Dyslexie is een hype

Er zijn problemen met leesvaardigheid, maar niet iedereen is dyslectisch.

Reportage | de redactie
29 november 2017 | Kees Vernooy, prikte tijdens zijn lezing op de iPabo in Amsterdam een aantal hardnekkige mythes door rondom dyslexie en leesvaardigheid van kinderen door. De lector leesvaardigheid aan de Hogeschool Edith Stein hamerde er bij de aanstormende docenten op dat tijd vrijmaken voor kinderen met een leesachterstand ongelooflijk belangrijk is. Ook voor kinderen met dyslexie.

Vernooy lichtte toe dat dyslexie geen mythe is, maar dat het wel te pas en te onpas als label wordt toegepast. “Nee het is geen mythe, ofschoon sommige landen zoals Australië en Nieuw-Zeeland de term dyslexie niet hanteren. In deze landen spreekt men van kinderen met ernstige leesproblemen, misschien zouden wij dat ook moeten doen. Maar het is wel een hype dat kun je wel zeggen.” In Nederland heeft zo’n 12 tot 14% van de Nederlandse kinderen een dyslexieverklaring. “Dat is een wereldrecord, dat heeft geen land ter wereld.”

Volgens de leesdeskundige is er in Nederland een overdiagnostisering van dyslexieverklaringen. “Nederland veel pseudo-dyslectische leerlingen. 7% van de leerlingen is pseudo-dyslectisch.  Die zijn op de een of andere manier aan die verklaring verklaring gekomen, maar zijn niet dyslectisch. Die dyslexieverklaringen worden gemakkelijk afgegeven. Het zijn ook vaak kinderen uit de betere milieus.”

De dyslexie-industrie

Volgens Vernooy zijn het de GGZ-psychologen die deze verklaringen veelvuldig verstreken en dat heeft niet zozeer met hun professionele werkhouding te maken, weet hij uit eigen ervaring. “Ik zie het ook in mijn eigen omgeving, mijn zoon is leraar op een particuliere school, ouders betalen daar €20.000 per jaar.”

“Daar heeft 100% van de leerlingen een dyslexieverklaring. Die kinderen kwamen op die school en die hadden al een dyslexieverklaring meegenomen. Dat laat ook gelijk zien dat die ouders dat kunnen betalen. Er zijn ook GGZ-psychologen die zo’n verklaring afgeven die zeggen tegen mij: ‘ja we hebben ze ook maar afgegeven, wij moeten toch ook onze uren maken.’ Er is in Nederland natuurlijk een geweldige dyslexie-industrie, kijk maar naar waar al die handelingsinstituten in zitten in wat voor luxe gebouwen.”

Als er al een probleem is, dan is dat volgens Vernooy een leesprobleem en niet zozeer een dyslexieprobleem. “Het belang van lezen is onvoorstelbaar groot. Goed leren lezen is een mensenrecht, als je niet goed kan lezen dan ben je sociaal gehandicapt. Hoogleraar Catherine Snow van de Universiteit van Harvard zegt daarover: ‘alle initiatieven die een school neemt zijn minder belangrijk dan kinderen leren lezen.’ Daarmee wil zij zeggen dat moet de eerste prioriteit zijn van een school.”

“Dus ook voor die dyslectische leerlingen is het belang van lezen onvoorstelbaar groot. Snow heeft verder gezegd dat de belangrijkste 21e eeuwse vaardigheid goed kunnen leren lezen is, dat heb je gewoon nodig, daar moet je als school ook heel erg sterk op inzetten.”

Didactische weerstand

Ook dyslectische leerlingen moeten alle aandacht kunnen krijgen van de leraar volgens de lector leesvaardigheid. “Alle kinderen moeten kunnen leren lezen en dat geldt natuurlijk ook voor dyslectische leerlingen. Die moeten daarbij gestructureerde hulp krijgen, en hoe dan ook zullen ze altijd trager blijven lezen. Als je echt dyslectisch bent, is er een ‘didactische resistentie’ aanwezig. Deze kinderen houden een aantoonbare leesachterstand, dat zijn de ware dialecten, dat ligt rond de 3,5%. Eigenlijk is preventie van dyslexie niet mogelijk. We kunnen deze kinderen wel helpen om er beter mee om te leren gaan.”

Bovendien wijst Vernooy bij dyslexie nog op een andere verklaring. “Kinderen met een te laag geboortegewicht, dat is een gewicht onder de 2500 gram vertonen dikwijls ook een dyslectisch-achtig patroon. Juist die laatste maanden van de zwangerschap vindt de hersenontwikkeling plaats, die is later van belang voor het leren lezen.

Toch zijn er volgens Vernooy heel veel leerlingen die ondanks ze geen dyslexie hebben met een taalachterstand de basisschool verlaten. “De Nederlandse praktijk is dat een derde van de kinderen de basisschool verlaat en niet goed begrijpend kan lezen, dat zegt Paul van den Broek, hoogleraar aan de Universiteit Leiden.” Daarom moet er volgens de leesdeskundige een minimale ondergrens zijn. “Er moet een schoolbeleid zijn waarbij elk kind minimaal functioneel geletterd de basisschool verlaat. In dat geval kun je het in de eenvoudige vormen van voortgezet onderwijs als leerling ook redden.”

Vernooy benadrukt daarnaast dat het cruciaal is hoe een school omgaat met leesvaardigheid. “Dat is onvoorstelbaar belangrijk, preventie en interventie moeten in de school verankerd zijn. Als school moet je vooral preventief onderwijs geven, dat heeft alles met onderwijskwaliteit te maken. Vroegtijdig signaleren is heel erg belangrijk. Als je er in groep 4 bij een leerling achterkomt dat het niet gaat met het lezen, dan ben je eigenlijk al te laat. Want dan is al vermijdingsgedrag ontstaan bij die kinderen, omdat het zelfvertrouwen is aangetast.”

Vroeg ingrijpen is cruciaal

De belangrijke voorspeller van de leesvaardigheid is de mondelinge vaardigheid en spreekvaardigheid op 3-4 jarige leeftijd. “Dat voorspelt de leesvaardigheid halverwege de basisschool. Zoals wij hier nu zitten als hoogopgeleide mensen, onze kinderen beschikken op vierjarige leeftijd over een vijf keer grotere woordenschat dan kinderen uit de taalarme milieus, dat voorspelt dus ook het begrijpend lezen later.”

Kinderen met hoogopgeleide ouders en die wel echt dyslectisch zijn kunnen zich dan ook lang handhaven op de basisschool. “Natuurlijk zijn er ook sommige kinderen die echt dyslectisch zijn, maar wel een hele grote woordenschat hebben, die kunnen het meestal ook heel goed redden op de basisschool. Daarna wordt het moeilijk. Vooral als er in het voortgezet onderwijs meerdere talen geleerd moeten worden.”

Dus het is ook vooral een taak van de kleuterjuffen en meesters om met de jonge kinderen aan de slag te gaan, hield de lector de iPabo-studenten voor. “Kinderen die op drie- of vierjarige leeftijd beroerd praten, slecht articuleren en slecht zinnen maken die behoren tot een risicogroep. Als docent moet je daar meer naar kijken, dat voorspelt slecht begrijpend lezen halverwege de basisschool. Docenten die voor groep 1 en 2 staan moeten ook heel duidelijk met deze kinderen aan de slag. Je moet het taalniveau van deze kinderen opkrikken. Geef de goede taal terug en laat hen dat nazeggen. Er wordt in Nederland nog teveel gedacht: ‘dat komt wel goed, laat het kind maar ouder worden en rijpen, dan verdwijnt die taalachterstand wel.’ Dat is dus niet zo, het is juist een belangrijk aandachtspunt. Als kinderen slecht starten dan trekken ze dat nooit meer bij. Daarnaast onderhouden we de leesvaardigheid na groep 5, onvoldoende waardoor leerlingen weer terugvallen.”

Kwaliteit professionals cruciaal

De kwaliteit van de docent is daarom volgens Vernooy van cruciaal belang. “De meeste problemen ten aanzien van leesvaardigheid – en dat moeten wij ons als professionals aantrekken – zijn problemen op het gebied van lesgeven. Kinderen hebben te weinig tijd om te leren lezen. Leerkrachten praten te lang, Nederlandse docenten staan op nummer één ter wereld als het gaat om lang praten, maar dan pikken die kinderen niets meer op. Slecht onderwijs veroorzaakt de meeste leesproblemen.”

Vernooy maakt zich daarnaast ook druk om de lesmethodes die in Nederland gebruikt worden. Die zijn volgens hem ondergeschikt aan de docent. “Professionaliseren van leerkrachten op het gebied van lezen is buitengewoon belangrijk. De leerkracht is belangrijker dan de methode. In Nederland zijn de lees- en taalmethodes lang niet meer tegen het licht gehouden. Dat betekent ook dat er zoveel rotzooi is op de markt. Uitgevers interesseert dat geen mallemoer. Of je nu een goede of een slechte methode gebruikt als school, ze verdienen er evenveel aan.”

Volgens Vernooy is tijd de cruciale factor. “Meer tijd, dat laten alle onderzoeken bij herhaling zien, is de meest makkelijke manier van onderwijs geven. Heb je veel zwakke lezers in de klas geef die kinderen meer tijd. In groep 3 moet je 400 minuten per week leren lezen. In groep 8 is dat 60 minuten per week. Bij risicoscholen in Rotterdam of hier in Amsterdam zijn er kinderen die krijgen maar 200 minuten per week leesonderwijs. Dan moet je ook niet raar opkijken als er meer uitval is. Tijd doet ertoe. Krijgen leerlingen niet meer tijd dan zullen ze altijd zwak blijven.”

De schoolleider is daarom ook cruciaal, die moet inzetten op de kwaliteit van het onderwijs. “Het doet voor een leerling en in het bijzonder een zwakke leerling heel veel toe of er een goede of een slechte docent leesonderwijs geeft. Vooral voor groep 3 is dat ontzettend belangrijk. Ik zeg weleens tegen schoolleiders: daar moet je dus je beste man of vrouw van je school voor de klas zetten. Het heeft dus allemaal te maken met kwalitatief goed onderwijs. Als dat niet goed is dan heb je een probleem en daar is de schoolleider voor. Die moet staan voor de belangen van de kinderen.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«