Meer handen in de klas

Nieuws | de redactie
20 september 2017 | Te volle klassen, te veel werkuren, te weinig salaris. Ook de OECD laat volgens columnist Lisa Westerveld zien dat er iets gebeuren moet om de leraren in het primair onderwijs tegemoet te komen. De toegezegde €270 miljoen is “een mooi begin, maar het komt bij lange na niet in de buurt.”

Afgelopen juni gaf ik in mijn column een kijkje achter de schermen van het politieke spel in de Tweede Kamer. Alle politieke partijen in Nederland vinden dat het echt zo niet langer kan met de hoge werkdruk en de lage salarissen van leraren. En toch is een oplossing vinden niet zo makkelijk. Want slechts één van de vier partijen aan de onderhandelingstafel wil flink de portemonnee trekken voor het onderwijs. De onderhandelaars willen sowieso niet te veel op de zaken vooruit lopen. Dat heb ik zelf ook ondervonden toen GroenLinks nog aan het formeren was.

Er is veel over de ‘kabinetssoap’ rondom de lerarensalarissen geschreven. Zoals over de stunt van minister Asscher die in de krant liet optekenen dat de PvdA niet akkoord zou gaan met de miljoenennota als daar niet forse investeringen voor leraren in zouden staan. Dit zorgde niet alleen in het onderwijs, maar ook in de Tweede Kamer voor flink wat commotie. Vooral toen de minister-president kort daarna liet weten ‘teleurgesteld’ te zijn in zijn vicepremier. Ook omdat de lopende onderwijsbegroting met een tekort kampt van 500 miljoen.

In de weken daarop kwam niet meer duidelijkheid. Verrassend genoeg werd mijn verzoek om een debat over het lerarentekort door een Kamermeerderheid gesteund. Tijdens dat debat kwam ook de vraag naar boven over wat nu eigenlijk het kabinetsstandpunt was over het verhogen van de salarissen. Minister Bussemaker antwoordde ontwijkend en gaf aan het voorstel van haar collega ‘sympathiek’ te vinden. “Het is geen geheim dat ik lid ben van dezelfde partij als de heer Asscher,” was het antwoord.

Dat was voor mij een reden om een motie in te dienen die vraagt om structureel meer te investeren in lerarensalarissen en het tegengaan van de hoge werkdruk. Niet alleen om wat extra druk te leggen op de partij van Asscher, ook omdat het me een goed signaal leek als een Kamermeerderheid die opdracht zou meegeven aan een nieuw kabinet. Deze motie werd mede ondertekend door de PvdA, maar niet aangenomen omdat de onderhandelende partijen tegen stemden. Niet verrassend, al hadden we natuurlijk liever anders gezien.

De dag erna begon het reces, voor iedereen even rust. En natuurlijk verder afwachten wat een nieuw regeerakkoord, maar ook wat de begroting ons zou brengen. Toch was het ook voor GroenLinks een teleurstelling toen eind augustus enkel de toezegging ‘een substantieel bedrag’ werd gemeld. Dat dit bedrag 270 miljoen bedraagt werd gisteren officieel bekend gemaakt. Iedereen met kennis van de bekostigingssystematiek in het onderwijs weet ook dat het vanwege de lumpsumsystematiek nog maar de vraag is of en hoe die € 270 miljoen euro precies wordt uitgegeven. 

Eerder zagen we dit misgaan bij de 150 miljoen die uitgetrokken werd om jonge leraren aan te trekken. Dit bedrag is ongetwijfeld goed terecht gekomen, maar duidelijk niet bij nieuw personeel. Maar als we er nu wel vanuit gaan dat het bedrag volledig gaat naar salarissen in het primair onderwijs, dan leidt dit tot een gemiddelde loonsverhoging van ongeveer 3% (€ 500- € 1000). 

Een mooi begin, maar het komt bij lange na niet in de buurt van de eisen van PO in actie. Zij vinden terecht dat leraren in het basisonderwijs hetzelfde verdienen als tweedegraads docenten in het voortgezet onderwijs (tweedegraads docenten in het voortgezet onderwijs hebben immers veelal een hbo-opleiding gedaan, net als de leerkrachten in het basisonderwijs). 

Het verschil in startsalaris tussen een docent in het primair en voortgezet onderwijs is nu groot: ongeveer 6%, en na 10 jaar zelfs 19-21%. Het gewogen gemiddelde van het maximum salaris in het voortgezet onderwijs is zelfs 25% hoger dan in het primair onderwijs. De kosten voor het gelijktrekken van het salaris bedragen € 900 miljoen. 

Bovendien is hiermee ook het probleem van de hoge werkdruk niet opgelost. Al jarenlang weten we dat het onderwijs de sector is met het hoogste aantal burn-outklachten en ook het nieuwste vergelijkingsrapport van de OECD, Education at a Glance, bevestigde opnieuw: Nederlandse leraren hebben volle klassen, maken erg veel werkuren en krijgen in verhouding weinig salaris. Daarom wil PO in actie ook 500 miljoen, omdat het tegengaan van die hoge werkdruk minstens net zo hard nodig is om leraren voor het onderwijs te behouden. 

We kunnen met gemak nog tientallen debatten besteden aan wat er nodig is om de neerwaartse spiraal in het onderwijs te doorbreken. Maar de feiten weten we allang: hoge werkdruk en lage salarissen leiden ertoe dat minder mensen in het onderwijs gaan werken. En dit veroorzaakt weer dat de werkdruk toeneemt etc. Er is maar één manier om dit op te lossen: meer handen in de klas. Punt. 


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«