Pieter Duisenberg wekt wrevel in taaldiscussie

Nieuws | door Frans van Heest
5 december 2017 | “Duisenberg is niet een voorbeeld van iemand met een evenwichtige visie op het taalbeleid.” Secretaris van de TaalUnie, Hans Bennis moet de minister binnenkort adviseren over taalbeleid in het hoger onderwijs, maar kan weinig met het advies van de VSNU, bleek bij een rondetafelgesprek die de TaalUnie organiseerde met vertegenwoordigers van het Nederlandse en Vlaamse parlement.

De interparlementaire commissie van de TaalUnie bestaande uit Nederlandse en Vlaamse parlementsleden kwam bijeen in de rooksalon van de oude Tweede Kamer om in een hoorzitting te discussiëren over het Engels in het hoger onderwijs. Binnenkort komen de Vlaamse minister van onderwijs en haar Nederlandse ambtsgenoot bij elkaar om hier verder over door te praten en om gezamenlijk beleid af te stemmen.

De Nederlandse TaalUnie wilde voorafgaand aan deze ministersbijeenkomst input hebben van verschillende stakeholders en experts uit het hoger onderwijs. Eén van de genodigden, VSNU-voorzitter Pieter Duisenberg, sprak zich nadrukkelijk uit voor meer verengelsing van het hoger onderwijs. Echter de secretaris van de TaalUnie die de beide ministers moet adviseren over het taalbeleid kon met zijn advies niet goed uit de voeten.

Nood aan internationaal talent

Duisenberg mocht de hoorzitting aftrappen en benadrukte het grote belang van Engels voor het hoger onderwijs. “Als Nederland hebben we internationaal talent nodig en als je talent wil aantrekken dan kan dat via de universiteiten. Dus als je wil internationaliseren kies je ook voor een internationale taal, dat is vaak Engels, maar kan ook soms het Duits zijn. Als je dus kiest voor een internationale taal en voor een internationale omgeving op een universiteit dan is het wel belangrijk dat je dat zorgvuldig doet.”

Pieter Duisenberg maakte tevens bekend dat de VSNU bezig is met een strategisch advies om de internationaliseringsagenda van universiteiten handen en voeten te geven. De leidraad daarvoor is het recente rapport van de KNAW. “Aan de hand van het KNAW-rapport hebben wij twee stromen van maatregelen in gang gezet. Daar hebben we ook andere partijen voor benaderd. Dat zijn partijen zoals Binnenlandse Zaken, OCW, de werkgevers, studentenbonden en studentenhuisvesters. Het eerste traject is dat wij een aantal scenario’s en strategieën willen uitwerken voor het aantal internationale studenten dat wij hier willen aantrekken en van het aantal Nederlandse studenten die naar het buitenland gaan.”

“Als je die strategie doortrekt dan moet je kijken wat voor consequenties dat heeft voor de samenstelling van je studentenpopulatie op de universiteit. Welke consequenties heeft dat voor het taalbeleid, de toegankelijkheid van het hoger onderwijs van de Nederlandse studenten en hoe ga je dit allemaal regelen?”

Daarom hebben de universiteiten ook al een aantal gezamenlijke afspraken gemaakt. “Zo moet er minimaal C1-niveau komen van het niveau van Engels voor docenten. De tweede afspraak is dat we Nederlandse studenten gaan helpen bij de Nederlandse taalvaardigheid. Dat geldt zeker voor studenten die een Engelstalige bachelor volgen.”

Autonomie ligt altijd bij de opleiding

Lotte Jensen die namens de Jonge Akademie in de KNAW-commissie zat over taalbeleid zette kort uiteen wat de belangrijkste conclusies zijn van het rapport. “Het allerbelangrijkste is dat de keuze voor Engelstalige opleidingen geen automatisme mag zijn. De autonomie van de keuze voor Engels moet altijd bij de opleiding zelf liggen. Daar weet men wat studenten nodig hebben en waar ze ook later op de arbeidsmarkt terecht komen.”

Jensen ging als hoogleraar Nederlandse Taal en Cultuur ook kort in op haar eigen ervaringen met verengelsing van het masteronderwijs. “Verengelsing heeft grote consequenties voor het inhoudelijk aanbod. Er zijn heel veel vakken niet meer op dezelfde manier aan te bieden. Mastercolleges over Nederlandse schrijvers zijn niet meer mogelijk. Het aanbieden van de meest recente literatuur op bijvoorbeeld een onderwerp als verzuiling kan niet, want ik kan Engelstalige studenten geen Nederlandstalige teksten aanbieden. Wij wijzen in het rapport er ook op dat er inhoudelijke verschraling kan optreden en dat specialismen helemaal kunnen verdwijnen uit het onderwijsaanbod.”

Juichen om extra buitenlandse studenten

Zihni Özdil van GroenLinks was enthousiast over de uitleg van de VSNU en de toekomstverkenning die aangekondigd werd. “Ik ben heel blij om te zien dat de internationalisering niet als doel wordt gezien maar als middel voor beter onderwijs. Het gaat natuurlijk mis als het ten koste gaat van alles. Ik ben ook heel erg geïnteresseerd in de scenario’s van de VSNU voor als wij samen de internationaliseringsagenda gaan uitvoeren.”

Harm Beertema (PVV) al langer een criticaster van de verengelsing van het hoger onderwijs noemde een voorbeeld van de Universiteit Maastricht om aan te tonen waar verengelsing toe kan leiden. Hij had daar een vraag over aan Freddy Weima, de voorzitter van Nuffic. “Hoe kijkt u naar de dynamiek die op gang is gekomen? Ik denk dan bijvoorbeeld aan de Universiteit Maastricht die staat te juichen in de media dat ze voor het eerst meer dan 50% buitenlandse studenten in huis hebben. Dat wordt echt als een overwinning gezien, dan is er toch sprake van een ideologische lading die de verengelsing een verkeerde vaart geeft?”

Weima pareerde Beertema door te stellen dat de Universiteit Maastricht een instelling is waarbij die internationalisering juist wel goed gaat. “Maastricht is denk ik heel erg succesvol in internationalisering, ook omdat ze de docenten heel erg goed trainen in hun taalbeheersing. Daar wordt ook heel veel aandacht besteed aan het Nederlands voor de internationale studenten. Wat ik voor de rest interessant vind aan de ontwikkeling in Maastricht, is dat daar veel verschillende nationaliteiten zitten, zodat je ook daadwerkelijk in een ‘International Classroom’ zit als student. Dat leidt ook tot hele intense leerervaringen bij studenten. Zeker ook door de gekozen onderwijsaanpak, met het probleem gestuurd onderwijs waar Maastricht uniek in is.”

Lotte Jensen wees erop dat het overgaan op het Engels ook grote consequenties kan hebben voor de cultuur van een opleiding. “Alle onderdelen van de organisatie moeten dan over op het Engels, dus ook het ondersteunend personeel en ook alle informatievoorzieningen naar studenten. Dat is een grote cultuuromslag. Dan gaat er ook beslist iets verloren, dan moet je denken aan de identiteit van de organisatie, waarin veel mensen zich thuis voelen. Als ik dan bijvoorbeeld kijk naar Nijmegen waar de studie psychologie in het Engels is overgegaan. Daar blijkt dat nu 80% van de instroom uit Duitsland komt. Dan kunnen we niet spreken van internationalisering, dan is er een mix van Duitse en Nederlandse studenten.”

Een internationale wetenschapspopulatie

Duisenberg zette op vragen van kritische parlementariërs nog eens uiteen waarom het toch zo belangrijk is om over te gaan op het Engels. “Er zijn meerdere redenen waarom je kunt internationaliseren. Het kan zijn dat de arbeidsmarkt daarom vraagt. Dan moet je vooral denken aan de technische studies, die mensen werken over de hele wereld. Heel veel studies hebben ook te maken met een internationaal werkveld, hoewel ze zelf hier in Nederland zitten.”

Daarnaast is de populatie van wetenschappers in Nederland al heel internationaal volgens de VSNU-voorzitter en wijst daarnaast naar de behoefte van studenten. “Hier in Nederland is 50% van de wetenschappers internationaal. Tenslotte kan het zo zijn dat de onderwijskwaliteit er beter van wordt. De onderwijservaring van studenten is beter in een internationale omgeving, met studenten uit verschillende landen. Dit alles bij elkaar kunnen allemaal redenen zijn om over te gaan op het Engels.”

Duisenberg wees er bij de Vlaamse parlementsleden op dat Nederland op dit punt weinig lijkt op Vlaanderen, waar men strenge taaleisen heeft in het hoger onderwijs. “Wat wij als Nederland doen lijkt meer op de Scandinavische landen dan wat Vlaanderen doet op dit punt. Landen gaan hier dus verschillend mee om. Zweden en Finland maken andere keuzes dan Vlaanderen. Zo heeft Finland besloten om 150.000 internationale studenten aan te trekken de komende jaren.”

De VSNU-voorzittter benadrukte nog maar eens dat opleidingen autonoom zijn om zelf te kiezen in wat voor taal zij een opleiding aanbieden. “Als het gaat om taalkeuze dan heb je daar als opleiding een vrije keuze in. Er zijn dus ook opleidingen die ervoor kiezen om opleidingen in het Duits aan te bieden. Dus het is niet zo dat je specifiek voor het Engels moet kiezen. Dat is wel de praktijk en in de wereld van de wetenschap is het Engels de meest gebezigde taal. Dat wordt dus helemaal niet van bovenaf opgelegd dat het Engels moeten zijn, die vrijheid is er ook.”

Volgens Duisenberg mag geld geen reden zijn om over te stappen op het Engels, alleen bij kleine studies in de geesteswetenschappen kan dit het geval zijn. “Op een uitzondering na zie ik eigenlijk geen positief financieel effect van verengelsing. Ik kan mij wel voorstellen dat er kleine studies zijn die denken: als ik nu beneden een bepaalde kritische massa kom – denk bijvoorbeeld aan de studies in de geesteswetenschappen – die anders dichtgaan. Die kunnen denken: als ik nu internationaal word dan hebben we meer studenten en dan kunnen we het hoofd boven water houden. Dat zou voor hun een reden kunnen zijn om dan voor het Engels te kiezen, maar de hoofdreden moet de onderwijskwaliteit zijn.”

Een grote vergissing

De interparlementaire commissie had ook Ad Verbrugge, de voorzitter van Beter Onderwijs Nederland uitgenodigd. Die wilde de politiek nog voor een laatste keer waarschuwen.

“Ik denk dat de eerste vraag dient te zijn: wat willen we als politiek met ons land? Dit is geen kwestie van de universiteiten, dat is een grote vergissing. De wetgever heeft in al zijn wijsheid beslist dat Nederlands de voertaal dient te zijn op onze universiteiten. Ik hoor hier de heer Duisenberg vandaag zeggen dat opleidingen daar vrij in zijn om voor te kiezen, of het nu Chinees, Duits of Engels is. Dat is een grote misvatting. De wetgever maakt heel erg duidelijk dat opleidingen binnen een bepaald kader horen te opereren. De facto wordt in Nederland de wet niet gehandhaafd.”

Volgens Verbrugge was bovendien de taaleis die bepleit werd door Duisenberg niet afdoende. “Als er dan mensen zijn die zeggen: ‘Engels C1 volstaat wel,’ dan adviseer ik hen eens om een Engels stuk van Shakespeare te lezen. Zo’n opmerking wordt gemaakt door mensen die geen benul hebben van wat er voor nodig is om een taal goed in de vingers te krijgen.”

Verbrugge vroeg zich hardop af of we er dan als land voor moeten kiezen om ook het Engels te gebruiken in het parlement. “Is het een idee om na de faculteitsraad in het Engels, ook in de Tweede Kamer het debat voortaan in het Engels te voeren. Dat is namelijk wel prettig voor al die mensen in een internationale context. Er zijn hele goede argumenten te bedenken waarom dat goed zou zijn. De kernvraag is: Willen we dat in de Kamer of in de rechtszaal Engels wordt gesproken?”

Verbrugge schetste aan de Kamerleden wat het gevolg zal zijn als er geen duidelijke keuze wordt gemaakt. “Neem dit thema serieus, zie in dat als je van boven de zaak sloopt dat de instructietaal Nederlands wordt verarmd. Ouders zullen steeds vaker hun kinderen naar Engelse opleidingen sturen. Op die manier wordt het Nederlands een provincietaal, waar alleen de straatvariant nog enige overlevingskans heeft. Dat wordt een mengelmoes van Marokkaans, Antilliaans, Turks, Nederlands en Engels. Kijk maar naar de Nederlandse rap die floreert. Dus ik denk dat de verantwoordelijkheid van de politiek is om de instituties van hoogcultuur te onderhouden.”

Met pijn in het hart moest de voorman van Beter Onderwijs Nederland constateren dat dit thema te vaak gekaapt wordt door rechts populistische partijen. “Ik vind het ook schrijnend om te zien dat in de hogere progressieve kringen een pleidooi voor het Nederlands al snel wordt afgedaan als rechts-nationalistisch. Dat zal misschien het geval zijn van de heer Beertema van de PVV, maar in mijn geval zeker niet. Los daarvan, het is funest als minderheden de Nederlandse taal niet goed wordt bijgebracht, daar worden ze zelf het slachtoffer van. We moeten juist investeren in goed taalonderwijs voor minderheden.”

Moratorium op het Engels

De rector van Universiteit van Amsterdam die tevens Vlaams is, Karen Maex kwam met een genuanceerde inbreng. “Er is ook wel een belangrijk betoog te houden om ook in het Nederlands te doceren Wij leven in de Nederlandse omgeving. Omdat vakgebieden zich verder ontwikkelen in de wetenschap moeten we dat ook vertalen naar de Nederlandse taal met nieuwe woorden en nieuwe begrippen, dat vinden wij heel belangrijk. Op die manier kunnen wij de wetenschappelijke ontwikkelingen ook communiceren en bediscussiëren met onze omgeving. Ook dat zie ik als een belangrijke opdracht van een universiteit.”

Een andere inspreker, Anette de Groot die onlangs haar afscheidscollege had gegeven over verengelsing van het hoger onderwijs wilde een drastische herbezinning. “Er moet een moratorium komen op het aanbieden van geheel Engelstalige opleidingen. Deze tijdelijke stop moeten we gebruiken om met z’n allen te achterhalen wat we verliezen als we deze verengelsing doorzetten. Ik ben niet tegen Engels in het onderwijs, maar wel tegen volledige Engelse opleidingen.”

In hoeverre is verengelsing een zaak van de politiek?

Tot slot was het woord aan de secretaris van de TaalUnie, Hans Bennis die beide ministers moet adviseren over het taalbeleid. “Wat ik hier vandaag gehoord heb is de vraag in hoeverre de politiek aan zet is in deze kwestie. Je hoort weleens van de universiteiten dat taal een kwestie is die overgelaten moet worden aan de universiteiten zelf. Dat gevoel bekruipt mij ook als ik de heer Duisenberg hoor spreken. Hij heeft als voorzitter van de VSNU een belangrijke stem in dit debat.”

Ondanks zijn belangrijke stem had Bennis een weinig evenwichtig verhaal gehoord van de voorman van de universiteiten. “Duisenberg is niet een voorbeeld van iemand met een evenwichtige visie op het taalbeleid. Hij pleit alleen maar voor een kant van de zaak, terwijl ik bij de rest van de mensen een bepaalde bezorgdheid heb geconstateerd over het feit dat het Engels zo oprukt. De vraag is en daar moeten wij ook met de ministers over praten, in hoeverre dit voor de politiek een zaak is om iets mee te gaan doen. Of kan de politiek dit overlaten aan de universiteiten zelf, zonder daar een kader voor te verschaffen.”

Bennis had die ochtend met minister Van Engelshoven gesproken en hij had van haar ook een opdracht meegekregen. “Ik heb vanochtend met de minister gesproken over dit onderwerp en dit gaat haar zeer aan het hart. Zij drukte mij op het hart om vooral een goed verslag te doen van deze middag. De minister wil graag dat dit ingebracht wordt in het comité van ministers op 12 december, want dan staat dit thema prominent op de agenda.”

De hoogste baas van de TaalUnie benadrukte dat het uiteindelijk wel een zaak van de politiek zal zijn. Het argument dat verengelsing nodig is voor de kwaliteit van het onderwijs vond de secretaris in ieder geval niet steekhoudend. “Het feit is wel dat de snelheid waarmee het Engels oprukt in ons hoger onderwijs extreem hoog is. Je zou toch denken dat de kwaliteit van het hoger onderwijs wel heel treurig was toen we nog niet zo internationaal waren. De motivatie achter verengelsing is er nog niet. Van de International Classroom is nog niet bewezen dat dit leidt tot een verbetering van de kwaliteit.”

“We kunnen wel concluderen dat er Engelstalig onderwijs op academisch niveau een gegeven is, daar hoeven we ook niet aan te tornen. Het gaat er wel om hoe wegen we dat af en hoe zet je het Engels in en hoe niet. Dat vraagt om een zorgvuldig taalbeleid en de parameters voor een dergelijk taalbeleid zijn tot nu toe nog niet duidelijk.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«