Geen harde sancties schending integriteitscode

Een eerste inzage in de nieuwe code wetenschappelijke integriteit

Analyse | door Ingeborg van der Ven
9 januari 2018 | De conceptversie van de nieuwe code wetenschappelijke integriteit laat zien dat het niet lukt om harde sancties op te leggen voor de schending van wetenschappelijke integriteit. Verschillende partijen worden op dit moment geconsulteerd om zo te komen tot een definitieve versie. ScienceGuide vergeleek de versie uit 2004 met het voorliggende concept.
Afbeelding Edward Lich

Onder andere mede-initiatiefnemer van Science in Transition Huub Dijstelbloem en oud rector van de VU Lex Bouter initieerden in 2016 de herziening van de code. De uiteindelijke commissie van auteurs bestaat naast lector Daan Andriessen uit acht hoogleraren verbonden aan de Universiteit Utrecht, de VU en TU Delft. De consultatieversie ligt momenteel voor bij de verschillende partijen die betrokken zijn. Duidelijk is dat vooral (harde) sancties en de handhaving van de code controversiële punten zijn geweest bij de totstandkoming van de code.

Onafhankelijkheid en financiers

De nieuwe code heeft een bredere reikwijdte en draagvlak, in tegenstelling tot de code uit 2004 is deze code namelijk van toepassing op fundamenteel, toepasbaar en praktijkgericht onderzoek. Daan Andriessen, lid van de commissie, gaf een paar weken geleden aan welke thema’s vanuit het praktijkgericht onderzoek in de herziening aandacht krijgen. Zo zag Andriessen de volgende passage uit de oude code graag anders. ‘De wetenschapsbeoefenaar is zich ervan bewust dat hij de middelen en faciliteiten krijgt wetenschappelijk onderzoek te doen en daarin vrije keuzes te maken. Die keuzes legt hij naar beste eer en geweten uit.’ (p. 11 huidige code).

Met name in het praktijkgericht onderzoek bestaat volgens Andriessen een spanningsveld, bijvoorbeeld bij contractonderzoek, omdat er sprake is van een financiële afhankelijkheidsrelatie met een externe opdrachtgever. De onafhankelijkheid van de wetenschapper en het spanningsveld met opdrachtgevers en financiers heeft dan ook extra aandacht gekregen in de nieuwe versie van de code. Ook zijn de richtlijnen rondom dit thema specifieker en concreter gemaakt. Zo is rondom de uitvoering van onderzoek de volgende richtlijn opgenomen. “Vermijd dat de beoordeling van de data, de keuze van de onderzoeksmethode en de weging van mogelijke verklaringen worden beïnvloed door buiten-wetenschappelijke argumenten of voorkeuren (commercieel, politiek, levensbeschouwelijk, persoonlijk).”

Het is opvallend dat andere principes, die net als onafhankelijkheid een rol speelde in de code van 2004, niet in deze bewoordingen terugkomen in de nieuwe versie. Het gaat hierbij om de principes betrouwbaarheid, controleerbaarheid en onpartijdigheid. De begrippen komen in de code wel terug als onderdeel van verschillende richtlijnen. Maar ze worden niet langer als leidende principes gezien. De principes eerlijkheid, zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid worden wel genoemd als principes voor een integere wetenschap.

Gemiste kans voor open science

De replicatiecrisis wordt momenteel door velen gezien als een van de grootste gevaren voor het wetenschapsbedrijf. In het oorspronkelijke advies voor herziening van de code werd hierover uitgebreid en met klare taal gesproken. “Het lijkt beter hier in meer algemene termen over transparantie te spreken: controle op en replicatie van alle stappen van het onderzoeksproces moet in principe mogelijk zijn. ‘In principe’ betekent niet altijd: de facto.” Een opmerking die wijst op de enorme uitdaging om onderzoek überhaupt repliceerbaar te maken.

Lees ook: het interview met Brian Nosek over de replicatiecrisis.

Alhoewel niet iedereen overtuigd is dat open science het wondermiddel is om de replicatiecrisis te lijf te gaan wordt het in algemene zin wel gezien als een stap in de goede richting. In het Nationaal plan open science worden verregaande voorstellen gedaan maar toch is de nieuwe code op dit punt mild geformuleerd en beperkt tot algemene richtlijnen over data beheer. “Als delen van het onderzoek of van de data niet toegankelijk kunnen worden gemaakt, dienen daarvoor steekhoudende redenen gegeven te worden.” In vergelijking met 2004 is het een verbetering dat data beheer nu apart is opgenomen. De richtlijnen blijven echter op de oppervlakte. Zo wordt er niet duidelijk gemaakt wat de steekhoudende argumenten zijn voor het niet delen van data dan precies zijn en wanneer data wel of niet toegankelijk is.

 

Heldere sancties blijven uit

Hoe deze nieuwe code de handhaving op dergelijke punten voorziet wordt niet expliciet gemaakt. In de preambule is te lezen dat er met name gekozen is voor een heldere formulering van richtlijnen per onderzoeksfase en daarnaast worden suggesties voor sancties gedaan. Hiermee kan de code mogelijk meer slagkracht krijgen dan de vorige maar het wordt in het midden gelaten wie de sanctionerende partij is. “De sancties dienen passend en proportioneel te zijn en staan los van mogelijke andere sancties zoals strafrechtelijke, tuchtrechtelijke of (andere) bestuursrechtelijke sancties.”

In de nieuwe code is wel aangegeven in welke gradatie een overtreding kan plaatsvinden. Aan de hand van een lijst van kwalificaties – zoals de gevolgen van de overtreding voor de individu of de maatschappij of de senioriteit van de wetenschapper – kunnen er drie typen overtredingen worden waargenomen. Een schending van de wetenschappelijke integriteit; een schadelijke onderzoekspraktijk of een tekortkoming in de onderzoekspraktijk.

De lijst met sancties die is opgenomen in de code, en die tot nu toe ontbraken, blijven echter een suggestie. “Als een overschrijding is komen vast te staan, kunnen onder andere een of meer van de volgende sancties worden opgelegd.” Zo kan een wetenschapper die een misstap rekenen op een van de volgende respressailles, ‘retractie van wetenschappelijke publicaties, schorsing, ontslag of demotie van de onderzoeker’. Ook is niet gespecificeerd hoe een bepaalde overtreding in verhouding staat met een sanctie.

De wetenschap is een omgeving waarin vrijheid, academische vrijheid, van groot belang is. Als gevolg hiervan zijn er veel grijze gebieden rondom integriteit die instellingen de ruimte moeten geven naar eigen inzicht te handelen. Om deze grijze gebieden in te kleuren zijn er in de nieuwe code ‘voorbeelden’ van onwenselijk gedrag opgenomen. Hierbij is per overtreding aangegeven welke richtlijn in het geding is en om welke zwaarte het gaat. De relatie tussen de voorbeelden en de richtlijnen zijn echter zeer arbitrair. Men kan zich voorstellen dat de afweging per instelling, per afdeling en per functionaris anders gemaakt wordt.

Ook de uitvoering en handhaving van deze nieuwe code en richtlijnen blijft onduidelijk. “Zorg voor een onderzoekscultuur waarin onderzoekers elkaar aanspreken op de richtlijnen voor verantwoorde onderzoekspraktijken en bij een redelijk vermoeden van overschrijding van die richtlijnen bereid zijn dit te melden bij de relevante instantie binnen de eigen instelling (zoals een Commissie Wetenschappelijke Integriteit of een vertrouwenspersoon).” Zo luidt de oproep aan onderwijsinstellingen. Het is dus onduidelijk wie er verantwoordelijk is voor het daadwerkelijk monitoren van de richtlijnen.

Cultuur

Naast het hoofstuk met richtlijnen voor de fasen van onderzoek doen is er een passage opgenomen met meer ‘ zachte’ bepalingen gericht op de zorgplicht van de hoger onderwijs instellingen waaraan het onderzoek wordt uitgevoerd. Deze zorgplicht betreft de verschillende personen uit de lagen van de organisatie. Deze zijn expliciet niet gekoppeld aan sancties. De bepalingen over de zorgplicht van en binnen organisaties zijn opgesteld om een cultuur en omgeving te bevorderen waarbinnen wetenschappers zelf de richtlijnen zullen handhaven.

Een voorbeeld van bepalingen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen zijn: “Zorg voor passende preventieve maatregelen om overschrijding van de richtlijnen te voorkomen, zoals interne audits, plagiaatcontrole, toezicht op de kwaliteit en intensiteit van de begeleiding van promovendi en junior-onderzoekers, en toezicht op de samenstelling van promotiecommissies.”

Wat mist in dit hoofdstuk zijn bepalingen die een open cultuur bevorderen. Hetgeen volgens verschillende wetenschappers nodig is om weer een open en kritisch debat te kunnen voeren over de wetenschap. Zo noemde Lex Bouter, auteur van de nieuwe code, in 2016 het belang van een open cultuur als volgt. “Het is belangrijk dat er een open cultuur bestaat in onderzoeksgroepen en de machtsverhoudingen in de academie staan die cultuur soms in de weg. Wordt er bijvoorbeeld getutoyeerd in een groep? Laat de leidinggevende ruimte voor tegenspraak, en belangrijker, spoort deze het ook aan?”. Deze slag wordt in de integriteitscode vooralsnog niet gemaakt.

Heilige meester-gezel relatie 

De grote afhankelijkheden die er binnen de academie bestaan zijn op ditmoment onderwerp van verschillende discussies rondom het personeelsbeleid aan universiteiten. De academische vrijheid betekent niet langer dat je je als hoogleraar kan ontrekken van verantwoordelijkheden. Onder andere binnen het promovendidiscours spreken wetenschappers zich uit over de nodige verandering in de academische cultuur, niet alleen ten bate van de groep promovendi maar des te meer voor de kwaliteit van de wetenschap.

Ook in het artikel “Onacceptabel, al ben je de koning van de afdeling!” spreken onder andere Marijtje Jongsma van de VAWO, en verschillende rectoren waaronder Carel Stolker zich duidelijk uit over de academische vrijheid, de grenzen hier aan en het belang van de balans tussen vrijheid en leiderschap.

De herziening van de integriteitscode is dan ook het aangewezen moment om de verantwoordelijkheid van hoogleraren binnen de wetenschap expliciet te maken. Hoe groot is dan de verbazing om te moeten vaststellen dat de duidelijke formulering uit 2004 Zo stond in de code van 2004 het belang van goed mentorschap vermeld: “Goed mentorschap is essentieel: een student, een promovendus en een juniormedewerker bevinden zich in een hiërarchisch ondergeschikte positie. De verantwoordelijkheden van personen betrokken bij onderwijs en onderzoek zijn binnen de instelling duidelijk omschreven en worden nageleefd.” over de rol tussen promovendus en promotor, een veel besproken relatie, niet meer terugkomt.

Wat rest is een zin in het hoofdstuk over de zorgplicht van instellingen. “Zorg dat begeleiding van promovendi en junioronderzoekers plaatsvindt door senior- onderzoekers met de juiste competenties.” Er is in de code niet opgenomen wat precies de definitie is van een senior- onderzoeker of wat deze ‘juiste’ competenties dan zijn.

De code sluit af met een lange lijst van voorbeelden van overtredingen. Deze lijst geeft een beeld bij de droge richtlijnen. Ook in dit hoofdstuk is geen ruimte voor een formulering van goed mentorschap. Het zijn met name de promovendi zelf die in deze voorbeelden misstanden begaan.

De stap naar een concreter en slagvaardiger document als richtlijn voor een integere wetenschap is slechts gezet in de breedte. Alhoewel het verbreden naar ook praktijk gericht onderzoek, en het aanstippen van thema’s zoals sancties, zorgplicht en cultuur – in vergelijking met 2004 – een stap voorwaarts te noemen is. Toch ligt er naar aanleiding van verscheidene ontwikkelingen in die dertien jaar al een grotere verwachting wat betreft heldere en duidelijke sancties, richtlijnen voor een open cultuur en de verantwoordelijkheid van de hoogleraar. Deze verwachting is (nog) niet waar gemaakt.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«