Het mbo is altijd al responsief geweest

Nieuws | de redactie
12 april 2017 | Het mbo moet van beleidsmakers intensiever samenwerken met bedrijven in de regio. Onderzoekers Jeroen Onstenk (Inholland) en Anneke Westerhuis (ECBO) stellen dat het mbo responsief moet zijn in twee richtingen: naar het bedrijfsleven én de studentengroep.

Het mbo staat in het middelpunt van de belangstelling. Ondanks zijn omvang (bijna 500.000 studenten volgen middelbaar beroepsonderwijs op uiteenlopende niveaus) wordt deze onderwijssector lang niet altijd goed gekend. Het netwerk van hoogleraren en lectoren beroepsonderwijs schrijft daarom een serie bijdragen aan ScienceGuide.

U leest hier de eerste en tweede bijdrage in deze reeks over het mbo.

In deze derde bijdrage bespreken Anneke Westerhuis en Jeroen Onstenk het vraagstuk van responsief onderwijs. Mbo-instellingen moeten inspelen op een veranderende arbeidsmarkt en op ontwikkelingen in de leerlingenstromen.

In beleidskringen wordt vaak gezegd dat mbo-opleidingen beter en sneller op ontwikkelingen in het bedrijfsleven moeten reageren. Responsiever moet worden. Eigenlijk zou elk bedrijf zich in een mbo-opleiding moeten herkennen.

Ook al worden ontwikkelingen in beroepen door sociale partners en scholen gezamenlijk omgezet in landelijke opleidingsplannen (kwalificatiedossiers), scholen worden ook geconfronteerd met wensen van regionale bedrijven over de aansluiting bij lokale ontwikkelingen. Dát contact moet volgens de beleidsmakers intensiever. Een lastig vraagstuk. Moet je op alle wensen ingaan? Kun je keuzes maken en toch alle bedrijven te vriend houden?

En dan. Het mbo heeft niet alleen te maken met bedrijven. De taak van het mbo is een gevarieerde groep deelnemers op een baan voor te bereiden. Onze stelling is dat het mbo, als het responsief wil zijn, het dat in twee richtingen moet zijn: naar het bedrijfsleven én naar de studentengroep. In plaats van de in beleidskringen benadrukte responsiviteit naar bedrijven bepleiten wij responsiviteit in twee richtingen. Is dat haalbaar? Hoe doet men dat elders? Daarover gaat dit artikel.

Responsiviteit naar het bedrijfsleven; geen nieuw idee

Als in 1957 de SER door de minister van Economische Zaken wordt gevraagd hoe beroepsonderwijs op de snelle technische ontwikkelingen moet reageren, is het antwoord dat het onmogelijk is daarop vooruit te lopen. Beter is het om de taakverdeling tussen onderwijs en bedrijven te herzien. Sinds de jaren ’50 hebben technische ontwikkelingen niet stilgestaan.

Zo neemt de baanzekerheid af. Hoe zeker is het dat je je beroep een leven lang kunt uitoefenen? Grofweg verdampt door de technologische ontwikkelingen vooral laaggeschoold routinematig werk en blijft op dit niveau hoofdzakelijk werk in de dienstverlening over. Nu ook routinematig cognitief werk wordt getechnologiseerd komen banen op mbo-niveau 2 eveneens in de gevarenzone. En dat de beroepsuitoefening op mbo-niveau over het algemeen routinematiger wordt kan de voorbode zijn van een nog bredere technologische impact. De druk om te reageren op de actualiteit, responsief te zijn, is in het mbo niet minder geworden.

…en evenmin onontgonnen terrein

Er zijn, ook op regionaal niveau, al veel thema’s waarop bedrijven en scholen kunnen samenwerken.

Wat mbo-studenten moet kennen en kunnen is in kwalificatiedossiers vastgelegd. Elk dossier kent keuzedelen. Die kunnen gericht zijn op doorstroom naar een hoger mbo-niveau of het hbo, maar ook regionaal worden ingekleurd.

Op basis van het kwalificatiedossier ontwikkelen mbo-instellingen hun opleidingen. Bedrijven kunnen bij dit proces worden betrokken en veranderingen in de regionale beroepsuitoefening kenbaar maken.

Een belangrijk deel van mbo-opleidingen bestaat uit werken en leren in de praktijk. Het organiseren van dat leren gebeurt in nauwe samenwerking met bedrijven en geeft school en student toegang tot actuele ontwikkelingen.

Ontwikkelingen in de studentpopulatie van het mbo

Het vmbo, en met name de theoretische leerweg (mavo) levert het grootste aandeel in de instroom in het mbo, maar ook uit andere schooltypen gaan leerlingen naar het mbo. Mede daardoor verschuift in het mbo de instroom naar niveau zelf. Startte in 2005/06 42% van de vmbo’ers op niveau 4; tien jaar later is dat 48%. Ook op niveau 3 stijgt de instroom. Als de trend doorzet zullen studenten op niveau 3 en 4 het gezicht van het mbo bepalen.

De instroom op niveau 1 en 2 daalt. Maar het werkaanbod daalt sneller, ook door verdringing door hoger opgeleiden. De groep wordt weliswaar kleiner, maar ook voor deze groep verslechtert het arbeidsmarktperspectief. We kunnen spreken van een geleidelijke verhoging van het gevraagde opleidingsniveau, meer dan van polarisatie.

Waar in de ene sector een grotere vraag naar middelbaar opgeleiden tot een upgrading van het functieniveau leidt, geldt dat voor een andere omdat de vraag naar hoger opgeleiden stijgt ten koste van middelbaar opgeleiden. Het resultaat is zowel een toe- als een afnemende vraag naar mbo’ers, met als voorlopige balans dat de vraag naar afgestudeerden op mbo-niveaus 1 en 2 daalt en op niveau 3 en 4 gelijk blijft, dan wel stijgt.

Leren van het verleden

Wat betreft mogelijkheden en snelheid om te reageren bevinden Nederlandse mbo-instellingen zich in een optimale situatie aangezien ze veel beleidsruimte hebben. Sommigen noemen Nederland zelfs kampioen schoolautonomie. Hoe wordt die autonomie ingevuld? In het eerste decennium van deze eeuw was het beleidsadagium dat mbo-instellingen bestaansrecht in de regio moesten verwerven.

Titels van beleidsnota’s als ‘Koers BVE; het regionale netwerk aan zet’ getuigen daarvan. Instellingen moeten hun autonomie gebruiken om een relatienetwerk in de regio te ontwikkelen. Dat de overheid van deze invulling van autonomie is teruggekomen komt omdat veel instellingen niet hun bestaansrecht zochten bij het regionale bedrijfsleven, maar in de groei van het aantal deelnemers.

Als onderwijs een merit good[1] is vormen school, bedrijven en studenten een gemeenschap die in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor goed onderwijs; bedrijven en studenten zijn geen afnemers, maar medeproducenten van onderwijs. De positie van bedrijven en studenten verandert in een marktomgeving; ze worden klanten. Klanten leveren omzet en hebben het recht eisen te stellen aan de leverancier.

Autonomie krijgt in een marktomgeving een andere invulling dan in een sociale gemeenschap. In een marktomgeving staat autonomie voor groei van het marktaandeel, niet primair voor het leveren van toegevoegde waarde aan alle leden van de gemeenschap. Dat geldt ook voor responsiviteit. Responsiviteit in een marktomgeving staat voor de belofte iedereen op zijn wenken te bedienen, in een gemeenschap voor het tot stand brengen van een gemeenschappelijk resultaat.

Condities voor responsief beroepsonderwijs

Inmiddels zijn we terug bij de herwaardering van beroepsonderwijs als merit good. In die positie moet het de ontwikkelingen in het bedrijfsleven en de deelnemersgroep verbinden in het tot stand brengen van een gemeenschappelijk resultaat. Doorgaans wordt dan aan opleidingsinhouden gedacht; sluiten die aan bij de ontwikkelingen in bedrijven?

Er is echter ook een andere dimensie. Kan de school alle studenten naar een baan leiden gezien de stijging van het gevraagde opleidingsniveau? Vragen naar meer responsiviteit bij mbo-instellingen impliceert dat ze met spanningen tussen ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in de deelnemersgroep worden geconfronteerd.

In het Duitse duale beroepsonderwijs is deze spanning manifest. Alleen leerlingen die in een bedrijf een leerarbeidsplaats hebben verworven hebben toegang tot beroepsonderwijs. Als een leerling geen plaats vindt, kan deze niet naar school. Door de ook in Duitsland stijgende vraag naar hoger opgeleiden verwerven minder leerlingen van het Duitse vmbo (Haupschule) zo’n plaats; responsiviteit naar de arbeidsmarkt heeft het primaat boven responsiviteit in de richting van studenten. Het Duitse duale beroepsonderwijs is dan ook geen merit good, maar opereert onder marktcondities.

Gestimuleerd door pleidooien voor meer responsiviteit leeft bij veel bedrijven mogelijk nog steeds de veronderstelling dat het mbo een marktpartij is die – zoals het Duitse beroepsonderwijs – desgevraagd – kan leveren. Dat het Nederlands mbo is afhankelijk van de instroom en daaruit niet kan selecteren laat onverlet dat het de vraag is of de impact van de vraagontwikkeling op studenten op de lagere niveaus het exclusieve probleem van het beroepsonderwijs is. Hoe zinvol is het door te gaan met opleidingen zonder arbeidsmarktperspectief, ook al doen scholen hun uiterste best deelnemers te kwalificeren?

Gevolg van de marktconforme vraag- en aanbodregulering in Duitsland is het ontstaan van een semi- informeel arbeidsmarktsegment, waarin laaggeschoolden zich proberen staande te houden. Ook het Australisch beroepsonderwijs opereert onder marktcondities. Daar mogen private aanbieders opleiden voor een brede range kwalificaties.

Deze zijn daartoe ontkoppelt van het aanbod van publieke instellingen. Terwijl het doel was een voor het bedrijfsleven responsief systeem te creëren, is een race to the bottom ontstaan waarin bedrijven vooral goedkope opleidingen inkopen waartoe zij de  toegang bepalen. Bijgevolg verwatert het aanbod en verzwakt de positie van het publieke beroepsonderwijs.

Voorbeelden van responsiviteit van beroepsonderwijs als merit good vinden we in Noorwegen en Oostenrijk. Hier is responsiviteit belegd in regionale overleg dat als buffer fungeert tussen de wensen van stakeholders en de mogelijkheden van scholen. Ook het definiëren van de arbeidsmarkttoeleiding van laaggeschoolden als maatschappelijk probleem past in de merit good benadering.

Denk aan de Noorse opvangvoorzieningen ten behoeve van (gesubsidieerde) arbeidsparticipatie in combinaties van actief gemeentelijk stimuleringsbeleid en een sociaal vangnet. Waar onder marktcondities eenzijdige responsiviteit bijna onvermijdelijk is, is moet de merit good benaderding voor tweezijdigheid staan.

Conclusies

Nederland is teruggekomen van marktsturing in het beroepsonderwijs, maar heeft de tweezijdigheid van de responsiviteit van de merit good benadering nog niet verankerd. Bedrijven nemen deel aan soms weinig gestructureerd, en daarmee vrijblijvend overleg met mbo-instellingen die daaruit mogelijk afleiden dat ze preferred client zijn.

Systematiseren en intensiveren van het contact is een aandachtspunt. Ook zal gesproken moeten worden over de maatschappelijke context van de taakverdeling tussen school en bedrijf. Maar zelf dan zijn spanningen tussen mogelijkheden en wensen  niet uit te sluiten. Scholen hebben beleidsruimte om daarmee om te gaan, maar duidelijk is ook dat in deze ruimte veel, maar niet alle spanningen kunnen worden weggemasseerd.

Jeroen Onstenk & Anneke Westerhuis (2017). Responsieve onderwijsinstellingen in het mbo. Position paper in voorbereiding. Ministerie OCW.


[1] Merit goods zijn goederen en diensten waarvan de overheid het gebruik wil stimuleren. Meestal door middel van subsidies die voor de gebruiker de kosten verlagen. Deelname aan onderwijs valt daaronder, maar ook musea- en theaterbezoek.

 


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«