“Ook een ‘no deal’ is mogelijk”

Hoofdonderhandelaar van de VSNU Koen Becking houdt alle opties open in nieuwe ronde onderhandelingen.

Interview | door Sicco de Knecht
31 januari 2018 | In 2015 kwamen de uitgevers en de Nederlandse universiteiten tot de eerste deals over open access. Eind 2018 lopen deze deals af en dus maakt het onderhandelingsteam van de VSNU zich op voor de volgende ronde. “We trekken daarbij samen op met Duitsland,” vertelt Koen Becking voorzitter van het CvB van Tilburg University en lid van het onderhandelingsteam van de VSNU.
Koen Becking – Foto: ScienceGuide

Afgelopen december stelde de VSNU een nieuw team samen om de volgende ronde onderhandelingen mee in te gaan. Hierin hebben Tim van der Hagen (TU Delft), Anton Pijpers (Universiteit Utrecht) en Koen Becking (Tilburg University) zitting genomen. Met Becking, die als lid van het vorige onderhandelingsteam de allereerste open access deal met Springer sloot, bespreken we de voortgang en blikken we vooruit op de mogelijke uitkomsten van de onderhandelingen.

“We are prepared for a ‘no deal'”

De deal die de Nederlandse universiteiten eerder sloten met de uitgevers was in internationaal opzicht een belangrijke eerste stap richting open access. Onderhandelingsteams uit de hele wereld hebben dan ook geleerd van de Nederlandse aanpak: samen uit, samen thuis. De ontwikkelingen in buurland Duitsland laten zien dat het menens is. Becking is ditmaal de hoofdonderhandelaar en kan al een tipje van de sluier oplichten: “Wij trekken in deze ronde nadrukkelijk samen op met onze Duitse collega’s.”

Erop of eronder voor de uitgevers

Becking is helder, het is voor de uitgevers in deze ronde erop of eronder. “Als we niet meer open access krijgen voor minder geld, dan komt er geen deal.” Dat is ook de houding van het Duitse Projekt DEAL Projekt DEAL is een initiatief van samenwerkende Duitse hoger onderwijsinstellingen dat valt onder het Hochschulrectorenconferenz, een evenknie van de VSNU. Het initiatief is gestart om tot betere overeenkomsten te komen met uitgevers op het gebied van open access. project geweest en Nederland zal daarin volgen als dat nodig blijkt.

Duitsers zeggen Elsevier de wacht aan.

Ook op Europees niveau vinden de verschillende landen onderling steeds meer aansluiting. “Een van de belangrijkste voordelen van de uitgevers was natuurlijk dat zij als enige alle informatie hadden over de contracten,” licht Becking toe, “maar die situatie verandert nu in rap tempo.” Binnen de bredere Europese samenwerking delen landen nu met elkaar welke afspraken zij hebben gemaakt met de uitgevers, en niet onbelangrijk, welke kosten daarmee gepaard gaan.

Deze openheid betekent ook dat landen en instellingen die dachten een goede ‘deal’ te hebben de deksel op hun neus kregen: in werkelijkheid betalen sommige instellingen vele malen meer dan hun buitenlandse evenknie. Onlangs nog leidde een WOB-verzoek van de Zwitser Christian Gutknecht tot onrust in Zwitserland. Dat land bleek in totaal 70 miljoen Zwitserse franc (iets meer dan € 60 miljoen) te betalen voor abonnementen waar andere landen de helft of minder voor betaalden.

Breed draagvlak

“Uiteindelijk is full open access het doel, en we willen, net als Duitsland, alleen nog maar betalen voor output.” Full open access wordt volgens Becking steeds breder gedragen, niet alleen door universiteiten maar ook door grote beursverstrekkers in Nederland en in Europa. “Iedereen is er nu van overtuigd dat dit de goede weg is.” Ook uit de geluiden binnen zijn eigen instelling maakt hij op dat er veel steun is voor deze agenda. “Het is heel belangrijk dat onderzoekers hier achter staan en snappen waar wij mee bezig zijn.”

Om dit draagvlak te behouden vindt Becking het belangrijk om open te zijn over de doelen en aanpak voor deze ronde onderhandelingen. “Zo kan ik vertellen dat wij in deze ronde nadrukkelijk samen op zullen trekken met onze Duitse collega’s.” De Nederlandse onderhandelaars hebben uiteraard met interesse naar de ontwikkelingen bij de Oosterburen gekeken, en vice versa. “Wat zij slim hebben gedaan is dat ze met een heel stevig mandaat op pad zijn gegaan. Ze spreken namens alle instellingen met een mond, net als wij.”

“Als we niet meer open access krijgen voor minder geld, dan komt er geen deal.”

Dat is volgens Becking ook de enige weg tot succes. “Als we iets willen bereiken dan moeten we eigenaarschap tonen, tot op het hoogste niveau.” Dat is ook de boodschap die Becking internationaal uitdraagt. Zo was hij vorige week nog in Parijs bij de Franse evenknie van SURF: Couperin, om deze boodschap uit te dragen. “Daar hoor je ook dat de actie van de Duitsers, de boycot, internationaal veel losmaakt.”

Universiteiten onderhandelen samen, uitgevers apart

“Half februari komt de VSNU met een roadmap open access waarin staat waar we in 2020 uit willen komen,” vertelt Becking. Inmiddels zijn er gesprekken geopend met een aantal uitgevers. “Vanuit de VSNU richten wij ons met name op de grote uitgevers die samen 70% van de markt bedienen, maar ook de gesprekken met de kleinere uitgevers worden door ons gecoördineerd.” Opvallend is dat waar de uitgevers in de vorige ronde nog veel samen optrokken, zij ditmaal individueel verder gaan.

Onze insteek is helder, wij willen open access voor minder geld.” Momenteel lopen de eerste onderhandelingen met onder andere Taylor & Francis, Kluwers, Royal Society of Chemistry en Springer. Bekend is dat de inzet van Springer botst met die van de universiteiten. De uitgever wil naar verluidt juist meer geld zien voor meer open access. “Op het gebied van open access is Springer een voorloper, wat aan te moedigen is. Maar ons uitgangspunt blijft dat artikelen snel open beschikbaar moeten zijn.”

Afgelopen mei werd bekend gemaakt dat de onderhandelingen van de VSNU met Oxford University Press (OUP) niet tot een overeenkomst hadden geleid. “Ook die gesprekken zijn inmiddels hervat,” vertelt Becking, “en in maart starten we conform planning met de gesprekken met Elsevier.” Het wordt dus een druk jaar met veel onderhandelingen.

Alternatieven serieus overwegen

“Het is ook eigenlijk een discussie van vroeger,” stelt Becking die constateert dat het hele veld in beweging is gekomen. “We moeten allang niet meer praten over uitgevers, maar meer over platforms.” In het verlengde van die gedachte is een herijking van de taak van wetenschappers nodig. “Het is niet de taak van een wetenschapper om ‘te publiceren’ maar veel meer om te doen aan disseminatie van kennis. Dat is de dure plicht van een wetenschapper, inclusief het delen van data.”

"Uiteindelijk blijft het allemaal belastinggeld."

In dat licht neemt Becking twee ‘take home messages’ mee uit de gesprekken in Parijs: “We moeten meer en beter communiceren over onze doelen. En we moeten serieus de alternatieven gaan bestuderen en daarin investeren.” De tijd van het mondeling belijden van open acces is wat hem betreft voorbij. “Het geld dat we nu besparen op open access, bijvoorbeeld door geen contract te hebben met OUP, zetten we opzij om te investeren in alternatieven.”

Die alternatieven beginnen concrete vormen aan te nemen. “Wij hebben al de gedachte geopperd om een grote repository Een repository is een centrale structuur, bijvoorbeeld een groep van databases, waar verschillende type data en bestanden kunnen worden opgeslagen. Denk aan onderzoeksdata, software voor analyse en ook artikelen. voor heel Nederland op te richten, in plaats van aparte afgeschermde omgevingen per instelling.” Het organiseren van zo’n centrale locatie waar belangrijke data en artikelen opgeslagen en gedeeld kunnen worden zou wat Becking betreft goed passen in de publieke doelstelling van bijvoorbeeld NWO of SURF. “Uiteindelijk blijft het allemaal belastinggeld dat we investeren namens de maatschappij, en dat moet hen ook ten goede komen.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«