Volgen instellingen het voorbeeld van de UvA?

Nieuws | de redactie
29 november 2016 | De universiteit van Amsterdam is deze weken druk met haar referendum over democratisering. Hoogleraar en lid van de UvA-commissie Herman van den Bosch ziet 'groen': de universiteit als federatief verband, als reële optie.

Dezer dagen mogen 40.000 medewerkers en studenten naar de virtuele stembus om zich uit te spreken over de organisatie en het bestuur van de Universiteit van Amsterdam. Dit unicum in de geschiedenis van de Nederlandse universiteiten kan een directe weerklank hebben op andere instellingen. Want al is het aan de meeste instellingen opvallend stil op het gebied van democratisering en decentralisering, zou daar door dit referendum wel eens verandering in kunnen komen na de bekendmaking van de uitslag, medio januari.

De problemen die de commissie Democratisering & Decentralisering (D&D) binnen de Universiteit van Amsterdam heeft aangetroffen en in haar rapport uitvoerig beschrijft, zijn niet uniek voor de UvA. Deze problemen betreffen enerzijds het beleid, anderzijds het bestuur en de organisatie.

Tot de beleidsproblemen hoort onder andere het grote aantal overbelaste juniordocenten die onderwijs overnemen van ervaren docenten die hierdoor meer tijd voor onderzoek hebben. Maar ook de stringente monitoring van de studievoortgang van studenten (het ‘doorgeslagen rendementsdenken’) en de allocatie van middelen die sterk in het nadeel is van kleine opleidingen.

Tot de belangrijkste problemen met betrekking tot bestuur en organisatie horen de concentratie van macht bij college van bestuur, decanen en door hen aangestelde directeuren, de groeiende invloed van de raad van toezicht en het gebrek aan autonomie en zeggenschap op de lagere niveaus.

Oplossingen

Beleidsproblemen zijn onder andere het gevolg van de weinig consistente koers van de Universiteit van Amsterdam de afgelopen jaren en van het feit dat het gesprek daarover binnen de universitaire gemeenschap niet wordt gevoerd. De commissie stelt dan ook voor – naar voorbeeld van de New York City University – een breed samengestelde senaat in te stellen waar deze discussie kan plaatsvinden. Om de discussie op gang te helpen heeft de commissie acht kernwaarden geformuleerd – het Charter van de Universiteit van Amsterdam – en deze worden eveneens in het referendum voorgelegd.

Wat het bestuur betreft, heeft de commissie – in het verlengde van haar opdracht – vier alternatieve bestuursmodellen gemaakt, waarover medewerkers en studenten zich kunnen uitspreken. Deze modellen zijn inmiddels bekend als het groene, gele, oranje en blauwe model. Het laatste staat voor de status quo.

Het oranje en het gele model

Het gele en oranje model vertegenwoordigen 50 jaar discussie over ‘inspraak’ van medewerkers en studenten. Oranje pleit voor medezeggenschap conform de wet op de ondernemingsraden. Voorstanders van dit model vinden dat medezeggenschap binnen universiteiten op dezelfde manier moet worden geregeld als in andere organisaties. Gepleit wordt voor een duaal stelsel met aan de ene kant benoemde professionele bestuurders en aan de andere kant ondernemings- en studentenraden.

Als beide partijen beschikken over voldoende bevoegdheden, houden deze elkaar in evenwicht. Daarvan is momenteel geen sprake. Om deze reden pleiten de voorstanders van oranje voor meer instemmings-, informatie- en initiatiefrecht en voor amenderingsrecht ten gunste van ondernemings- en studentenraden. Zij dringen er al geruime tijd bij de minister op aan om dit in de wet te verankeren.

Geel ziet juist wél wezenlijke verschillen tussen universiteiten en andere organisaties. De voorstanders van dit model benadrukken de waarde van universitas magistrorum et scolarium, de gemeenschap van wetenschappers en studenten. Zij pleiten ervoor dat het bestuur van deze gemeenschap bij de leden – medewerkers en studenten – ligt, naar analogie van het openbaar bestuur. Universiteitsraden en faculteitsraden bepalen dan het beleid. Door de raden gekozen bestuurders bereiden dit voor, voeren het uit en leggen hierover verantwoording af aan de raden.

Beide modellen zijn gegrondvest op het principe van de vertegenwoordigende democratie. De legitimiteitscrisis van de vertegenwoordigende democratie in de samenleving als geheel is echter ook voelbaar binnen de universiteiten, zeker daar waar raden weinig in te brengen hebben. Alternatieven waren er tot dusver nauwelijks of zij hadden geen naam. Bij de Universiteit van Amsterdam is dat nu wel het geval en het heet groen.

Het groene model

Het groene model komt in onderwijsinstellingen nog nauwelijks voor. Dit staat in contrast met een snel groeiend aantal ‘post-bureaucratische’ organisaties, waarvan in Nederland Buurtzorg wel de bekendste is. Deze organisaties zijn gekenmerkt door het feit dat medewerkers voor een groot deel zelf de organisatie en het bestuur bepalen. Hiërarchische lagen en managers zijn beperkt. Voor een uitvoerige beschrijving van een aantal van deze organisaties verwijs ik naar het boek Reinventing Organizations van Frederic Laloux (2015).

De opmars van zelforganisatie en -bestuur heeft te maken met de razendsnel uitbreidende mogelijkheden van ICT en de eveneens snelle verandering in de vraag naar producten en diensten. In het bijzonder de vraag naar maatwerk, kwaliteit en design stijgt. Gegeven deze omstandigheden moeten organisaties over korte lijnen zowel intern als met de omgeving beschikken. Dit werkt het best als de medewerkers autonoom kunnen functioneren en veel verantwoordelijkheid hebben. Mede vanwege hun steeds betere opleiding vragen deze daar zelf ook om. Hiërarchische verhoudingen maken medewerkers zelfs ziek en leiden er alleen al in de VS toe dat 2 miljoen personen per maand – overwegend de best opgeleide – vrijwillig ontslag nemen.

Een van de weinige voorbeelden van een onderwijsinstelling die zelforganisatie en –bestuur hoog in het vaandel schrijft is de Evangelische Schule Berlijn Zentrum. In deze in 2007 opgerichte school voor voortgezet onderwijs bepalen de docenten het beleid en leerlingen en ouders worden daarbij betrokken. De ontwikkeling van zelfmanagement op scholen voor voortgezet onderwijs staat ook in Nederland volop in de belangstelling, zoals in het Montessoricollege in Nijmegen. Deze school kent eenheden van zo’n 150 – 180 leerlingen – bijvoorbeeld de onderbouw havo-vwo – waaraan een vaste groep van zes à zeven docenten is verbonden. Het docententeam is verantwoordelijk voor het leren en welzijn van de leerlingen in hun deelschool. Een respectabel aantal scholen bevindt zich op dezelfde weg.

De universiteit als federatief verband

Het groene model benadert zeggenschap van medewerkers en studenten als zelfbeschikking over het dagelijkse werk en de studie en niet in de eerste plaats als inspraak in het bestuur. Zelfbestuur heft het dualisme tussen bestuurders en ondergeschikten immers deels op. Het gedroomde beeld is dat van een universiteit als een federatief verband van instituten voor onderwijs én onderzoek. Hierin zijn bijvoorbeeld docententeams verantwoordelijk voor onderdelen van het onderwijs in nauwe samenspraak met studenten.

In de tijd dat ik werkte op de Nijmegen School of Management, had elk semester een vast team van vier tot zes docenten. Deze bespraken eens in de week tijdens een lunch de gang van zaken met een aantal studenten. De opleidingscommissie bestond uit een docent en een student van elk semester en hier werden de facto alle beslissingen over het actuele en toekomstige curriculum genomen.

Vertegenwoordigers van onderwijs- en onderzoekgroepen bepalen in een groene organisatie eveneens zelf hoe ze hun instituut inrichten en besturen. Dat kan een raad zijn, maar ook een gekozen manager die op afgesproken tijden in een plenaire vergadering de stand van zaken bespreekt. Mocht het groene gedachtegoed aan de UvA een meerderheid krijgen, dan wordt op termijn bekeken of faculteiten nog wel nodig zijn en hoe het bestuur van de universiteit er dan uit kan komen te zien.

Voor wie vindt dat meer zeggenschap afhangt van beter functionerende universitaire en facultaire raden, is oranje en geel een goede keus. Wie vindt dat meer zeggenschap vooral betekent dat medewerkers én studenten samen meer ruimte krijgen om inhoud te geven aan hun werk en studie, kiest groen.

Herman van den Bosch is hoogleraar Management Education aan de Open Universiteit en is lid van de commissie Democratisering en Decentralisering. Deze commissie ontwikkelde voorstellen om de UvA de democratiseren, hun rapport leest u hier. Van den Bosch schrijft deze bijdrage op persoonlijke titel.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK