Het Trojaanse paard van Bologna

Internationalisering is een kwaliteitsvraagstuk

Analyse | door Michèle Wera
12 mei 2018 | Tussen onderwijstaal en de kwaliteit van het onderwijs bestaat een duidelijk verband. Dus zou taalbeleid niet een expliciete plek moeten krijgen in de instellingstoets kwaliteitszorg? Een moment om te reflecteren op de keuzes van de opleiding, en hoe dit de kwaliteit, het curriculum en arbeidsperspectieven beïnvloedt. Hoe krijgen we grip op de uitvloeisels van het Bologna-akkoord?
Foto: mjuhah

Dat het hoger onderwijs in Nederland in rap tempo verengelst, is voor de een het succesverhaal van Bologna, voor de ander een ongewild bijeffect van verregaande internationalisering. Loopt Nederland hierin voorop of schiet Nederland zijn doel voorbij? En de terugkerende vraag in de bij vlagen verhitte discussie luidt: hoe kunnen we de kwaliteit van ons onderwijs waarborgen in deze veranderde context? Deze vraag ligt nu voor bij de NVAO.

Bologna avant la lettre

Vanaf de jaren negentig voerde de Nederlandse overheid een actief beleid ter ondersteuning van de internationale ambities van universiteiten en hogescholen. Lang voor de feitelijke start van het Bolognaproces bleken Nederlandse instellingen succesvol op de internationale markt. Niemand betwist nog de aantoonbare voordelen van internationalisering en de onmiskenbare rol van Engels in het hoger onderwijs en de wetenschap. Niettemin klinken de kritische geluiden over de toenemende verengelsing van het hoger onderwijs steeds vaker en luider. Veel betrokkenen roeren zich en het onderwerp heeft nu ook de aandacht van de media.

De Nederlandse Taalunie trok als een van de eerste aan de bel en publiceerde in 2016 een notitie over taalbeleid. Een sterk pleidooi voor behoud van het Nederlands als volwaardige taal van onderwijs en wetenschap lag in de lijn der verwachtingen. Een jaar later voert de KNAW een verkennend onderzoek uit op verzoek van de toenmalige minister van Onderwijs Jet Bussemaker. Een KNAW-commissie bekeek de gevolgen van de taalkeuze op de kwaliteit van het onderwijs alsook de culturele en maatschappelijke consequenties ervan. De academie formuleert aandachtspunten voor taalbeleid en taalkeuzes maar een duidelijk standpunt blijft uit. Opvallend is alvast de uitspraak dat de taal een weloverwogen keuze moet zijn voor iedere opleiding afzonderlijk. De KNAW laat in het midden wie de onderwijstaal bepaalt.

In december 2017 plaatst de VSNU een notitie over taalbeleid op haar website. De VSNU borduurt voort op het eerdere KNAW-advies: de onderwijstaal is een bewuste keuze waarin zowel docenten als studenten zijn gekend. Maar dit ferme VSNU-standpunt is alweer onderuitgehaald door ten minste één instelling. De TU Eindhoven is voornemens om in 2020 Engelst als de standaard voertaal in de organisatie te hanteren. Vrijwel alle opleidingen aan de TU zijn al Engelstalig. Andere instellingen zijn druk doende hun taalbeleid te herzien en lijken een meer gematigde koers te varen.

Kwantiteit versus kwaliteit

Een discussie over de verengelsing gaat al snel over de massificatie van het hoger onderwijs. De vingerwijzing naar toestromende buitenlandse studenten is ook snel gemaakt. Maar kunnen instellingen nog meer studenten aan? En wat zijn de effecten van de explosieve groei op de kwaliteit van het onderwijs?

Het hoger onderwijs is vrij gemakkelijk toegankelijk en daarom aantrekkelijk voor niet-Nederlandse studenten. Maar weinig Europese landen bieden een zo gevarieerd palet aan Engelstalige opleidingen van bewezen kwaliteit en met een acceptabel prijskaartje. Engelstalig onderwijs is een succesvol product van eigen bodem en dat resulteert onmiskenbaar in een gestage instroom van buitenlandse studenten. Deze ontwikkeling is niet zo verwonderlijk. Volgens de OECD zijn kwaliteit, onderwijstaal en kosten bepalend voor een buitenlands studieverblijf.

Inmiddels heeft elke onderwijsinstelling last van groeipijn. Studentenverenigingen wijzen erop dat de voorzieningen geen gelijke tred houden met de groeiende studentenpopulatie. Huisvesting en student-centred learning zijn de vaakst genoemde pijnpunten. De student centraal in het onderwijsproces; dat is het credo van Bologna. Kleinschalig onderwijs met flexibele leerpaden, individuele studiebegeleiding en adequate feedback zijn daarbij onontbeerlijk. Gezien de grotere groepen is dit niet langer realistisch en dreigt dit hoofdstuk van het Bolognaverhaal ten onder te gaan aan het eigen succes van studentenmobiliteit.

Studenten hebben ook bij herhaling hun zorgen geuit over de Engelse taalvaardigheid van hun docenten. Ook medestudenten blijken niet altijd te voldoen aan het gewenste taalniveau. Studenten beklagen zich erover dat ze vaak terecht komen in een international classroom met studenten die het Engels onvoldoende beheersen. Dezelfde klachten ventileren docenten over studenten en collega’s.

Wat docenten en studenten ervaren, is niet meteen te herleiden tot statistische data. Studentenenquêtes laten geen duidelijk verschil zien in de waardering van opleidingen uitgesplitst naar onderwijstaal. Studenttevredenheid over de taalvaardigheid en didactische competenties van docenten in Engelstalige opleidingen scoort vier op een vijfpuntsschaal. Een recent EAIE-onderzoek De EAIE is de European Association for International Education, gevestigd in Amsterdam. naar de kwaliteit van Engelstalige bacheloropleidingen in de Europese onderwijsruimte is evenmin concludent. Sommige respondenten zien een toename in de kwaliteit, anderen zijn eerder kritisch.

De NVAO ziet eenzelfde genuanceerd beeld in de externe visitatierapporten op basis waarvan zij opleidingen accrediteert. De NVAO-besluiten bevatten nauwelijks kanttekeningen over Engelse taalvaardigheid en grotere studentenaantallen. De toegenomen werkdruk van docenten is wel een terugkerende zorg. Panels zien een direct verband met het groeiende aantal studenten en de achterblijvende investeringen. Maar panels zijn toch vooral positief over de uitnodigende internationale onderwijs- en leeromgeving en zij stimuleren opleidingen om blijvend te investeren in internationalisering.

De tweede ronde van de instellingstoets kwaliteitszorg startte in 2017 en daarin komen groeiambities en groeipijnen wel degelijk aan de orde. Kwantiteit en kwaliteit gaan niet per se altijd samen, blijkt uit de adviesrapporten. Lang niet elke instelling voert een proactief beleid en kan een doorvlochten actieplan voorleggen. NVAO-panels noteren drie aandachtspunten: een evenwichtige studentenpopulatie, voldoende gekwalificeerd personeel en adequate voorzieningen.

Bij de TU Delft lijkt het erop alsof het panel de discussie over extra overheidssteun en numerus fixus studies nog uit de weg gaat. De instelling krijgt wel het dringende advies om vaart te maken met een plan de campagne om de kwaliteit van het Delftse onderwijs blijvend te borgen, ook bij meer studenten. Een jaar later krijgen groei en de impact ervan op de onderwijskwaliteit de expliciete aandacht in een aparte audit trail in Wageningen. Een panel op bezoek in Utrecht prijst de universiteit dan weer voor haar gedegen internationaliseringsbeleid: kwaliteit prevaleert boven kwantiteit. Een groeiende (internationale) studentenpopulatie is het logische gevolg en geen doel op zich, stelt het panel tot tevredenheid vast.

NVAO aan zet

Een eenduidig antwoord op de ‘internationale paradox’ blijft uit. Alle rapporten, notities en adviezen ten spijt is het vooralsnog wachten op daden. Het is nu zaak om een gezamenlijk standpunt in te nemen en daarnaar te handelen. In de discussies wordt steeds vaker de NVAO genoemd als mogelijke katalysator. In 2011 al adviseerde de Onderwijsraad om de kwaliteitsbewaking van Engelstalig onderwijs en de gevolgen van internationalisering expliciet op te nemen in de NVAO-kaders. Twee jaar later klopte het adviesorgaan van de Nederlandse Taalunie bij de NVAO aan met de vraag: hoe beoordelen externe panels de Engelse (en Nederlandse) taalvaardigheid van docenten en studenten? Op dat moment – inmiddels vijf jaar geleden – gaven de visitatierapporten geen reden tot zorg. Ook het KNAW-rapport uit 20173 refereert aan de NVAO.

De huidige minister van Onderwijs Ingrid van Engelshoven kijkt eveneens naar de NVAO. Zij wijst terecht op het belang van internationalisering voor het hoger onderwijs en de voordelen voor de Nederlandse economie en samenleving. Verder benadrukt zij de autonomie van de onderwijsinstellingen, ook in de taalkeuze, en hun verantwoordelijkheid jegens docenten, studenten en de maatschappij. Tegelijkertijd roept Van Engelshoven instellingen op om een weloverwogen beslissing te nemen over de onderwijstaal uitgaande van de eigenheid van elke opleiding.

Overschakelen naar een Engelstalig programma moet een aantoonbare meerwaarde hebben, aldus de minister. Zij kant zich fel tegen one size fits all. Voorts gaat zij ervan uit dat instellingen borg staan voor de kwaliteit van hun opleidingen ongeacht de onderwijstaal. Tijdens het recente debat in de Tweede Kamer zegde de minister een stuk toe met daarin ook NVAO’s visie op onderwijskwaliteit. Niet alleen de minister maar ook verscheidene Kamerleden richten zich tot de NVAO. Het ziet ernaar uit dat de NVAO een aanvullende rol krijgt in het beoordelingsproces.

Het standpunt van de minister sluit aan bij wat eerder Melanie Peters, directeur van het Rathenau Instituut, beargumenteerde. Zowel Peters als Van Engelshoven zijn tegen studentenstops zoals geopperd door de vier technische universiteiten. De stijgende studentenaantallen zijn overigens grotendeels het resultaat van de succesvolle wervingscampagnes, vooral ook in het buitenland. Het debat moet niet gaan over groei maar in de eerste plaats over onderwijskwaliteit. Het is immers in ieders belang om de kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs blijvend te garanderen. De NVAO is bij uitstek geschikt om die taak op zich te nemen. Zij kan het voortouw nemen om samen met alle betrokkenen een aantal kwaliteitscriteria te benoemen voor een weloverwogen internationaliseringsbeleid in het verlengde van de Bolognadoelstellingen.

Ten eerste kan taalbeleid een expliciete plek krijgen in de instellingstoets kwaliteitszorg. Hoe draagt het taalbeleid bij aan de ontwikkeling van een evenwichtige international classroom? Andere relevante vragen zijn: wat zeggen strategie en actieplannen over internationalisering en groei? Hoe gaan instellingen om met groeiambities en groeipijnen? En welke effecten hebben internationalisering en groei op de onderwijskwaliteit?

Ten tweede kunnen visitatiepanels de bewuste taalkeuze op opleidingsniveau nagaan (standaard 1 van het huidige accreditatiekader) en met studenten en docenten reflecteren op de gevolgen van deze keuze op de kwaliteit van het curriculum, de leeromgeving (standaard 2) en de toetsing (standaard 3). In welke mate beïnvloedt de onderwijstaal de leeruitkomsten en het niveau van de afgestudeerden (standaard 4)? Uiteraard zal speciale aandacht uitgaan naar de taalvaardigheid, zowel in Engels als Nederlands, van zowel studenten als docenten, mede afhankelijk van het studiegebied en het arbeidsperspectief.

Ten derde kan de inspraak van studenten en docenten worden versterkt: hun instemming is vereist voor alle zaken met betrekking tot internationalisering en taalbeleid in het algemeen en de keuze van de onderwijstaal op opleidingsniveau in het bijzonder. Ook dat kan een plaats krijgen in de herziene NVAO-beoordelingskaders mits goede afstemming met de stakeholders en akkoord van de Kamer.

Kwaliteitscriteria definiëren voor internationalisering en alles wat daarmee samenhangt, is wellicht de eerste stap in de juiste richting. Een volgende stap is deze kwaliteitscriteria opnemen in de interne en externe kwaliteitszorg op instellings- en opleidingsniveau. Instellingen beschikken zo over een geschikt referentiekader voor zelfreflectie over en bijsturing van internationale ambities en activiteiten. Het legt ook de verantwoordelijkheid voor de kwaliteitsborging van internationalisering waar het hoort: bij de instellingen. Een aantal zal mogelijk vaststellen dat de weg naar Bologna niet per se een snelweg is; andere zullen wellicht concluderen dat zij gebaat zijn bij een rustigere route.

Welke weg zij ook bewandelen, alle instellingen zullen moeten voldoen aan de kwaliteitscriteria in de herziene NVAO-kaders. Aanpassing en explicitering van de bestaande kaders in bovenstaande zin sluiten aan bij de missie van NVAO als bewaker van de kwaliteit van het hoger onderwijs en bij de geest van de Bolognaverklaring. Voorop staat de communis opinio dat hoger onderwijs en internationalisering twee kanten van dezelfde medaille zijn.


De auteur, Michèle Wera, publiceert dit stuk op eigen titel.

Michèle Wera :  Senior beleidsadviseur

Michèle Wera is senior beleidsmedewerker bij de NVAO.

Literatuurverwijzingen

Education at a Glance 2017

OECD Indicators; Organisation for Economic Cooperation and Development (OECD), Parijs, 2017


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK