PvdA in Senaat houdt af

Nieuws | de redactie
12 december 2014 | De perikelen van het kabinet in de Senaat raken ook minister Bussemaker. Haar eigen partij, de PvdA, heeft een reeks zeer kritische vragen gesteld over het studievoorschot. Het contrast binnen de coalitie is scherp op dit punt. Moet na Edith Schippers nu ook Bussemaker vrezen voor een debacle?

De schriftelijke behandeling in de Senaat van de invoering van het leenstelsel laat enkele opvallende politieke bewegingen zien. Die bewegingen krijgen na de nederlaag van de coalitie in de Senaat vanwege sfwijkend stemgedrag in de PvdA nu ineen veel meer gewicht en actualiteit. De behandeling van het wetsvoorstel is inmiddels voorzien voor halverwege of eind januari 2015 en wij weten al sinds Harold Wilson dat “a week is a long time in politics.”

Uit de schriftelijke voorbereiding van de Senatoren blijkt GroenLinks primair voor het studievoorschot te zijn, omdat daarmee een stevige nivellering van inkomens wordt bereikt. Precies dat zou reden moeten zijn voor bondgenoten bij dit plan D66 en VVD zo’n voorstel niet te willen. Het CDA blijkt in de Eerste Kamer veel minder geharnast tegen de plannen van de minister. Men is “niet a priori tegen een leenstelsel”, maar heeft wel grote zorgen over de uitwerking die nu voor ligt.

Contrast tussen VVD en PvdA

De twee coalitiepartijen verschillen nogal in hun houding tegenover het wetsvoorstel. De VVD staat vierkant achter minister Bussemaker. De liberalen achten het studievoorschot een uitvoering van het rapport Veerman. “Voor dit werk verdient deze minister onze grote waardering.”

De toon bij de partij van de minister zelf, de PvdA, is heel anders. Deze fractie “heeft met belangstelling kennisgenomen van het voorstel”, een formulering die traditioneel inhoudt dat men nog volstrekt niet overtuigd is van de wijsheid ervan. De PvdA vermeldt geen steun ten principale en formuleert ook geen waardering voor het beleid van minister Bussemaker, zoals haar coalitiepartner dat wel doet.

Geen inzicht in de vraag

Een reeks kritische vragen is door de PvdA op tafel gelegd over de onderbouwing en de inschattingen waarop de minister haar wetsvoorstel heeft gebaseerd. Ook andere fracties geven aan op dit punt zorgen te hebben. Zo vraagt de PvdA bijvoorbeeld. “De door het CPB gehanteerde modellen die een inschatting geven van de verwachte afname van de studentenaantallen, geven geen inzicht in de vraag welke studenten afzien van een studie en welke niet, welke overwegingen een rol spelen in de keuze om te gaan studeren of niet, en in hoeverre deze overwegingen financieel van aard zijn. Graag ontvangen de leden van de fractie van de PvdA deze inzichten van de regering.”

Ook wil de PvdA inzicht in de sociaaleconomische achtergrond van studenten en hun ouders, bij het risico dat ze afzien van hun studie. “Bovendien vernemen zij graag van de regering wat de sociaaleconomische achtergrond is van de ouders van de verwachte afvallers. Wat is de inschatting van de regering betreffende het risico dat de verwachte afvallers met name uit de categorie ouders met lagere middeninkomens zullen komen? Graag ontvangen de leden van de PvdA-fractie hierbij tevens een vergelijkende berekening van de financiële gevolgen voor een student die net onder de grens van de aanvullende beurs valt en een student die daar net boven valt.” 

Niet erg informatief

“De door het CPB gehanteerde modellen die een inschatting geven van de verwachte afname van de studentenaantallen, geven ook geen inzicht in de vraag welke studies meer en minder aantrekkelijk worden als gevolg van het studievoorschot. Graag ontvangen de leden van de fractie van de PvdA een analyse van de regering over de spreiding van de gevolgen voor de instroom bij de verschillende studierichtingen met verschillende arbeidsmarktperspectieven.” 

De CPB-cijfers over de schulden van studenten acht de PvdA niet erg informatief, omdat zij uitgaan van gemiddelden, daarom vraagt men van het kabinet: “Het gemiddelde bedrag dat door studenten geleend wordt als voorschot op hun inkomen later zal door het studievoorschot volgens het CPB stijgen van 15.000 tot gemiddeld 21.000 euro. Dit gemiddelde geeft evenwel geen zicht op de spreiding. Graag vernemen de leden van de PvdA-fractie van de regering wat de huidige spreiding van de schuld is en hoe deze naar verwachting zal veranderen.”

Kritiek ten principale

De Raad van State was bijzonder kritisch over het wetsvoorstel en bracht daarbij enkele zeer principiële aspecten van de wettelijke grondslag van het Hoger Onderwijs aan de orde. De senatoren van de PvdA willen dat het kabinet uitvoeriger ingaat op deze kritiek ten principale.

“Acht de regering het wenselijk dat de kwaliteitsafspraken geen basis hebben in de wet en dat de beslisruimte voor de minister niet concreet en nauwkeurig is begrensd? Hoe verhoudt dit zich tot zowel artikel 23 Grondwet als de WHW, zo vragen de leden van de PvdA-fractie aan de regering. Daarbij ontvangen deze leden graag een reactie van de regering op het argument dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan het recht op basisbekostiging naar gelijke maatstaven, waarvan in ieder geval de hoofdlijnen (het oogmerk en de belangrijkste indicatoren) in de formele wet moeten worden vastgelegd.” Opvallend is dat fracties als die van de SGP, CU en CDA op dit punt nog zwijgzaam zijn in de schriftelijke behandeling. 

Aanzienlijk hoger

De financiële aspecten van het wetsvoorstel roepen nog de nodige vragen op. D66 wil dat het kabinet ingaat op de berekeningen van de Vereniging Hogescholen die aantonen dat de opbrengst voor investeringen niet 1 miljard is, maar zo’n €600 miljoen en netto wellicht minder. De PvdA wijst bovendien op de inschatting van de Raad van State dat die investeringen uit het studievoorschot beslist niet toereikend zijn voor de kwaltietsambitie van het beleid.

“Voorts ontvangen de leden van de fractie van de PvdA graag een reactie van de regering op het betoog, van onder andere de Raad van State, dat de grote en voortschrijdende toestroom in het hoger onderwijs en de doelstelling om de kwaliteit van het hoger onderwijs te verbreden en te verdiepen een investeringsopgave opleveren die aanzienlijk hoger zal zijn dan de thans vrij te maken 600-800 miljoen euro.”

Schone taak voor de voorlichters

Wat betreft de financiën van de studenten vreest de PvdA voor negatieve effecten van de noodzaak meer bij te verdienen en het vervallen van bijverdiengrens. Met name jongeren met lagere inkomen zouden hierdoor kunnen moeten studeren en hogere schulden opbouwen. Voorlopige toekenning van €100 aan alle studenten met een aanvullende beurs doet de PvdA aarzelen. Daarbij komt dat deze financiële maatregel aangeeft dat OCW niet echt klaart is voor een volledige invoering. 

“De leden van de fractie van de PvdA constateren dat een integrale ophoging van ruim 100 euro per maand wordt geregeld op basis van de huidige inkomensgrenzen. Graag ontvangen deze leden een cijfermatige onderbouwing van de keuze voor een ophoging van 100 euro, vanuit het perspectief van de student. Professor Vossensteyn van CHEPS vreest dat niet veel waarde wordt gehecht aan de hogere aanvullende beurs, vooral vanwege onduidelijkheid over bedragen en toekenningscriteria. Naar zijn mening ligt hier een schone taak voor de voorlichters. Graag ontvangen de leden van de fractie van de PvdA een reactie van de regering op dit betoog.”

Indachtig commissie-Elias

Ook de VVD wil nadrukkelijk weten of OCW berekend is op de taak van invoering en legt daarbij de rapportage van de commissie-Elias over de ICT bij overheden op tafel. “De praktische uitvoering van het wetsvoorstel zal het nodige vergen van DUO en van de beschikbare ICT infrastructuur, zo menen de leden van de VVD-fractie. Door de invoering van het leenstelsel moet het ICT-systeem van DUO worden aangepast en met name het Programma Vernieuwing Studiefinanciering (PVS), dat als doel heeft de gehele ICT-infrastructuur van DUO te vernieuwen. De leden van de VVD-fractie zouden graag van de regering vernemen hoe het staat met de praktische uitvoerbaarheid ter zake, ook indachtig het recente rapport van de commissie-Elias.”

Gevolgen proportioneel

De senatoren van verschillende fracties laten blijken grote zorgen te hebben over de rechten van studenten, zowel de huidige als de komende, bij de aanstaande invoering van het studievoorschot.

Zo wijst het CDA er op dat sommige studenten in plaats van hun verwachte vier jaar basisbeurs al na twee jaar hun recht hierop zouden verliezen. “Betekent dit dat een student die bijvoorbeeld twee jaren een bachelor heeft gevolgd en vervolgens zijn studie stopzet voor een bestuurdersjaar, er nu achter komt dat deze zijn nominale duur heeft verbruikt en hij of zij niet meer in aanmerking komt voor een basisbeurs? De oorspronkelijke verwachting dat hij of zij recht heeft op een vierjarige basisbeurs wordt dan plotseling teruggebracht tot een tweejarige basisbeurs. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij het met deze analyse eens is. Verder vragen zij of de regering deze gevolgen proportioneel vindt.”

Het overgangsrecht bij de invoering is in de ogen van verschillende fracties wel zeer beperkt en dit roept een reeks kritische vragen op. Zo vraagt de VVD: “Studenten die een wo-bachelor volgen worden, wanneer ze vanaf 1 september 2015 met een master beginnen, geconfronteerd met het feit dat ze een 4e jaar basisbeurs niet meer als gift krijgen bij het halen van hun diploma. Daarmee ontvangt een student die nominaal studeert uiteindelijk minder inkomensondersteuning dan hij/zij op grond van de WSF 2000 aan het begin van zijn/haar studie mocht verwachten. Dit hebben ze bij de keuze om te gaan studeren niet kunnen meewegen.”

Kunnen instellingen meewerken?

Uit de vragen van de PvdA blijkt dat deze fractie zeer sceptisch staat ten opzichte van de pogingen de OV-kaart voor studenten te versoberen. Het zogeheten ‘Beter Benutten’ traject leidt tot de volgende vragen aan de minister: “De leden van de PvdA-fractie lezen dat de regering voornemens is om in samenwerking met de onderwijsinstellingen en studenten en decentrale overheden te bekijken hoe de onderwijstijden beter over de dag gespreid kunnen worden, op een manier dat ook de reistijden van studenten meebewegen.”

“Mogen de leden van de fractie van de PvdA hieruit constateren dat de regering van mening is dat de onderwijstijden momenteel onvoldoende over de dag gespreid worden? Zo ja, waarop baseert de regering deze mening?”

“Meent de regering dat instellingen met het oog op de beperkte beschikbaarheid van (grote) onderwijsruimtes wel kunnen meewerken aan spreiding van studenten in het openbaar vervoer? Zo ja, waarop is die mening gebaseerd? En mocht besloten worden tot spreiding richting de vroege ochtend of avond, welk flankerend beleid (denk aan openingstijden kinderopvang) is de regering voornemens te initiëren?”

Bij de kritische kanttekeningen van de PVV zit een interessante, internationale verwijzing. Die fractie wijst op de aanbevelingen van het IMF dat jongeren in Nederland vooral minder schulden zouden moeten krijgen omdat die schuldenlast ons land minder groei, minder dynamiek, en minder flexibiliteit op de arbeidsmarkt oplevert. “Dit wetsvoorstel lijkt hier haaks op te staan. Het leidt immers tot een lastenverzwaring voor komende generaties afgestudeerden. Graag een (uitgebreide) reactie van de regering over de relatie van dit wetsvoorstel tot de aanbevelingen van het IMF.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK