Voorkom oververhitting promotiesysteem

Baanzekerheid troef voor promovendi, maar wat voor banen?

Analyse | door Jos de Jonge & Elisabeth Koier
11 april 2018 | Er komen steeds meer gepromoveerden op de arbeidsmarkt. Het merendeel vindt werk buiten de academische wereld. Het Rathenau Instituut brengt in een rapport in beeld waar gepromoveerden terechtkomen. Hoe kijken ze zelf terug op hun promoveren en de verworven competenties? De positieve uitkomsten van het onderzoek laten zien dat de klassieke kijk op promoveren is achterhaald, het wordt tijd voor een nieuwe visie. Een promotie is niet alleen een voortraject voor een carrière in de wetenschap maar de gepromoveerden blijken ook een zeer gewenste schakel in onze kenniseconomie.

Dat gepromoveerden hun emplooi vinden buiten de muren van umc’s en universiteiten was al langer bekend. Wat we minder in beeld hadden, is waar al die gepromoveerden terecht komen. En of ze op die plek ook daadwerkelijk iets hebben aan hun behaalde proefschrift en de daarmee verworven competenties. Uit het vandaag verschenen rapport van het Rathenau Instituut ‘De zin van promoveren’ blijkt dat de arbeidsmarkt de groeiende aantallen gepromoveerden gemakkelijk opneemt.

Voor het onderzoek analyseerde het Rathenau Instituut een database waarvoor het CBS in Nederland de data heeft verzameld. Aanleiding was het initiatief van de OESO om een internationaal vergelijkend onderzoek te doen naar de carrières van mensen met een PhD: de ‘careers of doctorate holders’. Het CBS verzamelde deze data in Nederland voor het laatst in 2013. In 2019 wordt een nieuwe meting uitgevoerd door het CBS.  Het onderzoek werd gehouden onder alle in Nederland gepromoveerden uit de periode tussen september 1990 en 31 augustus 2013. Uiteindelijk werd van ruim 16.000 personen een respons verkregen. In de studie hebben we de indeling van het CBS gebruikt die de totale groep wetenschappers naar discipline indeelt in zes groepen. Deze indeling lijkt op de veel gebruikte HOOP Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan. -indeling, met dien verstande dat de HOOP-sectoren recht en economie ondergebracht zijn binnen gedrag en maatschappij en diergeneeskunde niet bij gezondheid maar bij landbouw gesitueerd is.

De analyses gaan over alle in Nederland gepromoveerden, mits ze nog in Nederland te traceren waren. Behalve naar loopbanen en arbeidsmarktperspectieven hebben we gekeken naar of de gepromoveerden nog steeds onderzoek doen in een volgende baan, of ze vinden dat de promotie hen helpt in het huidige werk en of ze de promotie opnieuw zouden doen. Dat blijkt allemaal het geval. Uit het onderzoek komt naar voren dat circa 70% van gepromoveerden werkzaam is in posities buiten de universiteiten.

De belangrijkste bevindingen voor wat betreft de arbeidsmarkt zijn samengevat in onderstaande tabel:

Promoveren loont

Promoveren loont ook, want zoals de tabel laat zien is de werkloosheid erg laag en de inkomsten zijn goed. Buiten de universiteit verdienen gepromoveerden gemiddeld meer dan erbinnen. Maar misschien nog wel het allerbelangrijkst is de constatering dat gepromoveerden ook buiten de universiteiten vaak onderzoek doen en de kennis die ze hebben opgedaan en de vaardigheden die ze hebben ontwikkeld, benutten. Het overgrote deel van de gepromoveerden geeft aan dat zij, gesteld voor de keuze, opnieuw zouden kiezen om te promoveren.

Groeiende druk

Wat betekenen deze gegevens nu voor de toekomst van het promotiestelsel? Universiteiten leveren veel gepromoveerden af en kunnen voor eigen vacatures kiezen uit een groot aantal kandidaten. En voor degenen die niet verder willen of kunnen, ligt de rode loper klaar voor een aantrekkelijke werkkring in de private en publieke sector. Is er dan geen probleem? Toch wel.

De steeds stijgende aantallen gepromoveerden willen vooral op de universiteit blijven en dienen voorstellen in bij NWO, de kaderprogramma’s van de EU en de ‘collectebusfondsen’. Dat biedt de mogelijkheid om door te gaan met wat men het liefst doet: wetenschappelijk onderzoek aan een universiteit of umc. Maar de gevolgen zijn duidelijk: de aanvraagdruk wordt steeds groter, net zoals de druk op de vaste staf. De ‘matchingsdruk’ beperkt zowel de ruimte voor fundamenteel onderzoek als de ruimte voor een andere kerntaak van universiteiten en umc’s; het onderwijs, – zo liet eerder onderzoek van het Rathenau Instituut zien.

Een andere mindset

Voor velen is een loopbaan binnen de academische wereld nog altijd plan A en de mogelijkheden buiten de universiteit worden pas interessant als het binnen de universiteit niet lukt (plan B). Wat voor zowel de promovendi zelf als voor hun begeleiders nu plan B is, zou op basis van wat we nu weten vaker de A-status moeten krijgen. En dat betekent niet alleen een verandering van mindset bij promovendi en hun begeleiders maar maakt het ook noodzakelijk om na te denken over verschillende soorten promoties en dus uiteenlopende soorten gepromoveerden.

Zo zijn er al ‘industrial doctorates’ in ontwikkeling, maar waarschijnlijk zijn dergelijke arrangementen ook voor andere sectoren relevant. Het vormgeven van het promotietraject wordt daarbij mede bepaald door stakeholders buiten de universiteit, en de promovendus werkt binnen een publiek-private samenwerking tussen een bedrijf en een kennisinstelling.

Mogelijk is hiervoor ook een kritische analyse van de financiering van promoties nodig: het is nu immers een financiering die direct komt uit de onderzoeksfinanciering van de tweede en derde geldstroom en maar voor een klein deel uit de rijksbijdrage. Lou de Leij heeft eerder op ScienceGuide becijferd dat de kosten van een promotie die voortkomt uit een AIO-aanstelling voor de universiteit € 360.000 bedragen en dat daar bijna € 80.000 promotiebekostiging uit de rijksbijdrage tegenover staat. De resterende € 280.000 moet komen van de eerder genoemde financieringsbronnen die zowel aanvraagdruk, publicatiedruk als matchingsdruk genereren. Een andere financieringsconstructie zou die druk kunnen verminderen.

Een nieuwe visie

Maar als gepromoveerden feitelijk in allerlei sectoren terecht komen en daar ook zeer gewenst zijn, waarom beschouwen we hun trajecten dan niet als wat ze feitelijk zijn, namelijk opleidingen? Niet alleen voor een universitaire loopbaan, ook voor een maatschappelijke carrière.

Nu we zien hoe waardevol gepromoveerden voor onze kennissamenleving zijn, is het tijd om de financiering veel structureler aan te pakken en niet meer voor het overgrote deel af te laten hangen van de onderzoeksprogrammering in de tweede en derde geldstroom. Hierdoor zou er ruimte kunnen komen voor veel grotere aantallen in specifieke gebieden en een duidelijkere afstemming op de behoeften van wetenschap, bedrijven, scholen, ziekenhuizen en non-profitorganisaties in onze samenleving. Daar zijn promovendi, universiteiten en de samenleving mee geholpen. En het voorkomt oververhitting van het systeem.

Jos de Jonge :  Themacoördinator bij het Rathenau Instituut

Elisabeth Koier :  Onderzoeker bij het Rathenau Instituut


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide maakt gebruik van cookies

Klik op OK om hiermee akkoord te gaan

OK