Actieplan nodig voor studeren met beperking

Uitstellen van BSA voor student met functiebeperking niet de bedoeling.

Verslag | door Ingeborg van der Ven
13 februari 2018 | Drie onderwijsinstellingen tekenden in januari een intentieverklaring voor inclusief onderwijs. Een goed begin, maar volgens handicap + studie, LSVb en ISO is er een landelijk actieplan nodig om studeren met een functiebeperking vanzelfsprekend te maken.

Op 25 januari ondertekenden NHL Stenden, de Vrije Universiteit en de Universiteit Leiden een intentieverklaring ter bevordering van de implementatie van het VN Verdrag Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is op 14 juli 2016 in Nederland in werking getreden. Het doel van het verdrag is om de positie van mensen met een beperking te verbeteren. Het verdrag bepaalt dat mensen met een beperking op het gebied van wonen, onderwijs, vervoer, werk en een aantal andere terrein gelijke rechten moeten krijgen en gaat uit van inclusie, persoonlijke autonomie en volledige participatie. inzake de Rechten van personen met een handicap. De ondertekening vond plaats op het kantoor van de Vereniging Hogescholen. De koepel organiseerde tevens begin februari een conferentie rondom het thema Student en Welzijn. Welke uitdagingen liggen er anno 2018 voor het inclusieve hoger onderwijs?

Voorlichting is belangrijk

Naast het commitment aan de top, dat onder andere gerealiseerd kan worden door het tekenen van verdragen, is het volgens Marian de Groot, directeur van handicap + studie van belang dat de voorlichting op orde is. “De voorlichting en informatievoorziening van hoger onderwijsinstellingen moet zodanig vorm worden gegeven dat studenten met een beperking zich welkom voelen en waar nodig zelf tijdig kenbaar maken dat ze extra ondersteuning, voorzieningen en/of aanpassingen nodig hebben.”

Handicap + studie begeleidde op de conferentie voor hogescholen vier workshops, waarmee de aanwezigen – leden van examencommissies, studentdecanen, beleidsmedewerkers en studie- loopbaanbegeleiders – handvatten kregen om beleid en uitvoering zo in te richten dat alle studenten zich welkom voelen. “Inclusie is het uitgangspunt, diversiteit van studenten de norm. Het vraagt om visie en instellingsbeleid en niet meer/minder om individuele aanpassingen en voorzieningen.” legt De Groot uit.

“Een goede begeleidingsstructuur is daarbij cruciaal. In de voorlichting moet duidelijke informatie gegeven worden over die structuur: bij wie kun je terecht?” vervolgt De Groot. Alle deelnemers aan de conferentie beamen dat bestuurders vaak het beeld hebben dat de organisatie alles op orde heeft om een inclusieve instelling te zijn maar dat dit beeld wellicht te rooskleurig is.

De verschillende beleidsmedewerkers en decanen vinden bij elkaar bijval in de zoektocht naar verbeteringen. Met name op de flexibiliteit van onderwijs en het mogelijk maken van flexibele onderwijsroutes is nog veel winst te behalen. Er zijn al hogescholen die vertraagde trajecten aanbieden. Bijvoorbeeld voor studenten met concentratieproblemen kan het een oplossing zijn om minder vakken tegelijkertijd te volgen. “Dit vraagt ook om commitment aan de top. Een belangrijke trigger voor hen is onderwijskwaliteit. Aandacht voor inclusie in de accreditatie zou helpen.” Aldus Marian de Groot.

Den Haag moet stappen zetten

Uit onderzoek dat in 2012 in in opdracht van het ministerie van OCW ResearchNed/ITS Nijmegen Studeren met een functiebeperking 2012 in opdracht van het Ministerie van OCW (Van den Broek et al.) zie Pdf onderaan is uitgevoerd blijkt dat drie op de tien studenten een functiebeperking heeft. De meest voorkomende beperkingen zijn dyslexie, migraine, longproblemen en chronische vermoeidheid. “Bij deze cijfers is het goed om te benoemen dat het aantal studenten met psychische klachten in de afgelopen jaren is toegenomen.” legt Marian de Groot uit.

Verschillende onderzoeken ondersteunen deze uitspraak. Zo bleek in 2016 uit onderzoek van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO), dat werd uitgevoerd met het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), dat er niet genoeg psychologen zijn voor studenten in het hoger onderwijs. De resultaten van het onderzoek toonden aan dat de wachttijden omhoog gaan terwijl de behoefte aan psychische hulp onder studenten groeit.

Hier gaat het met name om beperkingen die niet zichtbaar zijn en daarom is het volgens handicap + studie van groot belang dat hoger onderwijsinstellingen actief beleid voeren om het onderwijs inclusief te laten zijn. Een andere stimulans voor instellingen is dat studeren met een functiebeperking is opgenomen in de Instellingstoets kwaliteitszorg.

“Daarnaast zijn ook aandacht en eventueel middelen nodig van het ministerie en van de bestuurders van de hoger onderwijsinstellingen. De bijeenkomst van de VH was bedoeld voor mensen die in de uitvoering te maken hebben met studenten met een beperking. Daarnaast dient het ook geagendeerd te worden bij beleidsmakers en bestuurders.” In samenwerking met LSVb en ISO pleit De Groot dan ook voor een landelijk actieplan voorlichting & informatievoorziening en begeleiding.

Aangehouden studieadvies is onrechtmatig

Een voorbeeld van de effecten van niet eenduidig en gelijk beleid komt tijdens de workshop van De Groot ter sprake. Het bindend studieadvies (BSA) wordt soms uitgesteld als er voor een student met een beperking aanvullende faciliteiten nodig zijn. Daardoor kan de situatie ontstaan waarin de student op het moment van het reguliere studieadvies door kan met de studie maar op een later moment toch een negatief bindend studieadvies krijgt.

Marian de Groot wijst op een Kamerbrief uit 2016 van toenmalig minister Bussemaker. In reactie op Kamervragen van het lid Mohandis (PvdA) legt Bussemaker uit: “Doel van het studieadvies zoals neergelegd in artikel 7.8b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is om in een vroeg stadium vast te stellen dat een student niet geschikt is voor de opleiding, zodat hij zich eventueel kan oriënteren op een andere studie.” Het probleem ligt hem dus in het vroegtijd vaststellen.

“Naast deze adviesplicht hebben de instellingen de bevoegdheid – en dus geen plicht – om aan het studieadvies een afwijzing te verbinden. Dit is het bindend studieadvies (BSA). Als een instelling gebruikmaakt van deze bevoegdheid om een student af te wijzen, dan moet zij dit altijd doen tegelijk met het studieadvies,” zo gaat Bussemaker verder. En hier gaat het soms mis bevestigt De Groot. Studenten krijgen te maken met een uitgesteld studieadvies dat dan, zelfs in het tweede jaar nog, kan leiden tot een negatief BSA.

Hierover is de minister in de Kamerbrief duidelijk: ‘Er kan maar éénmaal een studieadvies worden uitgebracht, waaraan een afwijzing kan worden verbonden. Het is in strijd met de wet als aan een tweede studieadvies een afwijzing wordt verbonden, behoudens gevallen waarin bijzondere omstandigheden een rol spelen.’

Deze bijzondere omstandigheden zijn in de brief gespecifieerd, maar hebben geen betrekking op een functiebeperking. De minister specificeert dat ook voor studenten met persoonlijke omstandigheden geldt dat het niet de bedoeling is dat het studieadvies wordt aangehouden. “Ook in deze gevallen mag aan studenten altijd maximaal één keer een bindend studieadvies worden gegeven in de propedeutische fase.”

Literatuurverwijzingen


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide maakt gebruik van cookies

Klik op OK om hiermee akkoord te gaan

OK