Lectoren kunnen toch promotierecht krijgen

Nieuws | de redactie
7 juni 2017 | Tijdens het debat in de Eerste Kamer over de uitbreiding van het promotierecht heeft minister Bussemaker aangegeven dat ook lectoren met een nulaanstelling als Universitair hoofddocent ook het recht kunnen krijgen om promoties te verlenen.

Gisteren werd er in de Senaat vergaderd over de uitbreiding van het ius promovendi. Bij de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel bleek een aantal senatoren kritisch te staan tegen de uitbreiding van het promotierecht. De kou leek uit de lucht gehaald door het Rectorencollege van de VSNU, die hadden in aanloop van dit debat een aantal toezeggingen gedaan waardoor hoogleraren nog wel adviesrecht zouden hebben bij het college van promoties bij het verlenen van het promotierecht aan universitaire hoofddocenten.

Bekwaamheid en verantwoordelijkheid

Toch waarschuwde het CDA dat deze versoepeling van het promotierecht niet mocht leiden tot situaties zoals bij de lerarenopleidingen. “De leden vernemen graag nog eens van de minister hoe het wetsvoorstel borgt dat er geen sprake zal zijn van een glijdende schaal, zoals elders in het onderwijs is gebeurd bij de eerste- en tweedegraders. We zien daarbij dat er steeds minder eerstegraders en steeds meer onbevoegden voor de klassen staan,” zo vroeg senator Martens van het CDA aan de minister.

De Senator met de meeste bedenkingen bij dit wetsvoorstel was Jan Anthonie Bruijn (VVD), hij vreesde dat niet meer duidelijk zou zijn in de nieuwe situatie wie nu eindverantwoordelijk zou zijn voor de promoties, de hoogleraar, college van promoties, of de decaan? “Hoe verhoudt zich het ontbreken van een instemmingsrecht nu tot die verantwoordelijkheid en tot de visie van de minister? Waarom wordt er wel een adviesrecht, maar niet een instemmingsrecht vastgelegd? Indien de keuze voor een promotor tegen het advies van de hoogleraar in achteraf toch een ongelukkige blijkt en het onderzoek en de opleiding onvoldoende voortgang kennen, hoe zit het dan met de wettelijke verantwoordelijkheid van die hoogleraar ter zake?”

In de beantwoording gaf de minister aan dat het toevallen van het promotierecht aan alleen hoogleraren op kritiek is komen te staan van jonge wetenschappers. “De Jonge Akademie en Promovendi Netwerk Nederland, hebben er de afgelopen jaren bij mij, en ook bij mijn voorgangers, herhaaldelijk op aangedrongen om beter aan te sluiten bij de internationale ontwikkelingen met betrekking tot ius promovendi. De onderzoekers hebben ook bij herhaling gevraagd om erkenning voor de dagelijkse begeleiding van promotietrajecten, waarbij zij in feite als promotor optreden; een erkenning die hun collega-onderzoekers in het buitenland nu veelal wel krijgen.”

Daarnaast zijn er volgens de minister weinig hoogleraar posities te verdelen. “Hier komt nog bij dat onderzoekers in Nederland vaak lang moeten wachten voordat er een positie van hoogleraar vrijkomt. Wat mij betreft wordt het tijd dat onderzoekers bij voldoende bewezen bekwaamheid de mogelijkheid krijgen om als promotor te worden aangewezen.”

Internationale aansluiting

Ook wees de minister erop dat Nederland met het huidige promotiestelsel internationaal uit de pas loopt. “We zien dat gepromoveerde onderzoekers in bijvoorbeeld de Verenigde Staten of het Verenigd Koninkrijk de zogenoemde tenure-aanstelling hebben, waarover mevrouw Nooren het had, en dat daar ook een promotierecht bij hoort. Deze buitenlandse onderzoekers hebben daarmee een voorsprong bij het solliciteren naar hoogleraarsfuncties omdat zij aantoonbare zelfstandigheid en eindverantwoordelijkheid bezitten in de begeleiding van promovendi.”

De minister was het niet eens met de kritiek van de VVD dat de verantwoordelijkheid van promoties lager in de universitaire organisatie zou worden gelegd. “Anders dan de heer Bruijn zegt, leg ik de verantwoordelijkheid voor de promotie niet op een lager niveau maar blijft die op het niveau liggen waar die nu ook ligt: bij het college voor promoties. Dat zijn hoogleraren en zij hebben en behouden de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de promotor en daarmee ook voor het promotieproces.”

De minister was dan ook tevreden met de tussenoplossing van de VSNU en het Rectorencollege. “Ik zie het zo dat de hoogleraar verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van zijn of haar vakgebied. Dat is onderzoek en onderwijs. Daarop is de hoogleraar aanspreekbaar. Het college der promotie geeft aan en stelt vast wie in voorkomende gevallen geëigend is om als promotor op te treden. Ik denk dat de handreiking die de VSNU en het Rectoren College hebben gemaakt eigenlijk een heel mooie tussenvorm laat zien waarin de verantwoordelijkheid van de hoogleraar voor het vakgebied wel degelijk wordt meegewogen.

De minister verzekerde de Eerste Kamer dat de kwaliteit van promoties gewaarborgd blijft. “Je zult altijd moeten borgen dat het niveau van promoties, dat hoog is in Nederland, niet devalueert. Vanzelfsprekend. Maar mijn opvatting is dat juist met de uitbreiding van het ius promovendi de promovendus daar nog weleens baat bij zou kunnen hebben, mits omkleed met een aantal condities.”

Lectoren in de ring

Alexander Rinnooy Kan (D66) vroeg zich in de eerste termijn van de Kamer of lectoren in het hbo ook hun voordeel kunnen doen met dit wetsvoorstel. “Zou de formele beperking van het promotierecht tot universitaire personeelsleden een belemmering kunnen opleveren? Of kan daarbij in voorkomende gevallen met een nulaanstelling worden volstaan? Dan kunnen bijvoorbeeld ook gekwalificeerde hogeschoollectoren daarvan profiteren, in afwachting van een fundamentelere discussie over de verdere profilering van het onderzoek aan de hogescholen en de eventueel daaraan te koppelen mogelijkheden van doctoraatsdifferentiatie.”

De minister ging tijdens de beantwoording van de vragen vanuit de Kamer niet in op deze specifieke vraag van Rinnooy Kan dus voelde hij zich genoodzaakt om nog maar eens aan de bewindsvrouw te vragen hoe het zat met lectoren in het hbo en het promotierecht. “Begrijp ik het goed dat het ook voor een aan een hogeschool benoemde lector, voorzien van een promotie, gekwalificeerd en ook voorzien van een nulaanstelling als UHD, mogelijk gaat worden om als promotor op te treden?”

Een nulaanstelling aan een universiteiten kunnen ook hoogleraren krijgen die met emeritaat zijn, op die manier kunnen zij het promotierecht behouden. De Vraag van Rinnooy Kan was of lectoren op het hbo die gepromoveerd zijn ook in aanmerking komen voor een dergelijke nulaanstelling als Universitair Hoofddocent. Op die manier krijgen zij ook het promotierecht. De minister was in haar antwoord kort maar duidelijk. “Ja, want die voldoet aan deze definitie.”

Met deze toezegging lijkt de minister terug te komen van haar eerdere antwoorden bij de schriftelijke behandeling van deze wet. Toen had zij de PvdA-fractie in de Senaat duidelijk gemaakt dat deze wetswijziging niet als doel had om ook lectoren in het hbo promotierecht te verlenen.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK