Talentbeleid universiteiten in spagaat

Nieuws | de redactie
9 januari 2015 | Universiteiten voeren geen eenduidig beleid op het gebied van talentmanagement. Dat concludeert HU-onderzoeker Marian Thunnissen die vandaag promoveert bij de UU. Zo blijkt er groot verschil te zijn tussen de centrale aanpak, de invulling daarvan door decanen en de ervaringen van wetenschappers.

Marian Thunnissen, verbonden aan het HU-lectoraat Organisatieconfiguraties en Arbeidsrelaties, verrichtte empirisch onderzoek naar het beleid van Nederlandse universiteiten om talentvolle wetenschappers aan te trekken, te laten ontwikkelen en te behouden. Ze interviewde niet alleen managers en HRM-adviseurs, maar is ook op zoek gegaan naar de meningen en ervaringen van talentvolle medewerkers zelf.

Organisatie stuurt op opbrengst

Wat opvalt is dat er een spagaat lijkt te zijn tussen hoe de organisatie over talentbeleid denkt en hoe medewerkers dit ervaren. Terwijl de organisatie stuurt op rationele en economische opbrengsten van talentbeleid, zoals organisatorische flexibiliteit en de vervanging van vertrekkende hoogleraren, geven medewerkers prioriteit aan de ontwikkeling als wetenschapper. Zij zoeken een stimulerende werkomgeving die hen in staat stelt te groeien.

Wetenschappers vinden dat de organisatie zich onvoldoende inspant om daarin te voorzien. Vooral het gebrek aan carrièremogelijkheden speelt hen parten. Ondanks deze kritische kanttekeningen zijn de meeste talenten volgens het proefschrift wel in de wetenschap blijven werken. Ze blijven hun organisatie trouw vanwege hun intrinsieke motivatie om te excelleren als wetenschapper.

Bredere benadering gewenst

Volgens Thunnissen is het dus belangrijk dat universiteiten een bredere, meer gebalanceerde benadering van talentmanagement gaan hanteren om die verschillende visies bij elkaar te brengen. “Het oordeel over de effectiviteit van het talentbeleid, hangt af vanuit  welk perspectief je daarnaar kijkt”, zegt Thunnissen. Wat voor de organisatie succesvol beleid is, blijkt voor wetenschappers veel minder zinvol te zijn geweest.

Wat de HU-onderzoeker daarbij nog meer opvalt, is dat het centrale beleid ook in de laag daaronder, door decanen zeer verschillend wordt opgepakt. “Decanen en hoogleraren nemen de ruimte om de aanpak in de praktijk anders in te vullen, onder andere omdat de situatie daarom vraagt. Zo worden protocollen en richtlijnen ten aanzien van een open werving genegeerd om snel die ene topper binnen te halen.”

Om dit soort verschillen in inzicht en uitvoering kleiner te maken, zouden universiteiten meer aandacht moeten besteden aan de inhoud van het werk en het mobiliseren van de motivatie van de talenten (in plaats van hun prestaties), zo stelt Thunnissen. De focus moet ook gericht zijn op het ontwikkelen en beoordelen van talent in een team en de rol van de hoogleraar in het talentbeleid.

Het volledige onderzoek van Marian Thunnissen leest u hier (PDF)


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK