Het gaat goed zolang het goed gaat

Dubieuze contracten pakken uit in het nadeel van de promovendus

Analyse | door Ingeborg van der Ven & Sicco de Knecht
13 juni 2018 | Alhoewel de medewerker-status voor promovendi al zo’n dertig jaar bestaat betekent dit bij lange na niet dat alle promovendi inmiddels dezelfde rechten hebben. Al langer zijn er berichten over dubieuze contracten waarop jonge onderzoekers werken. Maar waar lopen promovendi nu werkelijk tegenaan? Om een antwoord te formuleren op deze vraag sprak ScienceGuide met promovendi over hun arbeidsvoorwaarden, en over de conflictsituaties waarin zij vaak onverhoopt belanden.
Foto: andibreit

In dit eerste deel van een serie kijken we nu eens niet naar de standaard AIO of OIO, maar naar promovendi die via andere constructies worden aangesteld. Daaruit blijkt dat er een weelde aan aanstellingen bestaat waarin de belangen van de promovendus vaak het onderspit delven. Ook weten promovendi lang niet altijd wat de rechten zijn waar ze zich op kunnen beroepen. Dat gegeven, in combinatie met een inherent ongelijke machtsverhouding tussen promovendus en promotor, levert onwerkbare en vaak penibele situaties op.

Promovendi van vele verschillende instellingen, en uit talloze disciplines wilden hun verhaal doen, maar geen van hen wilde dat hun verhaal herleidbaar zou zijn. De namen van de promovendi in dit artikel zijn dan ook uit voorzorg gefingeerd en de instelling en het vakgebied worden met opzet niet genoemd.

Dit verhaal gaat over de arbeidsovereenkomsten die promovendi met hun werkgever afsluiten. Contracten waarvan de vraag is of deze constructies wenselijk zijn. Het zijn verhalen waarin financiële middelen, of beter gezegd het gebrek daaraan, vaak de aanleiding vormen voor de ontstane constructie. De verhalen kenmerken zich door een initiële bereidheid – van twee kanten – om deze dubieuze contracten aan te gaan, zij het uit goede wil zij het uit naïviteit. Werknemer en werkgever willen er altijd een succes van maken maar het gaat goed, zolang het goed gaat…

Meer werken om geen tuition te betalen

Karin werkte bij een buitenlands bedrijf. Op het moment van het vertrek terug naar Nederland krijgt ze de kans om via hen te promoveren aan een Nederlandse universiteit. “Ik wilde heel graag promoveren en het bedrijf waar ik werkte kon daar geld voor vrijmaken. Het was natuurlijk een stap terug van wat ik eerder verdiende maar toch nog omgerekend €1750,- per maand.” Er is alleen nog een kanttekening: de instelling ziet haar als ‘externe’ promovendus en daarom moet ze €1000,- per maand betalen voor het gebruik van de faciliteiten.

De situatie van Karin is geenszins uniek. Het gebeurt vaker dat instellingen vragen om een bijdrage wanneer het externe promovendi betreft. Waar deze bijdrage voor dient varieert van opleidingskosten tot aan faciliteiten. In dit geval stelt de instelling dat dit bedrag in rekening wordt gebracht vanwege de overheadkosten zoals het gebruik van een bureau en toegang tot de wetenschappelijke literatuur. Het is geen ‘collegegeld’ en dus betaalt de promovendus niet voor de opleiding en begeleiding.

“Hallo water, hallo droog brood,” zo ziet Karin de situatie voor zich als ze in 2015 wil beginnen aan deze promotie. Maar samen met haar toekomstige begeleider verzint ze een constructie waardoor ze kan werken aan andere onderzoeksprojecten op de afdeling. “Door als medewerker te worden aangesteld voor die projecten moesten ze mij van een bureau voorzien en ik betaalde daarom ook niet de verplichte tuition om gebruik te maken van de faciliteiten.”

“Het werd al vrij snel duidelijk dat het een uitdaging werd om te promoveren in vier jaar.”

Over deze oplossing is ze overwegend positief: “Het is absoluut niet ‘all bad’, sterker nog, het heeft ook meerwaarde.” Vooral het feit dat ze mee kan doen aan andere projecten en daarmee ook nieuwe contacten opdoet ziet ze als pluspunt. Daarnaast is er ook potentiële overlap tussen een project en haar promotieonderzoek. Alles bij elkaar is het echter bepaald geen sinecure om aan deze taakopvatting te voldoen.

“Het werd al vrij snel duidelijk dat het een uitdaging werd om te promoveren in vier jaar.” Karin werkt niettemin door aan haar projecten en aan haar promotie. Haar begeleiders benadrukken ondertussen voortdurend het belang van het tijdig promoveren. “Het is mij meermaals duidelijk gemaakt dat de verwachting is dat een promotieonderzoek binnen vier jaar wordt afgerond. Duurt het langer, dan houden ze waarschijnlijk ook minder over aan de promotiebonus”

Ze werkt zich een slag in de rondte om aan alle eisen te voldoen, waarbij het promoveren regelmatig op de laatste plaats komt. “In totaal, op papier, werk ik nu het equivalent aan 1,4 fte De afkorting fte staat voor 'full time employment', wat volgens de cao van de universiteit 38 uur per week inhoudt. en dat is wel eens 2 fte geweest. Dat terwijl we allemaal weten dat veel promovendi überhaupt al meer dan 1 fte per week in hun promotie stoppen om het binnen vier jaar af te kunnen ronden.”

Daar komt vervolgens nog een schepje bovenop doordat haar begeleiders erop aandringen dat ze ook 30 EC aan opleidingspunten haalt. Het feit dat het behalen van deze punten voor haar als externe promovendus niet verplicht is doet niet af aan de druk die op haar wordt uitgeoefend. “Ook daar krijgt de afdeling geld voor en dat willen ze niet mislopen.” Karin voelt dat het alles bij elkaar eigenlijk te veel werk is, maar kan weinig veranderen aan de zaak. “Je denkt altijd ‘het komt wel goed’ maar een andere optie heb je ook eigenlijk niet.”

Steeds klinkt de financiële paragraaf van Karin’s aanstellingen door in de doelstellingen die haar worden gesteld. De promotiebonus, zoals die in de volksmond wordt genoemd, is in de primaire zin bedoeld voor het faciliteren van de opleidingsplek van de promovendus. Een bedrag dat niet alleen bedoeld is voor faciliteren in de materiële, maar ook in de immateriële zin: het begeleiden van het opleidingstraject. Het is dan ook een bijzonder gegeven dat de twee hier kunstmatig worden gescheiden, om uiteindelijk toch weer op hetzelfde bordje van de promovendus terecht te komen.

“Je denkt altijd ‘het komt wel goed’ maar een andere optie heb je ook eigenlijk niet.”

In principe vindt Karin de tuition an sich nog wel te begrijpen, maar niet in combinatie met het feit dat een instelling alsnog de promotiebonus ontvangt. “Dat de afdeling zo’n enorm bedrag krijgt voor begeleiding, en tegelijkertijd 1000 euro in rekening brengt voor externen vind ik vrij schandalig. Was die tuition er niet, dan had ik nooit binnen andere projecten werk hoeven doen.”

Het geval van Karin illustreert hoe een werkgever steeds een stapje verder kan gaan in het stellen van steeds minder realistische eisen. Telkens weer worden er nieuwe voorwaarden gesteld aan de promotie, terwijl deze niet van toepassing zijn op haar situatie. Bovendien zijn deze eisen niet aantoonbaar nuttig of noodzakelijk voor de promotie, maar voor het financiële plaatje van de afdeling des te meer.

Er samen niet uitkomen

Samira start in een traject met een team van meerdere promovendi, gefinancierd uit budgetten vanuit een ministerie en organisaties uit het veld. “Met hetzelfde bedrag konden er drie promovendi aan de universiteit worden aangesteld of meerdere via een externe organisatie.” Het fonds kon de risico’s uitkopen met betrekking tot arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. “De vakgroep heeft de beslissing genomen om ons via het fonds aan te stellen en wij werden vervolgens vanuit het fonds ‘uitgeleend’ aan de universiteit. We werkten dus voor de universiteit op ‘externe basis’.”

Volgens Samira is haar aanstelling bepaald niet bijzonder. “Binnen onze faculteit heeft de helft van de promovendi een externe aanstelling, vaak op basis van allerlei verschillende contracten.” Over het algemeen is iedereen op de afdeling zich ervan bewust dat er allerlei verschillende constructies bestaan, “het ontbreekt alleen aan de structuren om elkaar verantwoordelijk te houden zonder er zelf voor op te moeten draaien.”

Het niet kunnen nemen van die verantwoordelijkheid begint al bij een gebrek aan transparantie. “De meeste promovendi weten niet eens van elkaar hoe het precies met elkaars aanstellingen zit.” Volgens Samira werkt dat alleen maar in het voordeel van de instelling. “Ik denk dat het niet hebben van transparantie heel erg winstgevend is voor de universiteit. Zodra iedereen weet wat zijn of haar rechten zijn, dan maken mensen er ook aanspraak op. Als je niet weet wat je rechten zijn, dan ga je er maar vanuit dat jouw constructie klopt.”

Vanuit de afdeling wordt er benadrukt dat de aanstellingsvorm puur een ‘technische oplossing’ is. “De financieel directeur van de faculteit beloofde ons dat we altijd als ‘interne promovendi’ behandeld zouden worden, bijvoorbeeld door publicatiekosten en conferentiegeld uit te keren. Dat bleek alleen tijdens goede tijden het geval te zijn. Op het moment dat de constructie niet bleek te werken, moesten we ineens overal achteraan zitten”.

"Als je niet weet wat je rechten zijn, dan ga je er maar vanuit dat jouw constructie klopt.”  

Het gezamenlijke project is een samenstelling van meerdere opdrachten, bestaande uit een wetenschappelijk project en een praktijkonderzoek. “Wij werden als groep promovendi bij elkaar gezet in een kamer om zelf uit te onderhandelen hoe wij deze twee projecten over het team zouden verdelen. Er was verder nauwelijks begeleiding.” Na een half jaar blijkt dat het zonder begeleiding niet lukt om de taakverdeling helder te krijgen. De groep promovendi stapt daarop naar een vertrouwenspersoon om hun situatie te spiegelen. “Klopt het dat je als promovendi zo weinig begeleiding krijgt en dat de taken zo onduidelijk zijn? Zijn wij nu gek?”

In het eerste gesprek met de vertrouwenspersoon blijkt al dat zij de situatie van de promovendi niet gebruikelijk vindt. De vertrouwenspersoon oppert om het volgende gesprek te voeren met zowel promovendi en promotor. Op verzoek van de promovendi gaat de vertrouwenspersoon eerst met de promotor praten. “Het leek mij wel fair dat die ook gehoord zou worden, zonder ons erbij, en dat we daarna met elkaar aan tafel zouden gaan. Wellicht een naïeve gedachte.” De vertrouwenspersoon vertelt volgens Samira het hele verhaal aan de promotor, en hiermee is het verhaal geëscaleerd voordat duidelijk wordt wat het probleem nu is.

Dat de rol van een vertrouwenspersoon onduidelijk is en in situatie vaak voor verwarring zorgt is een onderwerp waar ScienceGuide al vaker over heeft geschreven. De functie is vaak niet duidelijk belegd in de organisatie, waardoor de functionaris weinig tot geen bevoegdheden heeft. Ook wordt de functie in veel gevallen bekleed door een medewerker van de universiteit die daarnaast nog andere taken, verantwoordelijkheden en daarmee belangen heeft. Een evaluatie van de rol van de vertrouwenspersoon is opgenomen in de nieuwe cao.

Rechtssocioloog Kees Schuyt over integriteitsovertredingen.

Al vrij snel na het gesprek tussen de vertrouwenspersoon en de promotor volgt een brief van de promotor met de mededeling dat het voor hen duidelijk is dat de groep promovendi het gezamenlijke project niet aankan, en dat er opnieuw naar de aanstellingen zal worden gekeken. Het team weet niet precies wat de afweging zal gaan zijn in het verlengen van de jaarcontracten. Anticiperend op hun eerstejaars evaluatie, op basis waarvan het contract verlengd zal worden, doen zij zelf een voorstel. “Wij waren bang dat een van ons ontslagen zou worden dus hebben wij ieder een dag opgegeven om allemaal aangesteld te kunnen blijven.”

Dit voorstel wordt zonder enige verdere communicatie met de promovendi door de promotor en de afdelingsdirecteur aangenomen. “Uiteindelijk is er een extra persoon vanuit het eigen bureau van de hoogleraar op dit praktijkonderzoek gezet. Er kwam dus een promovendus bij.” De ingeleverde dagen van het team leveren de vakgroep dus een extra promovendus op. Ondertussen werken de andere promovendi even hard door als daarvoor, om hun promotieproject af te ronden.

“Wij waren bang dat een van ons ontslagen zou worden dus hebben wij ieder een dag opgegeven om allemaal aangesteld te kunnen blijven.”

De situatie van Samira is typerend voor verhalen die ScienceGuide ter oren komen. Het is een combinatie van een afdeling die probeert het maximale te halen uit beperkte middelen en promovendi die hun eigen rechten (initieel) niet kennen en kosten wat kost die promotieplek willen behouden. Het fatsoenlijk organiseren van de verschillende projecten, en de verantwoording richting de opdrachtgever zijn de taak van de senior onderzoeker – evenals het bieden van fatsoenlijke begeleiding. Het uiten van een oprechte zorg over de haalbaarheid van de projecten pakt uit in het nadeel van de promovendi, zij hebben nu nog minder tijd om hun promotie, waar ze door het andere project nog maar weinig tijd voor hebben gehad, af te maken.

Een extern contract om belasting te ontwijken

Jerry begon tijdens zijn master al aan onderzoeksopdrachten voor de universiteit. Vanuit de VS hielp hij met het schrijven van interviews en artikelen. “Ik kon het geld goed gebruiken en als jonge onderzoeker wilde ik mijn naam op stukken hebben.” De opdrachten vonden plaats op projectbasis. “Je kunt de contracten vergelijken met de contracten die een aannemer tekent voor het aanleggen van bijvoorbeeld de trappen in een gebouw. We hadden duidelijke deliverables afgesproken.”

Uiteindelijk moet Jerry een jaar wachten voordat het geld wordt uitbetaald. “Er zou sprake zijn van misverstanden in de verschillende administratiesystemen. Op een bepaald moment mailde ik elke dag met de afdeling.” De financiële afdeling wijt de chaos aan het werken met verschillende internationale betalingssystemen. Vlak na de betaling krijgt Jerry een verzoek voor het betalen van belasting over het bedrag. Vanwege dit bericht van de Amerikaanse belastingdienst wordt hem duidelijk dat de constructie rondom deze opdracht is ingezet om vanuit de universiteit zelf geen belasting te hoeven betalen.

“Zoals ik het inmiddels heb begrepen: hoe minder belasting ze betalen over het bedrag van de beurs, hoe meer beursgeld er is om uit te geven”. Ondanks deze slechte ervaring met de Nederlandse universiteit besluit hij toch om promovendus te worden. “Ik kende mijn begeleider heel erg goed en ik vertrouw haar. Mijn ouders dachten dat ik gek was geworden. Maar ik ben het toch gaan doen. Mijn promotor zei ook steeds: ‘we zorgen dat dit goedkomt’.”

Totdat het niet goedkomt.

Ook deze werkovereenkomst met de universiteit wordt een contract op basis van deliverables. Jerry wordt elke drie maanden uitbetaald. “Mijn promotietraject wordt nu in de eerste twee jaar gefinancierd uit laatste ‘potjes’ van verschillende ERC-beurzen. Dit is trouwens niet hoe dit administratief is gedocumenteerd. Volgens het contract ben ik een externe promovendus met een eigen buitenlandse beurs.”

"Mijn promotor zei ook steeds: ‘we zorgen dat dit goedkomt’.”

“Het is daarom ook moeilijk om aan te geven op welk punt ik in mijn promotietraject zit. Ik ben nu 1,5 jaar in Nederland.” Jerry wacht op dit moment op het besluit dat in de zomer genomen moet worden om zijn promotietraject via een andere wijze van financiering door te kunnen zetten. De afdeling heeft toegezegd dat het mogelijk is om vanuit de afdeling zelf zijn laatste twee jaar te financieren.

De eerste betaling door de universiteit gaat goed, de tweede niet. Volgens de financiële afdeling kan het bedrag niet aan zijn Nederlandse rekening, maar alleen aan een buitenlandse rekening uitbetaald worden. Jerry opent snel een Duitse online rekening, maar moet uiteindelijk toch drie maanden wachten op zijn geld. “Ik heb nu zelfs leningen bij Nederlandse vrienden lopen, ik heb geen idee hoe ik die ooit ga terugbetalen.”

In de lente van dit jaar escaleert de financiële constructie tussen hem en de universiteit. In het begin van zijn promotietraject helpt hij bij de voorbereidingen voor beursaanvragen. Deze aanvragen zijn succesvol. De vergoeding voor deze opdracht, ongeveer 2000 euro, blijft ook uit. “Eerst is mij door de financiële afdeling gezegd dat ik het bedrag niet krijg. Het zou onze financiële constructie in de war schoppen.

Nadat zijn supervisor zich er tegenaan bemoeit vertelt de financiële afdeling dat zij het geld toch wel kunnen vergoeden als dit een declaratie is van een aankoop. Hij besluit een laptop te kopen. “Ik was bezig om een laptop uit te zoeken, maar de regels veranderden ineens weer. Het zou niet meer kunnen met spullen, maar gaan om vliegtickets.” Begin van dit jaar boekt Jerry twee Europese trips om de vergoeding te kunnen krijgen. Als hij de tickets indient voor declaratie wordt de volgende barrière opgeworpen. Het blijkt dan dat het om ‘vliegtickets ten behoeve van onderzoek’ gaat. Hij krijgt de tickets niet vergoed.

Het schuiven met potjes was in een groot deel van de gesprekken die ScienceGuide voerde een onderdeel. Dat een promotietraject gefinancierd wordt op basis van declaraties is uitzonderlijk, maar niet uniek. Het is in dit geval de bijzonder goede band tussen de promovendus en de begeleider die het voor de promovendus de moeite waard laat zijn toch door te gaan, maar financieel ondervindt hij alleen maar nadelen.

De constructie is alles behalve duurzaam, zo blijkt zodra externen naar de financiën op de afdeling gaan kijken. “Er was bij andere universiteiten ontdekt dat er sprake was van belastingontwijking. Dus mijn universiteit was zelf al intern bezig om alles recht te trekken in voorbereiding op een komende audit. Dit had voor mij grote financiële gevolgen, zo bleek in deze periode.” Volgens de financiële afdeling kunnen de uitkeringen aan Jerry niet hoger zijn dan de vooraf afgesproken bedragen, en daarom kunnen extra werkzaamheden die hij verricht niet vergoed worden, omdat dit ‘belastingtechnische’ gevolgen heeft.

Wat financieel houdbaar is blijkt alsnog een vloeibaar begrip wanneer Jerry na veel gesteggel een kamer weet te bemachtigen. “Ik ben onlangs aan een nieuwe woning geholpen door de housing afdeling van de universiteit.” Nadat hij weken lang zelf probeert een kamer te bemachtigen oefent zijn begeleider druk uit op de housing afdeling. Maar dan ineens blijkt hij voor dat ene telefoontje ‘bemiddelingskosten’ te moeten betalen.

Zonder dat hij hier akkoord op geeft maakt zijn afdeling dit bedrag, afkomstig uit de nog aan Jerry uit te keren contractgelden, over aan het housing bureau. “Het bedrag hebben de afdelingen onderling uitgewisseld. Het geld waar ik dus zogenaamd ‘geen recht op heb’ kan wel intern worden verschoven.”

Er is nog niets overgemaakt van het geld waar Jerry contractueel recht op heeft en hij wacht nu op het bericht van de universiteit over de financiële dekking van zijn onderzoekstraject na deze zomer. Voor Jerry is er in zijn traject dus geen financiële zekerheid. Aan de ene kant is hij bijna halverwege zijn promotie, en aan de andere kant is de andere helft totaal onzeker.

De promovendi die wij spraken zijn steevast met groot enthousiasme aan hun promotie begonnen. Het gebrek aan eerdere werkervaring en hun euforie maken dat ze hun handtekening zetten onder de meest opmerkelijke contracten of overeenkomsten. Het zijn arbeidsovereenkomsten die bij het minste of geringste beginnen te wankelen, en vaak nadelig uitpakken voor degene met de meest precaire rechtspositie: de promovendus.

Zijn deze dubieuze contracten nu werkelijk een probleem? Het gaat immers om een overeenkomst tussen promovendus en werkgever die beiden hebben getekend, maar toch dragen al deze gevallen bij aan een precair arbeidsklimaat voor jonge onderzoekers. Niemand lijkt deze situaties wenselijk te vinden, maar zoals Samira het treffend stelt: “Het ontbreekt alleen aan de structuren om elkaar verantwoordelijk te houden zonder er zelf voor op te moeten draaien.”


In deze reeks onderzoekt ScienceGuide de arbeidsvoorwaarden van promovendi. Wil je zelf een verhaal delen, neem dan contact op met de redactie via redactie@scienceguide.nl (inzendingen worden uiteraard vertrouwelijk behandeld). 


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK