Cognitie centraal bij matching

Nieuws | de redactie
9 april 2014 | “Motieven om te gaan studeren” zijn geen goede voorspeller van studiesucces. “Het is net als op oudjaarsavond besluiten om te stoppen met roken,” stelde oud-EUR-rector Henk Schmidt in reflectie op matchingstrajecten tijdens een VSNU-seminar hierover. Bij matching wordt er te weinig gekeken naar cognitie.”

In het nieuwe systeem moeten voor 1 mei moeten alle nieuwe aanmeldingen voor een nieuwe studie binnen zijn, zodat de instellingen nog tijd hebben om matchingstrajecten met studenten af te leggen. De VSNU wilde in een seminar over matching kijken naar wat werk, wat de waarde van matching is en of er andere manieren zijn om studiesucces in het hoger onderwijs te bevorderen.  

Bert van der Zwaan de rector van de Universiteit Utrecht is vorig jaar voor het eerst begonnen met matching, daar lag een hele concrete doelstelling aan ten grondslag. “Hoe haal je nu het allerbeste uit studenten en hoe spreek je die reservoirs van talenten nu aan? Tegelijkertijd hoe ontstaat er binding tussen groepen studenten en instellingen?  Dat zijn vooroverwegingen geweest bij het maken van een matchingsproces.”

Vervolgens is de UU onderzoek gaan doen naar de factoren van studiesucces ligt Van der Zwaan toe. “We hebben dus onderzoek gedaan naar studiesucces voorspellers, dat zijn examencijfers, ook het moment van aanmelden, het geslacht man/vrouw. En wat blijkt uit onze statistieken het aantal studiepunten gehaald in de eerste tien weken, dat is ook een hele sterke voorspeller van studiesucces.”

Echt iets anders dan selectie

Toch wil de Utrechtse rector nog graag benadrukken dat matching echt iets anders is dan selectie. Het systeem is gebaseerd op zelfselectie en zelfreflectie, zo stelt Van der Zwaan. “Wij stellen studenten in staat door zelfreflectie om een goede afweging te maken. Dat doen ze in vier stappen. Allereerst vullen ze een digitale vragenlijst in.

Vervolgens komen er een aantal momenten waar studenten kunnen zien wat studeren is, zoals het volgen van saaie stof, en het maken van tentamens. Ook krijgen ze feedback van een docent over hoe ze de dagen hebben ervaren. Tot slot worden de studenten begeleid naar het moment van zelfreflectie, van ‘ben je nou in staat om zelf een keuze te maken.’”

Wij hebben ook als college gezegd: “luister goed faculteiten! matching betekent misschien dat je  minder studenten krijgt, maar wel beter gemotiveerde, met een hoger studiesucces en dat is het beleid. Wij worden een krimpende universiteit, de instroom in Utrecht blijft ook achter op de landelijke ontwikkeling. Dat vinden wij prima.”

Henk Schmidt die onlangs vertrok als rector van de Erasmus Universiteit, wilde graag wel wat kanttekeningen plaatsen bij het verhaal van Van der Zwaan. “Bij het matchingsproces gaat het over willen en kunnen, kortom over motivatie en cognitie. Studenten hebben verwachtingen en meningen van een opleiding.  Maar zijn die nou ook heel erg belangrijk bij het studiesucces, dat kun je je afvragen. Zonder motivatie gaat het niet is vaak de gedachte. Maar de realiteit is, dat dit waarschijnlijk niet zo is. Motivatie is niet zo vreselijk belangrijk, in ieder geval niet belangrijker dan we denken dat het is.”

Meer kijken naar cognitie

Bij matching wordt er te weinig gekeken naar cognitie volgens Schmidt. “We zijn dan ook meteen geneigd om cognitie, wat studenten kunnen, minder belangrijk te vinden. Dat komt vooral omdat we allemaal wel iemand kennen die twee jaar is blijven zitten op de middelbare school en dan uiteindelijk toch nog hoogleraar theoretische fysica is geworden, of zelfs rector.”

Men moet dus niet primair naar motivatie, zo stelt de oud-rector. “Motieven om te gaan studeren dat is iets als op oudjaarsavond besluiten om met roken te stoppen om er vervolgens achter te komen na een paar dagen dat het niet is gelukt. Motieven zijn tijdelijke verschijnselen, ze komen heel snel en zijn ook weer zo weg. Ze hebben niet zo’n grote invloed op het studeren denk ik zelf. Wat helpt wel is de vraag?”

Dan is het vooral belangrijk om te kijken wat studenten meenemen naar de universiteit en hoe dat hun succes bepaalt op een universiteit zo bepleit Schmidt. “Als je kijkt naar de invloed van vwo-prestaties op studieprestaties dan zie je dat die sterk is. Studenten die gemiddeld een 5.5 hadden op hun eindexamen voor wiskunde,  Engels en Nederlands,  bij die studenten zie je dat die cijfers zich vertalen naar de prestaties op onze toetsen. Je kunt het verschil nog steeds zien in het tweede jaar en ook zelfs in het derde jaar.  Kortom, diegene die hoogleraar theoretische fysica worden, ondanks lage cijfers op de middelbare school, dat is een hele kleine groep.”

Stoppen met roken

Schmidt gelooft daarnaast ook niet in zelfselectie die zo belangrijk wordt geacht bij matching. “Ik ben zelf nogal twijfelachtig over het principe van zelfselectie, zoals dat bij matching wordt gehanteerd. Dat komt voort uit het rationele mensbeeld en de gedachte dat wij in staat zijn om vrij van onze emoties over ons zelf een beslissing te nemen.”

“Dat is niet helemaal in lijn met de realiteit.  Want studenten zeggen dan: ‘Ja ik deed het misschien niet goed op de middelbare school en de meeste lukt het niet, maar mij lukt het wel.’ Dat is het zelfde als diegene die zegt op oudejaarsavond: ‘ik stop met roken.’”

Daarom hecht de EUR ook veel waarde aan de Nominaal is normaal. “De Erasmus universiteit heeft daarom gezegd laten we er van uitgaan dat studenten een kans moeten krijgen om onderwijs te volgen. Maar we stellen wel hoge eisen, we hebben een aanpak dat studenten bij ons een jaar de kans krijgen om zich te bewijzen, in dat jaar moeten ze zestig ects halen. Dan laat je zien dat je het kan.”

Spannend experiment

Spannend was het wel volgens Schmidt, maar nominaal is normaal blijkt te werken. “Dat was natuurlijk wel een spannend experiment wat we de laatste twee jaar zijn gaan doen. Maar de resultaten waren dusdanig dat we er mee doorgaan. Wat blijkt als je studenten uitdaagt en je tegen ze zegt: je krijgt nu een jaar om jezelf te bewijzen, dan blijkt dat waar studenten eerst twee jaar voor nodig hadden om 60 ects te halen, dat nu binnen een jaar lukt.”

 Afsluitend wil Schmidt motivatie ook weer niet helemaal veronachtzamen. “Dat wil niet zeggen dat motivatie geen rol speelt, ik denk dat het een hele belangrijke rol speelt. Maar ik denk dat motivatie in hoge mate ook situationeel bepaald wordt.  Het wordt namelijk bepaald  door de kwaliteit en de manier hoe je het onderwijs vorm geeft. En de manier hoe je studenten weet te engageren. “Het moet daarom al wel beginnen op de middelbare school, dat leerlingen daar gaan inzien dat prestaties wel degelijk consequenties hebben. Maar daarnaast hebben wij ook een hele belangrijke taak om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. “


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK