Onderwijsraad: waken voor commercie bij internationalisering

Nieuws | door Frans van Heest
30 mei 2018 | De Onderwijsraad stelt voor dat er op Europees niveau financiële afspraken worden gemaakt als de disbalans bij inkomende diplomamobiliteit in Nederland nog verder toeneemt en waarschuwt voor verkeerde financiële prikkels.
Leden Onderwijsraad

Binnenkort komt de minister met haar advies over internationalisering. Minister van Engelshoven heeft de Onderwijsraad gevraagd om advies over dit thema. De raad gaat uitgebreid in op het veelomvattende vraagstuk. Er wordt onder andere stilgestaan bij het onderwijs-didactische aspect, de toegankelijkheid en de bekostiging.

De Raad constateert dat internationalisering in politieke en maatschappelijke discussies te smal wordt opgevat. Het gaat om meer dan Engels en studentenmobiliteit. Internationalisering heeft een bredere betekenis voor het curriculum en voor het systeem van hoger onderwijs als zodanig. Er dient bovendien oog te zijn voor de specifieke context waarbinnen hogescholen en universiteiten werken. Daarnaast betekenen verschillen binnen het hoger onderwijs dat van één internationaliseringsaanpak geen sprake kan zijn.

“Internationalisering is een positief te waarderen koers, maar vraagt wel om waarborgen voor onderwijskwaliteit en toegankelijkheid. Internationalisering gaat echter niet vanzelf goed en kent ook mogelijke schaduwzijden”. Zo stelt de Raad. Er kunnen terechte zorgen zijn over de manier waarop het hoger onderwijs in de praktijk ‘internationaliseert’.

Waken voor verdringing

De Onderwijsraad wijst daarnaast ook op de mogelijke ‘verdringing’ van Nederlandse (aspirant)studenten door de toenemende instroom vanuit het buitenland. De Raad benadrukt nog maar eens hoe belangrijk toegankelijkheid is in het Nederlandse stelsel. “Toegankelijkheid in de zin van de mogelijkheid voor Nederlanders om een opleiding in het hoger onderwijs te volgen die past bij hun talenten en interesses, is een groot goed. Het zou dan ook zorgwekkend zijn als buitenlandse instroom ten koste zou gaan van die toegankelijkheid.”

Ook heeft het Nederlandse hoger onderwijs als taak om te kijken naar de behoeften van de Nederlandse arbeidsmarkt. “Het is van belang dat het hoger onderwijs kan voorzien in behoeften van de Nederlandse arbeidsmarkt. Het zou onwenselijk zijn als Nederlanders niet kunnen worden opgeleid voor schaarse beroepen, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg, terwijl buitenlandse studenten die wel worden toegelaten, na hun afstuderen zouden terugkeren naar hun landen van herkomst.”

De Onderwijsraad stelt voor dat er nader onderzoek gedaan moet worden of er daadwerkelijk verdringing plaatsvindt van Nederlandse studenten. “Achterhaald dient te worden of in die gevallen Nederlandse studenten worden afgewezen die wel zouden zijn toegelaten als er geen buitenlandse instroom zou zijn geweest.”

Een ander aspect betreft het effect van onderwijs in een vreemde taal op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor jongeren uit kwetsbare groepen in de Nederlandse samenleving. Werpt onderwijs in het Engels niet een extra drempel op voor bijvoorbeeld eerstegeneratiestudenten uit sociaaleconomisch zwakke bevolkingsgroepen? Momenteel doet het Sociaal Cultureel Planbureau hier onderzoek naar.

Aandacht voor andere vreemde talen

De raad vraag zich tevens af in hoeverre het verstandig is om in het hoger onderwijs eenzijdig te concentreren op het Engels als onderwijstaal. “Verder verdienen ook andere vreemde talen, zoals Duits, Frans en Spaans, aandacht. Met de keuze voor een bepaalde taal komt bovendien ook een bepaalde culturele en geografische oriëntatie mee. De uniforme keuze voor Engels maakt het hoger onderwijs qua taal en cultuur eenzijdig gericht op het Angelsaksische deel van de wereld. Onder andere vanwege Brexit en de daaruit volgende veranderende verhoudingen binnen Europa is het de vraag hoe wenselijk die eenzijdigheid is.”

Volgens de raad is de wet ten aanzien van verengelsing aan herziening toe. Deze komt niet meer overeen met de staande praktijk in het hoger onderwijs. De wet bepaalt dat alleen in sommige uitzonderingen Engels als instructietaal mag worden gebruikt. “De raad constateert hier tot slot dat de formulering van artikel 7.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inmiddels te ver afstaat van de praktijk in het hoger onderwijs. Van de masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs werd in het collegejaar 2015-2016 bijna 70 procent alleen in het Engels aangeboden en krap 13 procent in het Nederlands en het Engels.”

Ook moet de overheid een duidelijk kader stellen over wat aanvaardbaar is ten aanzien van internationalisering.  “Een internationaliseringsaanpak voor de (middel)lange termijn vraagt van de overheid om duidelijkheid over het wat, waartoe en waarom van internationalisering. Instellingen moeten weten wat de overheid nastrevenswaardig of aanvaardbaar vindt.”

Een diepgaand begrip van internationalisering

Een internationaliseringsaanpak hoort gebaseerd te zijn op een helder en diepgaand begrip van wat internationalisering is. Bij internationalisering gaat het nadrukkelijk om meer dan ‘iets met Engels’ of mobiliteit. Evenmin zijn Engels of mobiliteit noodzakelijke componenten van internationalisering. Een vak in het Engels geven, al dan niet aan studenten uit het buitenland, maakt het nog niet geïnternationaliseerd. Omgekeerd kan een vak of opleiding geïnternationaliseerd worden zonder op Engels over te stappen of mobiliteit in te bouwen.

Ook wordt in de discussie rondom internationalisering verwezen naar de international classroom, dat is volgens de raad maar een van de vele manieren om internationalisering vorm te geven. “De zogenoemde ‘international classroom’ is één manier om ‘internationalisation at home’ te bewerkstelligen. Daarbij gaat het om een onderwijsvorm waarbij sprake is van een naar nationaliteit en/of studentenpopulatie en waarbij de culturele achtergronden van studenten in het onderwijs geïntegreerd worden ten behoeve van het ontwikkelen van internationale en interculturele kennis, oriëntatie en vaardigheden.”

In dat kader moet er ook gekeken worden naar de samenstelling van studentengroepen zo stelt het officiële adviesorgaan.  “Omwille van de onderwijskwaliteit dienen instellingen eveneens te (kunnen) sturen op de diversiteit van de instroom. Een bijzonder aandachtspunt hier betreft de vraag naar wat een optimale samenstelling van de studentenpopulatie is om internationale kennis en vaardigheden bij studenten te ontwikkelen. In het algemeen geldt dat oververtegenwoordiging van één groep daar niet bevorderlijk voor is, omdat interactie en confrontatie tussen studenten van verschillende achtergronden dan uitblijven.”

Hoewel er eerder vraag was vanuit het veld, zoals bij de rector van de UvA om meer te kunnen sturen op studentenpopulaties geeft de Raad wel aan dat de ruimte hiertoe zeer beperkt is. “Voor een antwoord op de vraag of een naar nationaliteit gedifferentieerde numerus fixus mogelijk en wenselijk is, is nader onderzoek nodig. De juridische ruimte voor een dergelijke maatregel lijkt bijzonder klein voor zover het studenten uit andere EER-landen betreft. De raad beveelt aan te onderzoeken hoe instellingen meer mogelijkheden kunnen krijgen om hun instroom te beïnvloeden. De raad acht de huidige selectiemogelijkheden te beperkt en meent dat binnen een Europees kader naar selectie-instrumenten gezocht dient te worden.”

Risico’s voor het budget

Tot slot gaat de Onderwijsraad ook in op het bekostigingsvraagstuk en erkent dat er prikkels zijn die het aantrekken van internationale studenten stimuleert. “‘internationalisering’ – in de zin van overstappen op Engelstalige opleidingen en werving van buitenlandse studenten – vooral inzetten vanuit commerciële of budgettaire overwegingen. De raad kan zich voorstellen dat een dergelijke strategie onwenselijke situaties op kan leveren, bijvoorbeeld als het bestuur vooral aandacht heeft voor contractonderwijs voor buitenlandse studenten en topdocenten vooral daarvoor ingezet worden. In elk geval zal ervoor gezorgd moeten worden dat publiek geld voor onderwijs gescheiden wordt van commerciële activiteiten.”

Als er een te grote disbalans in de inkomende diploma mobiliteit dan moet hier op termijn Europese afspraken over worden gemaakt in het kader van bekostiging stelt de raad voor. “Voorkomen moet worden dat de instroom van buitenlandse studenten een te groot beslag legt op het voor hoger onderwijs beschikbare budget. Als dat zich wel voor dreigt te doen, kunnen op Europees niveau nadere afspraken gemaakt worden over compensatie van studiekosten in geval van een structureel aanzienlijke netto-instroom van studenten uit andere lidstaten.”

 


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK