De leefwereld van promovendi

Over het effect die de kritische academische cultuur en de bijwerkingen van specialistisch toponderzoek

Opinie | door Claartje van Sijl
21 november 2017 | Er is tot dusver in het promovendidiscours veel gezegd over de uiterlijke leefwereld van promovendi, maar hun innerlijke leefwereld is nog onbelicht gebleven. Dat is een gemis, want deze innerlijke leefwereld heeft grote invloed op zowel het mentale welbevinden van promovendi als op hun profilering op de academische en niet-academische arbeidsmarkt.

Als wij willen dat een doctorstitel betekent dat iemand zelfstandig wetenschappelijk onderzoek kan doen en breed inzetbaar is als kenniswerker, dan loont het om dieper in te gaan op de vraag in wat voor wereld promovendi werken en leven.

In deze innerlijke leefwereld van promovendi speelt zich een persoonlijk proces af dat een cruciaal aspect van promoveren omvat. Een promotie is niet alleen een opleiding tot zelfstandig wetenschapper, specialistische training, of een meesterproef die toegang verschaft tot het gilde van academici. Een goede promotie is ook een persoonlijke transformatie. In een promotie-onderzoek ga je, idealiter, naar de grens van het gekende om vandaar iets werkelijk nieuws toe te voegen aan je vakgebied — hoe klein en specialistisch die bijdrage ook moge zijn. Op deze grens van het gekende word je teruggeworpen op jezelf om een stap in het onbekende te nemen. Dit weet iedereen die promoveert of gepromoveerd is, maar er wordt nergens openlijk over gesproken.

Georganiseerde begeleiding bij dit desoriënterende gegeven vanuit de universiteiten en onderzoeksinstellingen ontbreekt. Hoe behulpzaam is de sociale context waarin promovendi deze transformatie doormaken? Op welke ondersteuning kunnen zij hierbij rekenen? Wat doet de kritische academische communicatiecultuur met het zelfbewustzijn en zelfvertrouwen van promovendi?

Schrale context

Dat de beruchte meester / gezel relatie een risico-factor is, moge inmiddels duidelijk zijn. “Als je laat merken dat je een carrière buiten de wetenschap overweegt, wordt dat opgevat alsof je er niet voor gaat. Een hoogleraar steekt dan minder tijd in je begeleiding.” Zolang ik in mijn coachpraktijk voor wetenschappers nog met enige regelmaat varianten op deze uitspraak hoor van promovendi is hier winst te behalen.

Het blijft een genuanceerde kwestie wie verantwoordelijk is voor de ondersteuning van de brede professionele ontwikkeling van promovendi, inclusief die persoonlijke transformatie. In ieder geval zolang de gelijkwaardigheid in loopbanen binnen en buiten de academie niet vanzelfsprekend is voor alle betrokkenen. Het is promotoren nauwelijks kwalijk te nemen dat zij deze ondersteuning niet kunnen bieden. Tenslotte zijn zij er niet voor opgeleid om promovendi te begeleiden. Graduate schools richten zich vooralsnog vooral op de graduate students en zien het opleiden van hun begeleiders nog niet als hun verantwoordelijkheid. De feodale academische cultuur maakt het ook niet makkelijk om je te bemoeien met andermans begeleidingspraktijken.

Dit raakt aan een kwestie die nog veel groter is dan het promovendidiscours. Wetenschappers worden immers rechtstreeks afgerekend op prestaties: aantallen publicaties (liefst met hoge imact), afgeronde promoties (bonus voor je groep / afdeling / faculteit!), binnengehaalde subsidies (bij voorkeur prestigieus en groot). De “kwaliteitsafspraken” rond het wetenschappelijk onderwijs voeren de druk op het onderzoek nog eens op. Promotoren zijn zich pijnlijk bewust van deze nijpende situatie, zoals o.a. blijkt uit de reacties van vooraanstaande wetenschappers op het nieuwe regeerakkoord in o.a. NRC en deze petitie. Wie kan het zich nog veroorloven om onvoorwaardelijk en hardop vrij te denken? Om buiten de gebaande paden te gaan en risico’s te nemen, werkelijk te innoveren? Om fouten te maken en van die fouten te leren? De beroepseer van academici is in het geding.

Of de arbeidsmarkt waarop een gepromoveerde zich begeeft nu gevormd wordt door de universiteit, de overheid, het bedrijfsleven, of de samenleving: om zijn waarde werkelijk tot zijn recht te laten komen heeft een kersverse doctor meer nodig dan analytisch vermogen, specialistische vakkennis en een verzameling tranferable skills Hiermee bedoel ik de vaardigheden die promovendi ontwikkelen buiten hun specifieke vak-expertise om. De website http://www.mydocpro.org/en beschrijft bijvoorbeeld 24 zogenaamde kerncompetenties van het professionele profiel van gepromoveerden. . In een slimme kennis-economie verwachten we (terecht) veel innovatiekracht van deze hoogopgeleide, talentvolle mensen.

Maar die kracht kan alleen tot uiting komen als promovendi zelfbewust hun talenten kunnen gebruiken en verwoorden, als zij het zelfvertrouwen hebben om trots te zijn op hun successen en als zij het vertrouwen krijgen om zelfstandig buiten gebaande paden te gaan, risico’s te nemen en fouten te maken. Hoe kunnen de excellente studenten die aan een promotietraject beginnen zich dit eigen maken binnen de bestaande academische structuur en cultuur? Je komt er hierbij niet met een cursus hier of daar, of met een stage zoals het Professional PhD Program (hoewel dit zeker zinvolle activiteiten zijn). De innerlijke leefwereld van promovendi vindt geen voedingsbodem in hun uiterlijke leefwereld. Dat is funest voor hun mentale welbevinden, de innovatiekracht en de brede inzetbaarheid van promovendi en pas gepromoveerden.

Kortom, deze sociale context biedt promovendi een schraalheid aan rolmodellen om zich aan te spiegelen en mogelijkheden om zich te ontwikkelen op hun weg naar zelfbewustzijn en zelfvertrouwen om vrij, zelfstandig, kritisch denken.

Kritische communicatiecultuur

In tegenstelling tot het kritische denken dat onder druk staat, heerst in academische kringen een zeer kritische communicatiecultuur. Kritiek wordt ongezouten gegeven en dient onbewogen aanvaard of verworpen te worden, terwijl complimenten schaars zijn. Natuurlijk moet de wetenschappelijke inhoud kritisch bekeken worden, maar verbetering komt net zo goed van een compliment over een alinea of over een aspect van het onderzoek dat uitstekend is.

Ik sprak onlangs nog een promovendus die geen idee had wat hij aan moest met de aanhoudende stortvloed aan negatief kritische feedback van zijn promotor op zijn paper. Mijn eenvoudige suggestie was om zijn promotor te vragen aan te geven welke passages wel goed waren. Niet zo verwonderlijk dat hij daarna eindelijk begreep welke kant hij wél op moest.

Bijwerkingen van specialistisch toponderzoek

De training tot specialistisch wetenschappelijk onderzoeker is zelf een inherente risico-factor bij de persoonlijke ontwikkeling van een zich ontpoppende zelfstandig wetenschappelijk onderzoeker en breed inzetbare kenniswerker. Eén van de eerste vereisten voor goed wetenschappelijk onderzoek is immers een a priori kritische, sceptische houding ten aanzien van bevindingen, conclusies en bewoordingen. Te midden van de kritische communicatiecultuur worden promovendi in Nederland hierin uitstekend getraind, gezien de algemene erkenning van de internationale waardering voor de wetenschappelijke kwaliteit van Nederlandse promovendi. Maar ontwikkel je deze kwaliteit tot de top door dan dreig je hem, behalve op de inhoud van je onderzoek, ook toe te gaan passen op je persoonlijke ontwikkeling.

Natuurlijk is het niet verkeerd om enigszins kritisch naar je eigen functioneren te kijken (er zijn legio voorbeelden in de actualiteit te vinden van hoe het mis gaat als hier gebrek aan is). Bij veel ‘early career’ onderzoekers zoals promovendi slaat de kritische blik echter te ver door. Het wordt dan onmogelijk om je expert te voelen en je zo op te stellen. Het impostor syndrome is inmiddels welbekend onder promovendi. Als gevolg van een hyperkritische blik op je eigen ontwikkeling ben je niet meer in staat om je successen te vieren en van je fouten te leren. Je gaat aan jezelf twijfelen. Je identificeert je eigenwaarde met het succes van je onderzoek. Zo zaag je aan je eigen stoelpoten en breek je ieder beetje zelfvertrouwen af. Je raakt in een neerwaartse spiraal waarin je mentale welbevinden hard achteruit gaat: spanning, angst, depressie zijn niet ver weg. Het pad naar persoonlijke en professionele ontwikkeling blokkeert en de persoonlijke transformatie wordt onmogelijk.

Is het dan verwonderlijk dat zeer getalenteerde mensen met indrukwekkende cv’s zichzelf na vier jaar werkervaring in een succesvol promotietraject kansarm en onervaren voelen? Of sterker nog: dat ze zich bij gebrek aan vervolgperspectieven binnen de gedroomde universitaire loopbaan een persoonlijke mislukking voelen?

Dit is tragisch. Promoveren is niet alleen specialistisch wetenschappelijk onderzoek doen en een proefschrift-product afleveren. En het is ook niet alleen een opleiding tot breed inzetbare werker in de kenniseconomie binnen en buiten de academische wereld. Laten we recht doen aan de enorme persoonlijke transformatie die een promotie ook is. Laten we die koesteren en deze verpopping ondersteunen waar we maar kunnen. Want in een slimme kenniseconomie verwachten we (terecht) veel innovatiekracht van deze hoogopgeleide, talentvolle mensen. En daarvoor moeten ze wel hun vleugels uit kunnen slaan.

Claartje van Sijl :  Onafhankelijk filosofisch coach en trainer voor academici

Dr. Claartje van Sijl is onafhankelijk filosofisch coach en trainer voor academici met vragen rond zingeving, richting, balans, en zelfvertrouwen in werk en leven.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«