Stille ramp aan de basis van het mbo

Verslag | de redactie
2 februari 2018 | “De discussie over de doorstroom beperkt zich heel erg tot de doorstroom mbo-hbo. Maar aan de onderkant voltrekt zich ondertussen in stilte een drama.” Tijdens het afsluitende debat van de mbo middag werden harde noten gekraakt. Onder andere over de doorstroom maar ook over de permanente reorganisatie van het mbo en de rol die het onderzoek in het mbo zou moeten spelen.
mbo debat tim cardol

In het slotdebat van het congres over het mbo bij Inholland in Amsterdam lieten Ellen Klatter (Hogeschool Rotterdam), Marc van der Meer (Tilburg University) en Jorick Scheerens (Ieder mbo een Practoraat) hun licht schijnen over de laatste ontwikkelingen en discussies in het beroepsonderwijs. Centraal stond de vraag wat de positie van het mbo is in het maatschappelijke debat over onderwijs.

Permanente reorganisatie in het mbo

Marc van der Meer mocht de aftrap in het debat geven. Terugblikkend op de hoorzitting over het mbo die afgelopen november in de Tweede Kamer werd gehouden, hield hij de zaal de volgende bespiegeling voor: “Het ging bij dat rondetafelgesprek heel erg over hoe het mbo zich kan vernieuwen en kan aanpassen. Ik heb daarop de bal teruggelegd bij de Kamerleden en gesteld dat er sprake is van een soort permanente reorganisatie van het mbo.”

Volgens hem realiseerden de Kamerleden zich dat dit gegeven an sich er ook toe leidt dat er juist heel weinig ontwikkelingsruimte is voor professionals in het mbo. Als voorbeeld gaf Van der Meer de Wet Toelatingsrecht die afgelopen augustus in werking trad. Wat hem betreft is die wet een goed voorbeeld van de incidentpolitiek die wordt bedreven omtrent het mbo. “Er zijn altijd incidenten, dat is inherent aan een risicosamenleving.” Als ander voorbeeld gaf hij de overdreven regelgeving rond kwalificatiestructuur. “We hadden keuzeruimte, maar inmiddels is die keuzeruimte al weer helemaal ingevuld met verplichte keuzes. Dat voelt als kramp.”

Wat betreft de positie van het mbo in het publieke debat was Van der Meer licht positief. “Ik ben in ieder geval blij te horen dat minister Van Engelshoven positief is over het mbo.” En wat betreft de verhouding van het mbo ten opzichte van de andere sectoren zag Van der Meer een duidelijk punt van overlap. “De discussie vanuit #poinactie over werkdruk, die zichzelf ook al heeft vertaald naar #woinactie, die is voor het mbo net zo relevant.” Geluiden uit de voorafgaande werkgroepen bestendigden dit beeld, net als in andere delen van het onderwijs was daar de zorg dat ontwikkelen erg lastig is als je altijd achter de feiten aan blijft lopen door te hoge werkdruk.

 

De debaters praten na afloop nog even na. Foto - ScienceGuide

Doorstroom in de beroepskolom

Heet hangijzer in het publieke en politieke debat is de doorstroom in de beroepskolom, dit onderwerp kwam dan ook uitgebreid aan bod. Op dat terrein ontbreekt er volgens lector Jeroen Onstenk (Inholland) eigenlijk nog een belangrijk aspect in de discussie. “De discussie over de doorstroom beperkt zich heel erg tot de doorstroom mbo-hbo. Maar aan de onderkant voltrekt zich ondertussen in stilte een drama bij de doorstroom van niveau 1 naar 2, en vooral van 2 naar 3 en 4.”

Vanuit het lectoraat Versterking beroepsonderwijs kon lector Ellen Klatter (Hogeschool Rotterdam) bijspringen. Zij doet zelf onderzoek naar de werkzame elementen van twee trajecten die inzetten op een verkorte beroepsroute, maar heeft haar oren ook te luisteren gelegd bij andere trajecten. “In het groene onderwijs zijn al hele goede resultaten bereikt wat betreft de doorstroom. Jongeren worden sneller opgeleid, krijgen sneller een baan en vinden beter een plek op het hbo. Dat is door de dienstdoende ambtenaar op het ministerie eigenlijk een beetje weggepoetst.”

“Het komt slecht uit voor het havo-systeem, en havo’s zijn er niet blij mee als dit in de aandacht gebracht wordt.” Hoewel deze stelling door enkelen in de zaal achteraf werd bestreden bleef voor Klatter een vraag staan: “voor wie zijn wij nu eigenlijk bezig als onderwijssysteem?” Het belang van de leerling en maatschappelijke vooruitgang moeten volgens haar voorop staan.

Practoraten

Tijdens de discussie werd ook stilgestaan bij de ontwikkeling van het onderzoek in het mbo. Jorick Scheerens van de stichting Ieder mbo een practoraat lichtte nog een keer toe wat de aanleiding was voor de practoraten. “Als ik mijzelf als voorbeeld neem vertelde ik mensen steeds dat het gebruik van sociale media voor het onderwijs een enorme toevoeging was: je lessen worden er leuker van, er komt meer doorstroom.”

“Die uitspraak kon ik alleen niet onderbouwen met onderzoek en een collega wees me erop dat dit dus een voorbeeld is van wat lectoraten in het hbo doen.” Zo werd het eerste practoraat geboren en inmiddels zijn er in totaal al 17 practoraten in heel Nederland. Als grootste succesfactor van de practoraten wijst Scheerens het delen van kennis aan als belangrijkste. “Andere onderzoekers zijn ook altijd heel erg verbaasd over de mate waarin wij onze data en bevindingen delen, maar volgens mij is dat de kern van wat onderzoek moet zijn.” 

 

De waarde van een doctorstitel

Op het punt van het eerste practoraat werd Scheerens nog even kort gecorrigeerd door zijn voorganger Niek van den Berg, inmiddels lector bij Aeres Hogeschool Wageningen. “Er hebben lectoren in het mbo bestaan,” Van den Berg was er namelijk eentje in het verleden.

Op een van de plekken waar zij zelf nog actief is, bij het Deltion college, constateren Van den Berg en haar collega dat er steeds meer masteropgeleide docenten in het mbo komen. “De vraag is alleen: wat gaan we daarmee doen?”, werd er gegrapt, maar het antwoord volgde snel “wat nu goed werkt is dat opleidingscoördinatoren bijvoorbeeld een onderwijskundige vraag neerleggen bij iemand uit het netwerk die daar vervolgens dan ook de ruimte voor heeft om dat te onderzoeken.”

De nadruk op masteropgeleid zijn, of zelfs gepromoveerd moeten zijn voor een onderzoeksfunctie op mbo en hbo schieten volgens sommigen wel te ver door. “Het leven lang leren brengt toch met zich mee dat we van iedereen maar vragen om steeds hoger gekwalificeerd te zijn, maar is dat wel nodig?”, vroeg een promovenda vanuit de zaal.

Volgens Onstenk slaat de cultuur nu al snel om naar een situatie die misschien wel helemaal niet wenselijk is. “Dat draagt misschien wel bij aan een onderzoekende cultuur, maar tegelijkertijd zit er misschien wel een valkuil. Daarmee zit je namelijk ook weer in die officiële en zeer hiërarchische lijn.” Volgens Onstenk is dat dus per definitie het niet meest zinvolle frame. “Het gaat er in het mbo vooral om of mensen dat wat uit onderzoek komt ook weer toe kunnen passen in het onderwijs.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«