De kosten van succes in R&D

Nieuws | de redactie
1 april 2014 | Universiteiten moeten voor iedere euro die zij krijgen uit hun tweede en derde geldstroom, zoals uit Europese fondsen, gemiddeld €0.74 toeleggen uit hun eerste geldstroom. Succes door hoge kwaliteit van onderzoek zet daarom druk op de eigen investeringsmiddelen.

De projectfinanciering, zoals deze uit NWO, de EU en ‘collectebusfondsen’ verworven kan worden, is ten opzichte van de overheidsbekostiging in de periode 2003 tot en met 2012 met 83% gestegen. Dat blijkt uit onderzoek naar de matchingbehoefte van universiteiten dat is uitgevoerd door EY in opdracht van VSNU, het ministerie van OCW en het ministerie van EZ.

Het IBO kijkt mee

Minister Bussemaker acht deze analyse duidelijk van betekenis. Zij meldt de Tweede Kamer, dat het onderzoek eveneens “is aangeboden aan de voorzitter van het interdepartementale beleidsonderzoek naar wetenschappelijk onderzoek. Hiermee zal dit rapport onderdeel worden van de beraadslagingen in het beleidsonderzoek.” In dit IBO wordt immers geanalyseerd of en hoe de investeringen van de overheid in wetenschap optimaal worden ingezet

De stijging van projectfinanciering biedt volgens de VSNU meer kansen om de Nederlandse wetenschap te versterken, maar het vraagt ook om een grotere financiële armslag bij universiteiten om hierop in te kunnen spelen. Als de eerste geldstroom te zwaar onder druk komt te staan door de noodzaak tot matching, lopen de instellingen gevaar dat zij minder kunnen realiseren uit de tweede/derde geldstroom dan hen op basis van kwalitatieve kansen mogelijk gemaakt wordt. Daarom onderstreept de VSNU, dat het van belang is dat de eerste geldstroom gelijke pas houdt met de ontwikkeling in de andere geldstromen.

Impact van Europees succes

Diverse ontwikkelingen gaven aanleiding om op systematische wijze de omvang van matching te onderzoeken. Naast wijzigingen in geldstromen, subsidieregelingen en financiers werd de discussie over de omvang van matching actueel door de lancering van het nieuwe Europese onderzoek- en innovatieprogramma Horizon 2020, waarin een totaalbudget beschikbaar is gesteld van 70,2 miljard euro.

Daarmee is op EU-niveau circa 40% meer budget beschikbaar voor wetenschappelijk onderzoek en innovatie. Nederlandse onderzoekers scoren al jaren fors ‘boven hun gewicht’ bij het verwerven van zulke Europese investeringen in R&D en innovatie. Projectfinanciers vergoeden echter wel slechts een deel van de totale kosten van een onderzoeksproject. Het andere deel moeten universiteiten zelf bijdragen, oftewel zien te matchen. Deze voorziene groei in het Europese onderzoeksbudget  en de ook op nationaal niveau toenemende projectfinanciering leiden tot een sterk stijgende matchingsbehoefte.

Om hierin inzicht te krijgen, zijn door E&Y bij een zestal universiteiten 131 onderzoeksprojecten nader onderzocht. Hieruit blijkt dat in de begrotingen van onderzoeksprojecten gemiddeld 43% van de middelen afkomstig is uit de eerste geldstroom van universiteiten zelf en 57% afkomstig is van de subsidieverstrekker. Dat betekent dat iedere euro die universiteiten in competitie verkrijgen voor de uitvoering van onderzoeksprojecten de matchingbehoefte gemiddeld €0,74 bedraagt.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK