met niet meer dan 14 van de meer dan 300 pagina’s bij ingeschoten te zijn. Ongetwijfeld hebben Evers en Kneyber hier verdere ideeën over, maar uit de tekst zelf blijkt dit helaas niet. 

Ook al blijft nog onduidelijk of de genoemde maatregelen oplossingen zijn, die ‘flipping the system’ kansrijk maken, is wel duidelijk dat het de leraar is die zélf zijn beroep moet terug claimen van de beleidsmakers en politici. Het boek is de moeite waard voor iedereen die zich actief met thema’s rond het leraarschap en onderwijs bezig houdt. Het scherpt de geest en zet aan het denken. Of ‘het Alternatief’ er daadwerkelijk komt zal afhangen van de leraren zelf. Zoals Evers en Kneyber het krachtig formuleren: “Het is essentieel dat leraren de eerste stap gaan zetten in het verzet tegen de afrekencultuur en het mogelijk maken van collectieve autonomie als passend alternatief.“ De eerste stap is in ieder geval gezet. En een flinke ook.

Simon Verwer

Simon Verwer is leraar aan het Hyperion Lyceum en was een van de docenten die in ‘de Glassroom’ optrad tijdens de ISTP2013. Ook was hij de ScienceGuide Student van 2011-2012.

Evers J. & Kneyber R., Het Alternatief: Weg met de afrekencultuur in het onderwijs!, uitgeverij Boom, Amsterdam, 2013. 


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK