Minder druk, meer impact

Wetenschapsbeleid moet zich niet alleen tot de universiteiten beperken

Opinie | door Barend van der Meulen
5 juni 2018 | Vandaag praat de Tweede Kamer over het wetenschapsbeleid. De Nederlandse wetenschap is van excellent niveau, NWO is gereorganiseerd en de nieuwe regering schreef € 400 miljoen bij op de rekening van het Nederlands onderzoek. Desondanks wordt het waarschijnlijk geen juichoverleg. Er zijn zorgen over de werkdruk, de toenemende competitie en de druk om impact te realiseren. Toch kan het: minder druk, meer impact.
Foto: USDA

Het Rathenau Instituut publiceert geregeld rapporten die over een periode van zo’n twintig jaar naar de ontwikkeling van het wetenschapsbeleid kijken. Voor de overheidsuitgaven kunnen we zelfs teruggaan tot 1966. Drie ontwikkelingen vallen dan op. Ten eerste, de drie beleidsdoelstellingen excellentie, impact en talentbeleid, kennen een lange historie. Ten tweede, de rol van het ministerie van OCW wordt steeds groter. In 1966 nam ze 58% van de uitgaven voor haar rekening. Dit jaar is dat percentage 74% en het blijft stijgen. Ten derde, de focus is volledig komen te liggen bij de universiteiten. Zij moeten excellent zijn, talent ’uitbroeden’ en maximale impact realiseren.

Meer impact

Met de huidige focus op de universiteiten, proberen we 100% van de doelstellingen van het wetenschapsbeleid met tweederde van de onderzoekscapaciteit te realiseren. Het overige deel -eenderde- van de onderzoekscapaciteit zit bij de publieke kennisorganisaties. Nog wel. Want waar het budget voor fundamenteel onderzoek in de afgelopen decennia gelijk bleef en nu weer stijgt, wordt er in dit deel van het onderzoeksysteem juist bezuinigd. Volksgezondheid, infrastructuur, milieu, energie, veiligheid: allemaal beleidsterreinen met belangrijke maatschappelijke uitdagingen waarop we de komende jaren vooruitgang verwachten. Maar de verantwoordelijke ministeries bezuinigen de komende jaren 10% tot 13% op hun onderzoeksuitgaven. De universiteiten kunnen op deze thema’s niet de impact realiseren die de TO2- en Rijkskennisinstellingen kunnen hebben, indien ze voldoende gefinancierd zouden worden.

De verdeling van middelen per type kennisinstelling. Figuur: Rathenau Instituut

Een goed voorbeeld hoe via de Nationale Wetenschapsagenda en de topsectoren kennis ontwikkeld en gebruikt kan worden voor maatschappelijke uitdagingen is waterstaat. Eind vorige eeuw werd duidelijk dat de waterhuishouding en kustverdediging van Nederland niet toekomstbestendig waren. Via een reeks van onderzoek- en innovatieprogramma’s is er in 15 jaar een kennisbasis gecreëerd voor verbeteringen in de waterketen (riolering, drinkwater, waterzuivering):, vernieuwing van het rivierbeheer, nieuwe vormen van kustverdediging, en integraal en klimaatrobuust waterbeheer in de steden.

Voor meer impact moeten we de Nationale Wetenschapsagenda snel openstellen voor publieke kennisorganisaties, en zullen behalve OCW ook de andere ministeries weer in onderzoek moeten gaan investeren.

Minder druk

Werkdruk ontstaat niet alleen omdat onderzoekers veel werk hebben. Dat zullen ze, omdat ze ook intrinsiek gemotiveerd zijn, altijd hebben of maken. Veel werk wordt werkdruk, onevenredige druk, als verwachtingen en middelen niet overeenkomen met die eigen motivaties. Realistischer zijn over impact en kennisbenutting is een eerste stap.

Valorisatiebeleid Sander Dekker is nog niet ingedaald.

Maar er is meer nodig en mogelijk. Van universiteiten wordt verwacht dat ze komende jaren meer zullen investeren in onderwijs. Dat creëert een grote werkdruk, en die zal verder toenemen. Zeker omdat we maar één soort verwachting hebben van wat een echte academicus moet doen.

Daaruit vloeit een beeld dat in alle universitaire opleidingen onderwijs en onderzoek verweven zijn. Dat docenten niet alleen voldoende tijd hebben voor wetenschappelijk onderzoek, maar daar ook internationaal in excelleren, persoonlijke onderzoeksbeurzen krijgen en het liefst zouden we zien dat de studenten dat ook al doen. Dat creëert verwachtingen die nooit waar te maken zijn.

Differentiatie

Iedereen aan de universiteit moet aan hetzelfde beeld voldoen, en iedereen moet boven de ander uitsteken. En wie dat niet doet moet naar het hbo. In 2010 was iedereen tevreden met het rapport ‘Differentiatie in Drievoud’. Hierin werd afgerekend met het idee dat er maar twee soorten studenten zijn, beroepsgerichte en wetenschapsgerichte. In de woorden van de commissie: “De binaire structuur van het Nederlandse bestel is internationaal herkenbaar, maar schiet tekort – ook weer internationaal bezien – als het gaat om de variëteit in typen onderwijs en niveaus, vooral in het perspectief van de toenemende diversifiëring in de vraag van studenten en werkgevers.”

In het wetenschapsbeleid kunnen we bijdragen aan die differentiatie en zo de druk op wetenschappelijke onderzoekers verminderen. Erken dat excellentie selectief is, en dus niet voor alle instellingen, onderzoekers, studenten, onderzoeksvragen en problemen het beste antwoord is. Het is onvermijdelijk dat niet alle onderzoekers een excellentiebeurs krijgen, en veel verstandiger als ze er niet allemaal een aanvragen. Minder excellentiebeurzen en minder aanvragen creëert ruimte voor andere onderzoekers om onderzoek te doen.

Minder excellentiebeurzen en minder aanvragen creëert ruimte voor andere onderzoekers om onderzoek te doen.

Accepteer ook dat er beroepsgerichte opleidingen zijn aan de universiteit, voor bijvoorbeeld tandheelkundigen en bestuurskundigen. En dat er onderzoeksintensieve opleidingen moeten komen aan de hogescholen. De eerste stap is om de verschillen binnen het hbo en het wo te erkennen. De tweede om daar consequenties aan te verbinden, bijvoorbeeld door in de financiering van universiteiten flexibeler te zijn in de koppeling tussen onderwijs en onderzoek.

Het is een fictie dat we de tienduizenden studenten economie, psychologie, bedrijfskunde of rechten kleinschalig kunnen opleiden. Daarvoor investeren we te weinig in deze vakgebieden. Laat staat dat dit gedaan moet worden door docenten die 40% van hun tijd ook aan onderzoek besteden. De mallemolen van de VENI, VIDI en VICI hoeft voor hen niet op te gaan.

De keerzijde hiervan is dat we moeten investeren in een aantal échte Universities of Applied Science: universiteiten voor praktijkgericht onderzoek. Voor steeds meer professionele beroepen, zoals journalisten en fysiotherapeuten, is het essentieel dat studenten geschoold worden in praktijkgericht onderzoek. In Nederland ontwikkelen de lectoraten zich maar langzaam en lijkt niemand een toekomstvisie te hebben en er in te willen investeren. Het kan wel, universiteiten voor praktijkgericht onderzoek. De voorbeelden in het buitenland zijn legio.

Excellentie, maximale impact en ruimte voor talent. Als we deze driedoelstellingen van de Wetenschapsvisie 2025 willen realiseren, moeten we breder kijken naar het wetenschapsbeleid en ook investeren in onderzoek buiten de universiteiten. Daar heeft heel Nederland baat bij.

Barend van der Meulen :  Hoofd onderzoek bij het Rathenau Insituut


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK