Sociaal leenstelsel toch niet sociaal

Beleidsmonitor wijst uit: groeiende hindernissen voor doorstroom

Analyse | door Sicco de Knecht
14 juni 2017 | “Toegankelijk hoger onderwijs voor iedereen die wil en kan studeren.” Dat was een van de door minister Bussemaker geformuleerde uitgangspunten van het sociaal leenstelsel. De tweede Monitor wijst uit dat we steeds verder verwijderd van dit doel verwijderd raken.
monitor leenstelsel studentenaantallen sociaal leenstelsel
Monitor 2016 fig 2.4

De korte samenvatting van de Monitor Beleidsmaatregelen 2016-2017 van ResearchNed lijkt te zijn dat de verschillen de afgelopen jaren groter zijn worden. Over de gehele linie is duidelijk dat jongeren met laagopgeleide ouders en eerstegeneratiestudenten, jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond en jongeren met ouders met minder dan een modaal inkomen de afgelopen jaren minder vaak de stap maken om te gaan studeren of door te stromen. De oorzaak hiervoor ligt deels bij het sociaal leenstelsel.

Onderwijsdeelname: absoluut en relatief

‘Ik constateer dat het leenstelsel geen grote gevolgen heeft gehad voor de toegankelijkheid van het hoger onderwijs’. Dat verklaarde minister Bussemaker vorig jaar nog tegenover de NOS bij de presentatie van de eerste Monitor Beleidsmaatregelen. Een boude uitspraak die in de tweede Monitor van dit jaar tegen het licht gehouden werd. Want was er sprake van een boeggolf-effect? Zou de mbo-instroom aantrekken? Is er sprake van afnemende toegankelijkheid?

Dit jaar meldt het ministerie dat de instroom weer op peil is. “Wat betreft de onderwijsdeelname, is te zien dat de instroom in het hoger onderwijs na de invoering van het studievoorschot hersteld is, conform de verwachtingen op basis van het onderzoek ten grondslag aan de invoering van het studievoorschot.” Zo valt te lezen in de begeleidende brief bij de monitor weten.

Dalende doorstroom ondanks sociaal leenstelsel

Het uitgangspunt lijkt bepalend te zijn voor de conclusie die het ministerie trekt. Alhoewel het aantal mbo-gediplomeerden de afgelopen tien jaar gestaag steeg, zit er nauwelijks beweging in het percentage gediplomeerden dat direct aan een ho-opleiding begint. Ook de indirecte doorstroom biedt daar de afgelopen jaren geen soelaas. Ook zit er geen stijging in de langdurige trend van het percentage van havo- en vwo-gediplomeerden dat doorstroomt naar het ho.

Boeggolfeffect 

Op het gebied van het veelbesproken boeggolfeffect lijkt de lijkt er binnen de gekozen definitie – ‘het versneld instromen in het hoger onderwijs, anticiperend op de afschaffing van de basisbeurs’ – inderdaad relatief veel pas-gediplomeerden te zijn geweest die in studiejaren ’12-’13 en ’13-’14 afzagen van een tussenjaar. Hierdoor was er sprake van een absolute en relatieve toename van het aantal eerstejaars studenten, gevolgd door een afname.

doorstroom na een jaar mbo hbo wo boeggolf OCW
Uit: Monitor Beleidsmaatregelen 2016

Na deze ‘boeggolf’ lijkt de directe instroom weer op het oude niveau te zijn gekomen, vergelijkbaar met ruwweg tien jaar geleden, voor vwo’ers en havisten. Maar voor mbo’ers is de trend al langere tijd een neerwaartse. Meer nog, deze trend was de sector ook voor de invoering van het leenstelsel al opgevallen.

Het sociale leenstelsel zou hier dan ook verandering in brengen volgens de bewindvoerders. “Ik vind het ook van belang dat de financiële bewustwording van aankomend studenten wordt gestimuleerd.” Schreef de minister in 2015 in een brief aan de mbo-instellingen. En daarom had zij “extra aandacht voor de groep mbo-4-studenten die wel overweegt om door te stromen naar het hbo, maar aarzelingen heeft.”

Mbo studenten zouden worden ontzien door het behoud van de basisbeurs en er zou meer gedaan worden. “Om te voorkomen dat deze groep afziet van een studie in het hoger onderwijs vanwege een informatieachterstand of vanwege een onvolledig beeld van de financiële gevolgen, worden extra maatregelen getroffen.” Deze extra maatregelen zouden onder andere informatieverstrekking en financiële gastlessen behelzen.

Sociaal economische achtergrond blijft leidend

Dat was dan ook de grootste zorg van veel partijen die, al dan niet schoorvoetend, voor het sociaal leenstelsel stemden: zou het jongeren weerhouden te gaan studeren? Op die vraag kon de Monitor van vorig jaar nog geen heldere antwoorden geven maar dit jaar nam ResearchNed een uitgebreider onderdeel met vragen op in het onderzoek. En daaruit komt een zorgwekkend beeld naar voren.

Leenaversie leerlingen op basis van kennis mbo

Leenaversie, ofwel de weerzin om een lening aan te gaan, blijkt – gecorrigeerd voor externe factoren – invloed te hebben op de kans dat scholieren een vervolgopleiding gaan doen. Uit de monitor blijkt dit te gelden voor mbo gediplomeerden. Over havo- en vwo-gediplomeerden kan geen betrouwbare uitspraak worden gedaan – de groep zonder doorstroomintentie is daar simpelweg te klein voor laat ResearchNed weten.

Het vreemde effect dat meer kennis over de aanvullende beurs onder mbo’ers leidt tot een kleinere voorspelde kans dat zij de intentie hebben door te studeren roept vragen op. In een volgende analyse moet duidelijk worden of dit komt doordat studenten er achter komen dat ze geen recht hebben op een aanvullende beurs, of door de voorwaarden van de lening zelf.

Al met al, en in het mbo in het bijzonder, lijkt de sociaal economische achtergrond van leerlingen de laatste jaren weer meer naar de voorgrond te komen bij de beslissing om door te studeren, dat concludeert ResearchNed. Door de combinatie van verschillende beleidsmaatregelen is het moeilijk vast te stellen of dit door het sociaal leenstelsel komt. Wel is het duidelijk dat de (kansen)ongelijkheid de afgelopen jaren toe is genomen, en dat een ‘toegankelijk hoger onderwijs voor iedereen de kan en wil studeren’ eerder last dan baat heeft bij het leenstelsel.

Sicco de Knecht :  Hoofdredacteur

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK