Onderzoek naar onderwijs vindt moeilijk weg naar de praktijk

Nieuws | door Esther Baar
5 oktober 2018 | Het onderwijsonderzoek is te versnipperd en de resultaten van onderzoek vinden maar mondjesmaat hun weg naar de beroepsgroep: leraren. Dat concludeert een stuurgroep ingesteld door NRO, SIA en de VH. In het rapport Praktijkgericht onderwijsonderzoek in wisselwerking adviseert de stuurgroep dan ook een netwerk van samenwerkingsverbanden tussen onderzoekers en leraren op te zetten.
Leraren bij de Katholieke Pabo Zwolle – Foto: Ellis van Dam

De Vereniging Hogescholen (VH) heeft in 2015 toegezegd de kwaliteit van de lerarenopleidingen te willen versterken. Het praktijkgerichte onderzoek van de lerarenopleidingen Leijnse (2014) maakte onderscheid tussen vier ‘lagen’ in praktijkgericht onderwijsonderzoek. 1) Leeronderzoek van studenten aan de lerarenopleidingen 2) Evaluatieonderzoek van leraren in hun eigen lespraktijk; probleemoplossend onderzoek van leraren binnen de hogeschool 3) Praktijkgericht onderzoek gericht op het produceren van kennis die het lerarenberoep moet ontwikkelen (kerntaak van lectoraten) 4) Theorie- en discipline gestuurd onderzoek gericht op produceren van kennis die zowel theoretisch is als toepasbaar in de praktijk zou namelijk “versnipperd” zijn. Een verslag uit 2016 door de VH, ‘Volop in beweging’, liet zien dat er onvoldoende voortgang was geboekt op dit gebied.

Gesprekken tussen de VH, het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO), en Regieorgaan SIA hebben geleid tot de installatie van de Stuurgroep Ondersteunend Programma Praktijkgericht Onderwijsonderzoek (OPPO). De stuurgroep heeft zich als doel gesteld “een interventie te plegen die lectoren en CvB’s verleidt en het hen mogelijk maakt om te komen tot het thematisch, meerjarig programmeren van praktijkgericht onderzoek.”

Afgelopen juni kwam de stuurgroep met een rapport genaamd Praktijkgericht onderwijsonderzoek in wisselwerking. Dit adviesrapport is de derde en laatste fase in haar activiteiten waarin de antwoord wordt gegeven op de centrale vraag: hoe kan de doorwerking van praktijkgericht onderzoek worden vergroot?

Gebrek aan eigenaarschap

In het rapport schetst de stuurgroep eerst de huidige stand van zaken. Sterke punten zijn het groeiende aantal lectoraten en samenwerkingsverbanden. Hierbij wordt ook gezegd dat er in lectoraten veel promoties plaatsvinden wat lectoren veel tijd kost. Tegelijkertijd kost de verplichte onderwijstaak van promovendi hen veel tijd die ze niet kunnen besteden aan onderzoek.

Het rapport benoemt daarnaast een drietal tekortkomingen aan de huidige status van praktijkgericht onderwijsonderzoek. Ten eerste is er een kloof tussen onderzoek en de praktijk. Hoewel het onderzoek vaak meerwaarde voor de onderzochte praktijk heeft “levert het nog niet altijd kennis op die ook toepasbaar is in andere contexten.”

Ten tweede voelen leraren zich weinig eigenaar van de onderzoeksresultaten. Dit komt enerzijds voort uit het feit dat de “vragen uit hun praktijk te weinig als uitgangspunt worden genomen.” Anderzijds hebben leraren überhaupt niet genoeg tijd om de resultaten die voortkomen uit onderwijsonderzoek tot zich te nemen, laat staan om ze op een zinvolle manier in te zetten in de praktijk.

Een opvallende laatste constatering is dat onderzoekers onvoldoende onderscheid maken tussen vragen die met reeds bestaande kennis kunnen worden beantwoord, en vragen die nader onderzoek behoeven. Ook is niet altijd duidelijk tot in hoeverre onderzoek aansluit bij andere initiatieven. Dit leidt ertoe dat NRO en SIA aanvragen moeten afwijzen omdat ze niet voldoen aan de criteria.

“Focus en massa” ontbreken volgens het rapport zowel landelijk als regionaal. Netwerken van lectoren en onderzoekers zijn beperkt en niet structureel ingebed. Initiatieven zijn vaak ad hoc en tijdelijk en lectoren hebben te weinig tijd om in netwerkverband te participeren.. “Samengevat betekent dit versnippering van tijd en energie van onderzoekers, versnippering van subsidiegeld en versnippering van kennis.” De impact is volgens het rapport dus, vooralsnog, “relatief beperkt.”

Versnipperd landschap zoek regisseur

De stuurgroep is positief dat er veel kansen zijn die in de nabije toekomst de impact van onderwijsonderzoek kunnen vergoten. Daarbij kijkt men hoopvol naar de beschikbare financiële middelen en naar het politieke klimaat. In De staat van het onderwijs wordt gesteld dat actie noodzakelijk is om de kwaliteit te verbeteren. Er is de ambitie om in 2019 een gezamenlijke R&D-agenda te presenteren. In de nieuwe cao staan twee functieniveaus voor leraren waarin expliciet aandacht is voor onderzoek.

Werkplaats ’23

Het advies van de stuurgroep is tweeledig: interveniëren in de kennisstructuur en de bestaande expertise bundelen. De stuurgroep laat weten allereerst aan te willen sluiten bij bestaande initiatieven en deze te willen versterken; het doel is niet om een nieuwe aanpak te ontwikkelen.

De oplossing voor de gestelde problemen die de stuurgroep voorstelt is een bundeling van scholen en onderzoeksinstellingen: Werkplaatsen Onderwijsonderzoek ’23. Deze werkplaatsen ontvangen extra financiële steun om te inventariseren welke ondersteuning nodig is en moeten professionals ontlasten. Ze moeten de bedding vormen voor de koppeling tussen onderzoek en onderwijsvernieuwing.

Iedere werkplaats werkt aan een bepaald thema en moet daarbinnen voor doorwerking zorgen door via professionalisering, werkbijeenkomsten, en contact met de media. Een van de betrokken lectoren van een hogeschool is penvoerder, en deze is tevens ook voorzitter van de bijhorende regiegroep. De werkplaatsen moeten lectoren, onderzoekers, lerarenopleiders, leraren en schoolleiders samenbrengen om doorwerking te stimuleren. Concreet raadt de stuurgroep NRO en SIA aan om per 2018 vier werkplaatsen te starten. Een programmacommissie bestaande uit deskundigen moet de ontwikkeling van deze werkgroepen moeten monitoren.

Er lopen op dit moment al enkele pilots bij het NRO met Werkplaatsen Onderwijsonderzoek. Een evaluatie van twee jaar Werkplaatsen in het primair onderwijs was positief over de effectiviteit ervan. “Onze conclusie is dat de leraren, schoolleiders, bestuurders, onderzoekers, lectoren en hoogleraren in Tilburg, Amsterdam en Utrecht een prestatie van formaat hebben geleverd, zeker als je weet dat de werkplaatsen in de zorg vijf jaar nodig hadden om tot wasdom te komen.” De auteurs van deze evaluatie zijn er zeker van dat de werkplaatsen de positieve impact van praktijkgericht onderzoek in het primair onderwijs hebben vergoot.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK