Je voelt hoe mensen erin zitten

Nieuws | de redactie
28 november 2013 | “De kwaliteitszorg in een instelling kan technisch goed zijn, maar de kwaliteit kan niettemin niet aan de maat zijn.” NVAO-bestuurder Lucien Bollaert kijkt vooruit naar de lessen die Nederland en Vlaanderen uit elkaars nieuwe aanpak van HBO en WO borging zullen trekken. “Leren ook uit de verschillen.”

“Allereerst, het gaat om kwaliteit, niet om kwaliteitszorg. Kwaliteitszorg is steeds maar een middel, een stelsel is ook maar een middel. Bovendien, uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat de relatie van kwaliteit tot kwaliteitszorg enerzijds en anderzijds van kwaliteitszorg tot kwaliteitscultuur niet één op één is. De kwaliteitszorg in een instelling kan namelijk technisch gezien goed zijn, maar de kwaliteit van een opleiding kan niettemin niet aan de maat zijn.”

Volgens Bollaert is het goed mogelijk dat “de mechanismen allemaal wel kloppen,” maar dat wil nog niet zeggen dat men kwaliteit levert. “Indien de techniciteit van een kwaliteitszorgsysteem in orde is, maar er heerst een negatieve kwaliteitscultuur in een opleiding of een instelling, dan mag je er van uitgaan, dat er iets schort aan de kwaliteit. Omgekeerd geldt dat ook: wanneer de kwaliteitszorg in zijn techniciteit  en systematiek niet op orde is, maar de kwaliteitscultuur is sterk, dan kan het best zijn dat de kwaliteit goed is.”

Dingen die niet op papier staan

Kwaliteitscultuur houdt volgens Bollaert dan ook een direct verband met de bredere cultuur in een universiteit en hogeschool. “Kwaliteitscultuur is onderdeel van hun organisatiecultuur. Er is altijd zoiets als een organisatiecultuur. Die kan positief of negatief gericht zijn. Een kwaliteitscultuur betekent in het hoger onderwijs dat je met open ogen kijkt naar je prestaties en op een constructieve manier ook kritiek kunt hebben daarop.”

“Bij een organisatiecultuur zijn veel dingen vaak niet direct ‘zichtbaar’. Dat gaat dan over waarden, over de interne codes, dingen veelal die niet op papier staan. Kortom, het is soms moeilijk die cultuur en de daarmee samenhangende kwaliteitscultuur te ontdekken. Daarom is het systeem van peer-review en visitatie door peers ook zo zinvol, omdat een panel dat ter plekke in een opleiding en instelling komt die cultuur kan opsporen. Een goed panel voelt deze dimensie, omdat het bij kwaliteit natuurlijk om meer gaat dan om papier. Je voelt als panel hoe mensen erin zitten en dat is essentieel.”

Europa langs vier assen

Bollaert kijkt hierbij naar de ontwikkeling van de kwaliteitszorg in Vlaanderen en Nederland vanuit het bredere perspectief van het hoger onderwijs in Europa. Zij staan immers niet in een isolement, maar wat elders gebeurt werkt door in de hogescholen, universiteiten en het HO-bestel in de beide landen.

“In de ideale wereld zou de externe kwaliteitszorg in het verlengde zijn ontstaan en uitgegroeid van de ontwikkeling van de interne kwaliteitszorg van HO-instellingen. Eerlijkheidshalve moeten we zeggen dat dit in Europa veelal anders gebeurd is.  In de meeste landen is het zo dat de interne kwaliteitszorg op gang is gekomen door de impulsen die zijn gekomen vanuit de ontwikkeling van de externe. Eigenlijk is dat een beetje de omgekeerde wereld in de ontwikkeling van het bestel.”

In Europa ziet Bollaert vier assen van kwaliteitszorg. “Er zijn momenteel vier assen langs waar de stelsels, zowel de interne als de externe kwaltietzorg zich manifesteren. De eerste as is die van de benadering daarvan op het instellingsniveau of het opleidingsniveau. Nederland en Vlaanderen hebben in de slingerbeweging tussen die twee polen het midden gekozen met hun stelsels. Dit komt doordat wij een combinatie hebben doorgevoerd van de instellingsreview of –toets met daarnaast de opleidingsaccreditaties.”

“De tweede as is die van een benadering aan de hand van learning outcomes. In de meeste landen kijkt met bij de borging van de kwaliteit naar de ‘intended  learning outcomes’.  In veel minder landen – maar gelukkig wel hier en in Vlaanderen – kijkt men ook naar gerealiseerde ‘learning outcomes’.  Op dit punt kun je in Europa zeggen, dat wij in de voorhoede zitten met het omgaan met dat aspect in de kwaliteitszorg.”

“De derde is die van de mate waarin men ook de kwaliteitscultuur nadrukkelijk meeweegt in de beoordeling. Je ziet in Europa dat er nu meer en meer pogingen worden gedaan dit aspect daarin meer te betrekken. Zelf ben ik zeer gelukkig dat we in het nieuwe Vlaamse stelsel bij elke standaard voor de beoordeling ook de dimensie van de kwaliteitscultuur aan de orde stellen. En dat ook met een aantal criteria waaruit deze cultuur naar voren zou moeten komen. Bijvoorbeeld als het gaat over ‘visie en beleid’ is een van de indicatoren dat panels kijken naar de participatie van betrokkenen waarmee die visie tot stand is gekomen.”

De vierde as noemt Bollaert de mate waarin men standaarden gebruikt. Zijn deze meer ‘open’ of meer’ gesloten’? “Er is een groot aantal landen waar men een externe kwaliteitszorg is gaan opzetten, waarin men veel data en details wil vaststellen. Dat is riskant, want instellingen worden dan als het ware platgewalst door de in het systeem in te vullen indicatoren. Er zijn landen waar men het aantal vierkante meters van een onderwijslocatie als indicator voor de kwaliteit zeer precies wil kunnen nagaan.” In onze contreien wil men daar zo veel mogelijk bij weg blijven.

De open standaarden zoals de NVAO deze gebruikt, spreken Bollaert daarom aan. Zij geven instellingen meer ruimte. “Wat we nu zien, is dat de instellingen of opleidingen die zich het meest hebben ontwikkeld op dit punt, ook de kwaliteitscultuur, zich het best vinden bij die open standaarden. Omdat zij zelfkritisch zijn en zij niet de neiging hebben zulke open standaarden toch weer te willen vertalen in nog eens een hele reeks subcriteria, waarmee zij hun eigen zelfevaluatie toch weer dicht schrijven.”

Een serieuze deuk

De behoefte aan detaillering – ook binnen instellingen zelf vanuit onzekerheid over wat hen te wachten staat – leidt tot de administratieve lasten van borging waar men vaak over klaagt. De vraag om veel details en indicatoren komt volgens Bollaert echter ook voort uit wat hij “de deuk in het vertrouwen in de kwaliteit van het hoger onderwijs” noemt. Dat is een probleem in heel Europa. Daarom wordt er verwacht dat instellingen meer en nadrukkelijker verantwoording afleggen.

“In Europa en dus ook in Nederland en Vlaanderen kun je zien, dat vanuit de overheid dat vertrouwen een serieuze deuk heeft opgelopen. Dat is uitgesproken het geval in Nederland. Daaruit volgt de roep om wat men dan eufemistisch noemt ‘transparantie’. Het beleid is onder die noemer gegaan naar een veel grote nadruk op ‘bewijslast’ en ‘accountability.’ Het gaat er daarbij voortdurend om, dat men zich afvraagt: ‘maak jij inderdaad waar als hoger onderwijs wat jij altijd beweert, namelijk dat je kwaliteitsvol onderwijs aanbiedt?’.”

“Zulk wantrouwen” heeft er in de waarneming van Bollaert voor gezorgd dat de overheid zich meer met de inhoud gaat bemoeien. “Die veertien maatschappelijke thema’s in de instellingsreviews in Vlaanderen zijn daar toch ook een exponent van. De overheid wil die thema’s op de tafel leggen en daar wordt dus over gesproken. Als accreditatieorganisatie vertalen wij dat in een vragende benadering: in hoeverre komen die thema’s aan bod in de eigen visie en beleid van een instelling. De uitkomst daarvan hoeft niet te zijn dat elk van die thema’s een op een overeenkomt met het overheidsbeleid.”

Instellingen moeten allereerst uitgaan van hun eigen kracht, onderstreept hij. Zij zouden de thema’s niet moeten gaan behandelen als een soort van checklist. “Nee, laten we niet gaan denken in termen van ‘waar zet ik veertien vinkjes?’ Men moet inderdaad uitgaan van de eigen kwaliteitscultuur en de  visie daarop. Men moet van daaruit keuzes maken. Als de instelling zegt: ‘wij hebben geen separaat diversiteitbeleid en wij kiezen er geen te hebben, we willen dat niet in een apart hokje,’ dan kan dat best meerwaarde hebben. Als men bijvoorbeeld ervoor kiest het diversiteitsbeleid te koppelen aan de aanpak van de talentontwikkeling, dan kan dat heel goed bij elkaar blijken te passen.”

Existentiële vragen

Die nadruk op verantwoording en transparantie over de maatschappelijke bijdrage die kennisinstellingen leveren heeft volgens Bollaert “alles te maken met de paradigmashift in de taak van het hoger onderwijs. Dat gaat om grote gevolgen van grote veranderingen, de globalisering, de individualisering, de informatisering en de massificatie van het hoger onderwijs. Als we nu in onze samenleving, in de kenniseconomie toegeven dat we de jobs nog niet kennen waartoe we jongeren voor over twintig jaar opleiden, dan zijn dat toch existentiële vragen.”

De discussie over kwaliteit wordt bovendien niet eenvoudiger omdat rankings “niet altijd een weergave bieden van onderwijskwaliteit. Zij gaan toch meestal primair over onderzoekprestaties en laten we eerlijk zijn, op de meeste universiteiten staat het onderwijs niet bovenaan in vergelijking met het onderzoek.”

De introductie van de instellingsreviews in Vlaanderen en de instellingstoets in Nederland ziet Bollaert in dit opzicht als een signaal van “de kracht van het hoger onderwijs stelsel. Eigenlijk zijn wij daarmee voor de universiteit en de hogeschool een stok achter de deur. Het biedt een instrument om nog steeds belang te hechten aan het onderwijs en niet enkel aan het onderzoek, of aan het uitvoeren van contractonderzoek.”

Leren van elkaar

Bij de totstandkoming van het nieuwe stelsel in Vlaanderen hebben lessen uit Nederland een wezenlijke rol gespeeld. “In de eerste plaats denk ik dat wij geleerd hebben uit de aanpak in Nederland om van de eerste instellingsreviews een nulmeting te maken. In Nederland heeft men de eerste instellingstoetsen direct gekoppeld aan een ‘civiel effect’: als men deze toets haalt of niet heeft dat gevolgen voor de toepassing van een beperkte of een uitgebreide opleidingsaccreditatie.”

“In Vlaanderen hebben we allereerst gezegd:  alle instellingen moeten door de instellingsreview.  Maar het feit dat men met dit nieuwe instrument eerst een nulmeting uitvoert, betekent dat deze benadering veel meer verbeteringsgericht is. In Vlaanderen is de review primair een spiegel die we elkaar voorhouden, in plaats van een meer beoordelende toets zoals in Nederland het geval is.”

Zo zijn er nog enkele, wellicht voor beide landen leerzame verschillen in de aanpak van de borging en instellingstoetsing. “In Vlaanderen is al geschetst hoe het stelsel er op termijn uit moet gaan zien, daar kan men naar toe bewegen in zijn verdere ontwikkeling. In Nederland is dit nog niet helemaal helder.”

Hoe dat er uit gaat zien schetst Bollaert zo: “Na deze nulmeting komt een evaluatie van de lessen die wij daaruit kunnen trekken. Wel is al een richting aangegeven voor het vervolg, namelijk de richting van de ontwikkeling naar self-accrediting institutions. Wanneer men in de tweede ronde, na de nu in gang te zetten ronde als een nulmeting dus, slaagt voor de instellingsreview, dan betekent dat vanaf 2021-2022 de instelling zelf de regie mag voeren bij de aanpak van opleidingsbeoordeling. Dat moet men dan doen met externe experts en een internationale benchmark. Dat is een belangrijke stap en ik weet niet of Nederland die stap zal zetten.”

In Vlaanderen komt er nu een reeks indringende bijeenkomsten over de aanpak door de instellingen van de komende reviews. Bollaert verwacht daar een roep om zekerheid. “Ook omdat dit toch iets nieuws is. Men zal willen weten: ‘hoe schrijf je een kritische zelfreflectie?’ bijvoorbeeld. Daar komen ervaringsdeskundigen uit Nederland over vertellen, die vanuit hun instelling in HBO en WO kennis daarover komen delen. Want omdat de NVAO ‘binationaal’ is, blijven we leren van elkaar. Leren ook  uit de verschillen. De Nederlandse experts die in Vlaanderen komen beoordelen, zullen daar ook weer van leren.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK