NRO wil versnippering van onderzoek juist tegengaan

Opinie | door Jelle Kaldewaij
29 maart 2018 | Kort geleden betoogden Marc van der Meer en Ellen Verheijen in een behartenswaardig artikel over de behoefte om de kennisinfrastructuur in het beroepsonderwijs te versterken. Daarin werd de suggestie gewekt dat het NRO versnippering in de hand zou werken. Hier wil ik graag op reageren vanuit twee perspectieven: 1) effecten van het uitzetten van calls in competitie, en 2) maatregelen om versnippering tegen te gaan.
Foto: BeJan

Van der Meer en Verheijen signaleren onder andere een afkalving van het aantal leerstoelen dat specifiek het mbo betreft – al is er nog wel een bijzondere leerstoel aan de Open Universiteit ‘Leeromgeving en leerloopbanen in het vmbo en mbo’ die bezet wordt door Marinka Kuijpers. Ook zij wijzen op (dreigende) versnippering. In dit verband wordt ook het NRO genoemd die door calls in competitie uit te zetten deze versnippering zou bevorderen. Dit terwijl het NRO tegelijkertijd allerhande waarborgen en activiteiten heeft ingericht om bestaande kennis uit onderzoek te laten gebruiken in nieuw op te zetten onderzoek en in de onderwijspraktijk.

Calls in competitie 

Door calls in competitie uit te zetten wordt inderdaad niet bevorderd dat één onderzoeksinstituut zich kan ontwikkelen tot dé expert op het gebied van het mbo. Daar staat tegenover dat met deze werkwijze ook onverwachte kennisinstellingen onderzoek naar, in en met het mbo kunnen uitvoeren. Zo wordt door Maarten Wolbers (KBA) samen met een aantal ROC’s onderzoek verricht naar de ontwikkeling van onderwijsarrangementen voor een succesvolle doorstroom vmbo-mbo-hbo. Zie voor andere voorbeelden de toegekende projecten in het mbo en het groen onderwijs. Daarmee wordt de expertise niet (vanzelf) gebundeld, maar is het onderzoek kwalitatief aan de maat en kan in heel Nederland onderzoek naar het mbo de aandacht krijgen die het verdient.

Overigens zien we wel nadelen aan deze calls in competitie. Het kost aanvragers veel tijd met soms relatief geringe kans op succes. Dit geldt temeer waar het praktijkgericht onderzoek betreft waarbij ook onderwijsinstellingen worden betrokken. Die zijn het minder gewend dan academische onderzoekers om inspanningen voor het verkrijgen van onderzoekssubsidie te verrichten zonder dat dit leidt tot een vervolg; bovendien blijven deze scholen dan zitten met een urgente vraag uit hun praktijk. Dat is voor het NRO reden geweest om een andere werkwijze te hanteren bij de derde call voor praktijkgericht onderzoek in het beroepsonderwijs die binnenkort wordt gepubliceerd.

In die call worden allereerst consortia uitgenodigd om ideeën aan te dragen. De beste ideeën daarvan worden geselecteerd om in een vervolgtraject, met een beperkte subsidie, nader te worden uitgewerkt. In deze uitwerkfase ontmoeten de consortia elkaar regelmatig om elkaars plannen van feedback te voorzien en inhoudelijk onderling af te stemmen. Ook dienen de consortia nadrukkelijk voort te bouwen op kennis die al aanwezig is in lopend of afgerond onderzoek. Uitgewerkte voorstellen die voldoen aan de criteria voor praktijkrelevantie en wetenschappelijke kwaliteit krijgen een vervolgsubsidie.

Versnippering tegengaan

Versnippering kan verder actief worden bestreden door, waar mogelijk, te bundelen. Het NRO doet dat nu op de volgende wijze:

Bij voorstellen voor nieuw onderzoek wordt nagegaan of dit niet al elders gebeurt en zo ja, of dan het onderzoek wel door moet gaan, dan wel kan aansluiten bij reeds lopend onderzoek. Zo wordt het onderzoek naar combinatiemogelijkheden van BOL- en BBL-opleidingen gekoppeld aan de reeds lopende evaluatie naar de invoering van de wet Doelmatige leerwegen in het mbo. Uiteraard gaat dit het gemakkelijkst als deze onderzoeken ook via het NRO worden uitgezet; dit is niet altijd het geval.

Verder zien we een belangrijke taak in het bundelen van de resultaten van onderzoek. Bij het NRO is informatie aanwezig over hoe onderzoeksresultaten gevonden kunnen worden, welke databases er zijn waarin onderzoeksresultaten vertaald worden voor de praktijk en is er ook de mogelijkheid om een kennisvraag te stelen via de Kennisrotonde. Een kennismakelaar beziet dan -na overleg met de vragensteller- of er in bestaand dan wel kortlopend nieuw onderzoek antwoorden gevonden kunnen worden. Ook andere NRO-activiteiten, zoals het jaarlijkse NRO-congres, staan open voor mbo-docenten.

Hiernaast subsidieert het NRO het expertisecentrum beroepsonderwijs (ecbo) voor de continuering van de kennisverspreidingsactiviteiten die het ecbo al uitvoerde, zoals het in stand houden van de websites Canon Beroepsonderwijs en BVE kennis, het organiseren van donderdagmiddaglezingen en het uitgeven van flits!signaal! en Dimensies. Ook heeft het ecbo nieuwe activiteiten opgezet: er is de tweejaarlijkse onderzoeksdag voor mbo-docenten die geïnteresseerd zijn in onderzoek door collega-docenten en die zelf hun (master)onderzoek willen presenteren, en het ecbo heeft een leergang “Teacher in the lead” opgezet.

Met al deze initiatieven hoopt het NRO gemakkelijk benaderbare en in aantal beperkte ingangen tot onderzoek mogelijk te maken.

Expertise

We bemerken dat mbo-docenten deze mogelijkheden in toenemende mate gebruiken en hiermee ook hun expertise op peil houden. Dit is ook noodzakelijk, zoals Van der Meer en Verheijen in hun artikel aangeven: het beroepsonderwijs verandert mee met de ontwikkelingen in de maatschappij en in het afnemend werkveld. Daarmee dienen ook de docententeams in het mbo zich voortdurend te bezinnen op de inhoudelijke en vakdidactische relevantie van hun opleidingen.

Dit vereist eigenlijk ook een meer structurele samenwerking tussen mbo-instellingen (en eventuele practoraten) en onderzoekers. Een mooie vorm hiervoor zijn ‘academische werkplaatsen’ zoals die in de zorg nu al een flink aantal jaren beproefd zijn. In het basis- en voortgezet onderwijs zijn een aantal pilots met ‘werkplaatsen onderwijsonderzoek’ gestart waarin onderwijsinstellingen samenwerken met ten minste één hogeschool en één universiteit om relevante vragen onderzoeksmatig aan te pakken. Voor het mbo staat nu een call open voor twee van deze werkplaatsen.

Ook voor de resultaten uit deze werkplaatsen is het van belang dat ze landelijk gedeeld worden: dat vereist een landelijke infrastructuur. Het NRO beschouwt het als wezenlijk onderdeel van zijn regierol –en doet er dus alles aan- om overzicht te hebben van lopend onderzoek en om bestaande kennis voor breder gebruik beschikbaar te stellen.

Jelle Kaldewaij :  Directeur Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK