Is ons onderwijs toekomst-proof?

Nieuws | de redactie
9 december 2015 | Het Nederlands onderwijs mag er zijn. OECD-chef Dirk van Damme heeft ondanks die mooie boodschap van Education at a Glance zorgen. Dat “axioma” van onderscheid tussen academisch en beroepsgericht bijvoorbeeld. “Nergens in de hele wereld wordt zo dogmatisch daaraan vastgehouden.”

Bij het #HBOdiscours in Nieuwspoort in Den Haag, mocht Dirk van Damme het startschot geven voor een discussie over de koers van HBO en WO. Hij noemde zijn eigen betoog “een schotschrift.” Het was dan ook een flinke steen in de vijver van HO-land en een eindejaars vuurwerkbommetje tegelijk.

De eerste reacties daarop in die HBO-discussie-sessie leest u hier en de complete bijdrage van Van Damme hieronder.

“Twee weken geleden publiceerden we op de OESO de nieuwste, lijvige Education at a Glance, het jaarlijkse rapport met talloze data en indicatoren over het onderwijs in de OESO- en G20-landen. Wat beeld houd je over van Nederland, en het Nederlandse hoger onderwijs in het bijzonder, als je alle 120.000 datapunten hebt geabsorbeerd?

De participatie neemt, na een late start in de 20ste eeuw, verder toe en dat is wellicht goed voor de kenniseconomie die Nederland verklaart te zijn. De vaardigheden die deze afgestudeerden naar de samenleving brengen zijn, zo tonen onze gebrekkige meetinstrumenten, internationaal zeer goed te noemen. Dat vertaalt zich in belangrijke meerwaarden op het vlak van werk, inkomen, maar ook niet-economische opbrengsten zoals gezondheid, sociaal kapitaal of politieke participatie. En de tevredenheid met het stelsel bij werkgevers, de politiek en de bredere samenleving, ja zelfs de studenten, valt dan ook wel erg mee.

Aardig HO-poldermodel

Zo te zien hebben beleid en instellingen het allemaal wel aardig voor elkaar gekregen met de hoger onderwijsvariant van het poldermodel. Van op enige afstand bekeken zijn de discussies waarover in Nederland de gemoederen hoog oplopen, soms toch wel een beetje pietluttig, maar dat krijg je als het stelsel goed in elkaar zit en je gezellig met elkaar in de polder kunt kletsen.

Of is het allemaal maar schijn en verbergen zich diep onder de polder toch breuklijnen die er wel toe doen? En is het model “toekomst-proof”, zoals de aankondiging vandaag luidt, onder het motto “regeren is vooruitzien”? Ik moet op deze vraag wel antwoorden dat ik een aantal problemen zie, zo niet had ik hier kunnen stoppen.

De vraag naar “toekomst-proof” kan op verschillende manieren ingevuld worden. Ik zou er vier andere woorden, die telkens een andere dimensie weergeven, willen voor gebruiken. Het eerste woord is “weerbarstig”. Ik duid hiermee op wat men in het Engels “resilience” noemt, in het Nederlands doorgaans vertaald als “veerkrachtig”, maar ik verkies het wat sterker te maken en koos het woord “weerbarstig”. “Resilience” is in het jargon van de internationale gemeenschap een cruciaal concept aan het worden. Langzaamaan is “resilience” het concept “sustainability” aan het vervangen en daar is de economische crisis debet aan. Nu vraag men zich niet meer af of onze economieën en groei “sustainable” zijn, maar wel of ze bestand zijn tegen crisissen. Kunnen ze met andere woorden tegen een stootje?

Kunt u tegen een stootje?

Dat is een interessante vraag die je ook aan hogeronderwijstelsels zou kunnen stellen: kunnen ze tegen een stootje? Hebben ze de veerkracht om majeure crisissituaties aan te kunnen en te doorstaan? Ik vrees er eerlijk gezegd een beetje voor. We kunnen dan vooral denken aan financiële crisissen. Toen Harvard door de financiële crisis van 2008 ongeveer een derde van zijn vermogen verloor, dachten velen dat dit toch wel tot een reeks belangrijke problemen zou leiden.

De sombere toekomstvoorspellingen van toen zijn niet uitgekomen, integendeel, Harvard en vele andere private topuniversiteiten zijn sterker dan ooit, deels door de student nog sterker in het financieringsbad te trekken. Uiteraard is een private topuniversiteit in de VS niet te vergelijken met een Nederlandse hogeronderwijsinstelling die zich nog steeds in hoofdzaak in een publieke ruimte bevindt.

Maar soms bekruipt mij het gevoel dat Nederlandse universiteiten en hogescholen zich gedragen als spelers op een private markt, zonder evenwel de risico’s te lopen van de vrije markt en zonder de buffers te hebben die je op een vrije markt zou nodig hebben. Universiteiten en hogescholen zijn er te gerust in dat de overheid het toch wel allemaal zal blijven betalen. En ze zijn te zeer schatplichtig aan de overheid om veerkrachtig genoeg te zijn, mocht die overheid zich nog veel verder terugtrekken.

Maar, zoals gezegd, verkoos ik het woord “weerbarstig” boven “veerkrachtig”. Het nadeel van het Nederlandse poldermodel – of het Vlaamse pacificatiemodel, wat er overigens niet zoveel van verschilt – is de vriendelijkheid waarmee men elkaar – “ons kent ons” – bejegent. Het streven naar consensus in de flinksheid lijkt universiteiten en hogescholen volstrekt in de greep te houden. En aangezien politieke verschuivingen in het Nederlandse politieke bestel eerder het verplaatsen van komma’s en accenten betekenen, kom je met een vriendelijke consensus al een heel eind weg.

Voorbij de consensus komen

Zijn universiteiten en hogescholen dan echter wel weerbarstig genoeg ten aanzien van de in de polder verenigde overheden en sociale partners? Zijn ze – als bestel, want er zijn natuurlijk wel weerbarstige individuele academici en professionals – sterk genoeg om de dominante consensus in vraag te stellen wanneer de noodzaak daarop zal ontstaan en om richting te geven aan de wetenschappelijke en maatschappelijke dynamiek, voorbij de consensus?

Het tweede concept dat ik gekozen heb om iets te zeggen over “toekomst-proof” is transparantie. Daarmee is het toch wel erg pover gesteld, laat ons eerlijk zijn. Transparantie is voor universiteiten en hogescholen synoniem geworden van de hoeveelheid informatie die ze aan toezichthouders en overheid moeten bezorgen, vaak tegen hun zin, in ruil voor publieke financiering. Ik moet zeggen dat ik me toch wat heb geërgerd aan de wijze waarop instellingen in Nederland en Vlaanderen zich opgesteld hebben in het debat over toezicht, kwaliteitszorg en accreditatie. En ook in de prestatie-afspraken stellen de instellingen zich doorgaans aarzelend op.

De kern van de zaak is dat in het krachtenveld tussen overheid, instellingen en studenten de instellingen erg aan gewicht hebben gewonnen, omdat de overheid zich heeft teruggetrokken op een bestuur op afstand en de studenten niet bij machte bleken om in de autonomie een beslissende rol te gaan spelen. Werkgevers en sociale partners stelden zich in Nederland kritischer op dan in bijvoorbeeld Vlaanderen, maar hebben vooralsnog geen hogere transparantie kunnen afdwingen.

Opportunisme van het HO

Naar mijn gevoeld moet je het recente gedrag van universiteiten en hogescholen als “opportunistisch” betitelen, wellicht gunstig vanuit korte-termijnbelang, maar absoluut niet productief op de langere termijn. Het zou universiteiten en hogescholen meer “toekomst-proof” maken, wanneer zij zelf de richting zouden aangeven voor een veel transparantere hoger onderwijsruimte. Waarin de student en de werkgever voldoende betrouwbare informatie zouden krijgen over de kwaliteit van de leeruitkomsten van studenten bijvoorbeeld.

Het meten van leeruitkomsten is, zo is internationaal toch de heersende visie, de volgende grote strategische klip die het hoger onderwijs moet zien te nemen. Het zou het Nederlandse hoger onderwijs krachtiger maken wanneer het zelf een aanzet zou leveren voor een performant systeem van meten van leeruitkomsten.

Transparantie betekent ook dat je goede, ja heel goede argumenten hebt om de basisdimensies waarop het bestel is getekend te verantwoorden. Vele van de historische scheidslijnen waarop het Nederlandse stelsel berust, lijken me weinig “toekomst-proof”. Denken we maar aan de scheidslijnen tussen disciplines. Gelukkig zijn er de “liberal arts and science colleges” die voor een belangrijke interne dynamiek zorgen in de richting van interdisciplinair aanbod en op een erg interessante manier dominante scheidslijnen doorbreken.

Axioma der binariteit

Maar de belangrijkste scheidslijn, die tussen zogenaamd “wetenschappelijk” en “beroepsgericht” hoger onderwijs blijft als een axioma overeind. Nergens in Europa, of in de hele wereld, wordt zo dogmatisch aan dit onderscheid vastgehouden.

Binaire stelsels van hoger onderwijs zijn overal elders in beweging, als gevolg van diepgaande wijzigingen in de structuren van kennis, in beroepen en arbeidsmarkten, of in de verhouding tussen kennis en andere vormen van menselijke cultuur. Ik zou me geruster voelen in de mate waarin het Nederlandse hoger onderwijs “toekomst-proof” is, wanner tenminste het debat over de toekomstige zinvolheid van het binaire bestel een kans zou worden gegeven en het dogmatisch denken wat minder hard tot norm zou worden verheven.

Onderontwikkeld in het Maagdenhuis

Een derde woord dat ik associeer met “toekomst-proof” is “participatief”. Nederland heeft gekozen voor een bestuursmodel voor zijn instellingen dat het bestuur behoorlijk goed heeft geprofessionaliseerd en slagvaardiger heeft gemaakt. Maar er is wel een vrij hoge prijs betaald op het vlak van participatie. De Maagdenhuis-gebeurtenissen hebben pijnlijk duidelijk gemaakt hoe groot dat manco is, maar meer nog hebben ze het onvermogen bij de bestuurlijke elite blootgelegd om die gebeurtenissen ook goed te begrijpen en te duiden.

De betrokkenheid en mede-verantwoordelijkheid van studenten bij het bestuur is in weinig landen zo onderontwikkeld als in Nederland. Nochtans, participatie is geen relict van de halfzachte en anarchistische jaren zestig, maar een wezenskenmerk van performante structuren en instellingen. Studenten zijn geen “cliënten” of “customers” die moeten bediend worden, maar actoren die samen met docenten en bestuurders het hoger onderwijs maken.

Toen minister Bussemaker, wellicht ‘in the heat of the moment’, verklaarde dat we toch zeker niet de studenten in het bestuur van de universiteit zouden toelaten, want dat dan wel zeker de kwaliteit er onder door zou gaan, moest de Leuvense rector Rik Torfs droogweg opmerken dat dit in Vlaanderen al heel lang het geval is, dat we daar bovendien verkozen rectoren hebben, zonder dat dit toch tot heel grote bestuurlijke problemen heeft geleid. Het lijkt me zonneklaar dat, als je het Nederlandse hoger onderwijs “toekomst-proof” wil maken, de uitdagingen om het bestuurlijk meer participatief te maken, één van de eerste uitdagingen zijn.

Oef…..

Ten slotte, het woord “innovatief”. Oef, want dan kan ik weer aanpikken bij de positieve toon van het begin van mijn vlugschrift. Het Nederlandse hoger onderwijs is, net als de samenleving en de economie in brede zin, zeer zeker innoverend. Onlangs heeft de OESO een poging ondernomen om op basis van bestaande indicatoren en data de innovatie-capaciteit van onderwijssystemen te meten en te vergelijken.

Uit surveys weten we dat Nederlandse professionals werkzaam in het hoger onderwijs dat als een erg innoverende omgeving zien. Nederland komt daar helemaal bovenaan de internationale ranking uit. Dat stelt toch wel gerust. Het Nederlandse bestel is hoogstwaarschijnlijk toch wel in staat zichzelf opnieuw uit te vinden als het ooit nodig zou zijn.

Recepten zijn er niet om de toekomst voor te bereiden, maar we kunnen ongeveer de richting aangeven waarin universiteiten en hogescholen zich zouden moeten ontwikkelen om meer “toekomst-proof” te worden dan ze al zijn: de autonomie voluit aanwenden, een sterkere financieel-economische basis, een volwassener relatie met de polder en de politiek, een weerbarstigere opstelling ten opzichte van de heersende consensus, veel meer transparantie naar studenten en stakeholders, meer participatieve betrokkenheid van studenten.

Ik heb gesproken.”

Dirk van Damme


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK