“Geen master zonder onderzoek en geen onderzoek zonder master”

Verslag | door Sicco de Knecht
28 september 2018 | Is uniformiteit in het masteraanbod van hogescholen belangrijk en moet onderzoek altijd onderdeel zijn van het programma? Vorige week kwam het Landelijk Platform Professionele Masters bijeen om een antwoord op deze vragen te formuleren.
Rob Verhofstad (links) en Petra Kanters (rechts) – Foto: ScienceGuide

Onlangs kwamen op de Hogeschool Utrecht de leden van het Landelijk Platform Professionele Masters (LPPM) bijeen. Het is een inhoudelijke meeting met direct betrokkenen bij de masteropleidingen uit het hele land. Net als bij de vorige meeting over internationalisering heerst er op de bijeenkomst een gemoedelijke en open sfeer. De discussies zijn inhoudelijk en constructief.

Internationalisering in de hbo master: dichtbij en ver weg

Het LPPM is vanuit een zogenaamde grassroots beweging inmiddels uitgegroeid tot een serieus en erkend overlegorgaan voor de sector. Bestuurlijke erkenning is er onder andere vanuit de Vereniging Hogescholen (VH) die de bevindingen van het netwerk zeer serieus neemt. Vandaag is vicevoorzitter Rob Verhofstad van de Hanzehogeschool aanwezig, hij is lid van de commissie onderwijs van de VH en fungeert naar eigen zeggen als schakel.

“Waar ik het platform voor nodig heb is om de dilemma’s en bevindingen kraakhelder te beleggen,” zegt Verhofstad tijdens het ochtendprogramma tegen de zaal. “Het is nu eenmaal zo dat masteronderwijs maar een bescheiden onderdeel is van wat er allemaal in de commissie onderwijs van de VH wordt besproken, maar het gaat mij zeer aan het hart en ik laat me graag voeden.”

Aanbod afstemmen op metaniveau

Is uniformiteit nodig, en zo ja, op welk vlak? De centrale vraag voor deze bijeenkomst is welke rol onderzoek in de masteropleiding moet spelen, en hoe deze rol tot stand komt. Moet een masteropleiding verplicht verbonden zijn aan een lectoraat, en vice versa, of mag dit ook losser georganiseerd zijn? Verschillen in opvatting zijn er zeker, en duidelijk is ook dat lang niet iedereen op zoek is naar uniformiteit.

“De vraag is of het erg is als er geen uniform beleid is op hoe een masteropleiding eruit moet zien of georganiseerd moet zijn,” zegt Petra Kanters, voorzitter van het LPPM. “Het gaat er denk ik vooral om dat we met elkaar in gesprek blijven.” Daarbij is het volgens haar essentieel dat dit gesprek voorbij de boodschap ‘wij doen het zo’ gaat, maar dat de sector een collectief bewustzijn kweekt met ruimte voor diversiteit in welk accent opleidingen leggen. “We moeten op metaniveau bepalen wat we willen zijn als hbo en wat voor aanbod er moet zijn.”

“De vereniging heeft op dit punt niet een visie die ik hier neer kan leggen,” moet Rob Verhofstad teruggeven op de vraag wat de lijn is die de VH trekt op dit thema. Alhoewel individuele instellingen, waaronder zijn eigen Hanzehogeschool, daar een duidelijk beeld van hebben is er geen eenduidig beeld van wat een master moet zijn. “We overleggen nu te weinig over het aanbod en ik ben wel voor een overkoepelend portfolio-overleg als je het mij vraagt.”

Wat komt er eerst, de master of het lectoraat?

Waar sommige opleidingen zichzelf sterk profileren op hun beroepsgerichte karakter zijn er andere masters die juist de onderzoekscomponent uitlichten. Verhofstadt, die daarbij aangeeft te spreken op eigen titel en niet namens de VH heeft een heldere mening over de samenhang. “Geen master zonder onderzoek en geen onderzoek zonder master,” Voor hem en zijn Hanzehogeschool zijn deze onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Als het uitgangspunt is dat een master niet kan bestaan zonder dat daar een onderzoeksgroep tegenover staat heeft dat niet de minste gevolgen zo benadrukt Kanters. “Als een lector niet alleen goed moet zijn in zijn vak als onderzoeker of als opleider, maar ook nog eens moet publiceren en middelen moet vergaren, dan is dat een welhaast onmogelijke vijfvoudige opdracht.”

“En, als een master niet kan bestaan zonder onderzoek, moet dat dan altijd via een lectoraat?” is de vraag die Kanters daar aan verbindt. Er zijn uiteraard andere opties mogelijk, zoals een verbinding met universiteit of een kenniscentrum, of een eigen onderzoekspoot zonder verbinding met een lectoraat. “Je moet maar net mazzel hebben dat jouw hogeschool een lectoraat heeft voor het vakgebied waarin je een master op wilt richten.”

Volgens Verhofstad is het lectoraat inderdaad niet het doel op zich, maar een instrument. “Je moet per instelling kijken hoe je het organiseert, en dan kom je al heel snel op een lectoratenplan.” Ook via de Centers of Expertise was men volgens hem bezig om een aantal aandachtsgebieden samen te binden.

Voorbeelden uit de praktijk

Op lang niet alle instellingen is de verhouding hetzelfde als bij de Hanzehogeschool. Vaak is ook de ontstaansvolgorde anders. Jack de Swart, lector Social Work van Saxion legt uit hoe bij hen de masteropleiding Social Work tot stand kwam. “De master is in 2002 begonnen als een niet-bekostigde master.” In die tijd waren er nog amper lectoraten en speelde de master vooral in op de vraag uit de sector. Sinds 2009 is de opleiding wel bekostigd, wat een impuls aan aan studenteninstroom heeft gegeven.

“Inmiddels zijn er twee lectoraten betrokken bij de opleiding en wij hebben ervoor gekozen de lectoren aan het roer te zetten,” vervolgt De Swart. Inmiddels zijn de lectoren samen met course director lid van de curriculumcommissie. Een andere keuze die de opleiding heeft gemaakt is om docenten uit het onderzoek te betrekken. “Onze docenten zijn onderzoeker in het lectoraat. Studenten waarderen dit ook enorm, wat blijkt uit de positieve studentenevaluaties.”

De tegenovergestelde ontstaansgeschiedenis komt ook voor, zo vertelt Marcel Spruit van de Haagse Hogeschool “Bij ons kwam de onderwijsopdracht pas na het lectoraat,” vertelt hij. “Dus wij hoefden niet te bedenken hoe we het onderzoek er achteraf nog eens aan konden breien.” Het vloeide volgens hem logischerwijs voort uit de lectoraten Cyber Security & Safety en Network & Systems Cyber Security om een masteropleiding op te richten. “Er was genoeg animo vanuit lectoren en docenten om deze opleiding samen te ontwikkelen.”

De tweejarige post-initiële master Cyber Security Engineering richt zich vooral op beroepsprofessional. Bij voorkeur komen deze nadat ze de bachelor op de Haagse Hogeschool hebben gevolgd en twee jaar werkervaring hebben via de werkgever weer terug. Spruit wil af van het woord ‘professional’, met name vanwege de buitenwacht. “Binnen het hbo vinden wij dit een positieve term, maar in de buitenwereld wordt dit opgevat als: er zijn blijkbaar twee soorten masters: de echte en de lagere vorm. Het wordt echt niet geïnterpreteerd als: dit is professioneel ten opzichte van amateuristisch.”

Geen groei in masteropleidingen

De vraag hoe masteropleidingen en onderzoek aan hogescholen moeten worden geïntegreerd en vormgegeven heeft ook een sterke financiële component. Waar in het wo een forse onderzoeksopslag per student wordt gegeven is dit in het hbo met €150 per student per jaar maar een fractie. “Gelijke bekostiging is nog niet helemaal gelukt,” zegt Verhofstad, “maar daar wordt aan gewerkt.” Al met al maakt dit de afstemming tussen onderwijs en onderzoek wel heel anders benadrukken meerder aanwezigen.

Wat op de achtergrond van dit thema ook meespeelt is de constatering dat het aantal masterstudenten in het hbo nagenoeg stabiel is. Dat terwijl de doelstelling van de Vereniging Hogescholen is om de omvang van de masteropleidingen te laten groeien. Het actieplan professionele masters van de Vereniging Hogescholen (VH) uit 2016 stelde dit doel op 10.000 masterstudenten in ‘20|’21.

Tussen 2016 en nu is die doelstelling echter niet veel dichter binnen bereik gekomen. De landelijke instroom in de master blijft al jaren steken rond de 5.000 studenten. Wel is er forse groei te zien in de Associate Degrees, maar deze vallen niet onder de noemer professionele masters.

Wie is de doelgroep?

Een van de belangrijke vragen voor hbo-masters lijkt dan ook te zijn wat nu eigenlijk de doelgroep is in termen van studenten. In feite is het voor net afgestudeerde hbo-bachelors lang niet vanzelfsprekend om deze route te overwegen. “Het is een open deur die ik graag nog eens open trap,” zegt Verhofstadt die toch nog eens aandacht vraagt voor de toegankelijkheid. “Het is natuurlijk fantastisch dat er inmiddels een rimpelloze doorgang naar de masteropleiding is ontstaan.”

“De bestaande situatie voor veel studenten was dat je na een hbo-bachelor zeer waarschijnlijk werd geconfronteerd met allerlei ingangseisen en overbruggingsjaren, barrières die werden opgeworpen.” Verhofstadt denkt dat dit probleem de afgelopen jaren een stuk minder is geworden en dat het goed is dat er erkenning komt voor de professionele masters in het hbo. “We tonen daar ook als sector veel te weinig trots voor.”

Wijzend op de realiteit van studentengedrag denkt Verhofstadt dat een goede master voldoende aantrekkende werking heeft om studenten in beweging te krijgen. “Voor een associate degree gaan studenten niet naar de andere kant van het land reizen, bij professionele masters ligt dit echt anders.”

Uit andere presentaties die dag blijkt dat niet iedereen het zo ziet. Zo vraagt een aantal professionele masters om minimaal twee jaar werkervaring, wat de facto inhoudt dat een student niet direct door kan vanuit de bachelor. En, zo merkt een aantal coördinatoren in een sessie over praktijkgericht onderzoek op, de gemiddelde leeftijd van masterstudenten in het hbo ligt eerder tussen de 40 tot 45 jaar oud dan rond de 20 tot 25 jaar.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK