Onderwijsraadadvies moet stip op de horizon zijn voor regering

Interview | door Sicco de Knecht
21 november 2018 | Het advies van de Onderwijsraad over het kwalificatiestelsel voor het leraarschap maakt veel los in de sector. Er zijn ook misverstanden over wat er nu precies in het advies staat. “Leraren worden juist uitgenodigd om zich verder in het vakgebied te bekwamen," zegt voorzitter van de Onderwijsraad Henriëtte Maassen van den Brink.

Revolutionair maar niet geheel onverwacht. Het recente advies van de Onderwijsraad over leraren is nu al twee weken ‘the talk of the town’ in onderwijsland en beroert menig leraar, opleider en bestuurder. Een enorme verrassing is het voor velen niet, maar dat de raad zo luid en duidelijk oproept tot ontschotting, een gezamenlijk salarishuis en een nieuwe kwalificatiestructuur heeft menigeen wel degelijk verrast.

Geen directe oplossing voor het lerarentekort

Alhoewel de officiële aanleiding voor het rapport het lerarentekort was, heeft de Onderwijsraad besloten om een veel breder advies te schrijven. “We hebben een tijd geleden al een brandbrief geschreven over wat er op korte termijn met het lerarentekort moet gebeuren,” zo licht voorzitter Henriëtte Maassen van den Brink toe. “In dit advies wilden wij dieper ingaan op de vraag hoe je mensen op langere termijn behoudt voor het vak.”

In een lange serie discussies binnen de raad heeft men de vraag vanuit de Tweede Kamer dan ook van alle kanten bekeken. Uit dit proces, dat zij zelf ook wel tossing the question noemen, concludeerde de raad dat het beter was direct naar de kwalificatiestructuur te kijken. Maassen van den Brink: “Er is de laatste jaren van alles gedaan aan de instroom, maar het grote probleem is het behoud van leraren.”

Om dat te doen is er een nieuwe kwalificatiestructuur nodig, en moet er een congruente wijze van beloning komen van po tot en met mbo. Een goede ontwikkeling volgens Ton Heerts, voorzitter van de MBO Raad. “Het systeem is helemaal dichtgeregeld, en het is goed dat men een punt maakt om tot meer samenwerking te komen.” Hij ziet vooral heel veel mogelijkheden om knelpunten weg te werken op een wijze die de kwaliteit borgt.

“Er is de laatste jaren van alles gedaan aan de instroom, maar het grote probleem is het behoud van leraren.”
Henriëtte Maassen van den Brink - Onderwijsraad

In het mbo is er op dit moment nog geen groot lerarentekort, zegt Heerts. “De enige plek waar echt een tekort is, dat is in de technische vakken.” Daar ziet hij dat de aanpak die de raad voorstaat wel degelijk een uitkomst kan zijn. “Het zou prachtig zijn als we leraren met een specifieke opleiding met een kleine aanpassing ook geschikt kunnen maken voor een ander deel van het onderwijs. Daar zijn wij het mee eens.”

Niet iedereen aan tafel

Kritiek was er ook op het feit dat bonden en koepels niet bij het advies betrokken zijn geweest, alhoewel dit ook door velen in de sector ook als een groot pluspunt wordt gezien. Maassen van den Brink heeft wel een toelichting bij deze keuze. “Dat vonden wij ook in eerste instantie helemaal niet nodig. Wij wilden voornamelijk de leraren en de lerarenopleiders betrekken en daar hebben we ons dan ook op gericht in de vele gesprekken en bijeenkomsten die hier aan vooraf zijn gegaan.”

Ook wat betreft de inhoud van het advies waren de koepels niet de meest voor de hand liggende gesprekspartner volgens Maassen van den Brink. “We wilden niet op zoek naar de tegenstellingen in belangen, maar naar de redenen waarom we met dat aanhoudende probleem van het lerarentekort zitten.” Dat gesprek moet je volgens haar dan ook voeren met die mensen die er in de dagelijkse praktijk mee te maken hebben. “De koepels komen later.”

Dat de raad ook aanbevelingen doet die primair de werkgevers aangaan is daarbij onvermijdelijk, maar nog geen reden om de belanghebbenden aan tafel te zetten. “In principe gaan wij bijvoorbeeld niet over het loongebouw, en een koepel zal daar van alles van vinden. Maar wij moeten wel constateren dat de ongelijke beloning tussen sectoren wel degelijk een bron van onrust is in het onderwijs en mobiliteit tegenhoudt.”

Revolutionair maar niet verrassend

Menno Pistorius, directeur van de Faculteit Educatie van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, leest in het advies in ieder geval een duidelijke weerklank van wat er in de sector leeft. “Het zat er wel aan te komen. De gesprekken gaan hier al een aantal jaar over de vraag hoe wij tussen die schotten vandaan komen. Het is dan wel revolutionair, maar eigenlijk sluit het vrij goed aan op de praktijk.”

“Als je kijkt hoeveel verschillende eisen er aan de individuele lerarenberoepen worden gesteld, dan moet je constateren dat die verscheidenheid niet meer behapbaar en beheersbaar is. Dat verkokert gewoon te sterk.” Het zorgt er volgens Pistorius vooral voor dat alle flexibiliteit in de personeelsinzet verdwenen is. “De onderlinge uitwisseling, waar veel scholen mee te maken hebben, is gewoon niet meer mogelijk.”

"Het is dan wel revolutionair, maar eigenlijk sluit het vrij goed aan op de praktijk.”
Menno Pistorius - HAN

Het zijn de vele soms wel heel specifieke kwalificaties die het systeem nodeloos hebben gecompliceerd, en de leraren gevangenhouden in doodlopende straten. De afgelopen decennia volgde het ene initiatief om de instroom in de lerarenopleiding te verhogen op het andere. Ongeacht het feit dat daar zeker succesvolle initiatieven tussen zaten om de instroom te verhogen stelt Maassen van den Brink dat al deze verschillende routes uiteindelijk weinig opgeleverd hebben.

“Er is ongelooflijk veel geld en energie gegaan naar dit soort maatregelen. Maar als je niet structureel bijhoudt wat eruit komt, en iedereen blijft ontevreden, dan is er wel iets mis.” Voor de Onderwijsraad was dat ook de reden om eens integraal en structureel te kijken naar het onderwerp. “We wilden af van het type suggestie: doe nog maar eens €200 miljoen en maak de pabo maar gratis. Daar zit het probleem niet, dat zit wel in de lange termijn en in het perspectief.”

Pedagogiek, didactiek en vakkennis

Daags na publicatie was het meest hete hangijzer onder leraren en in de vakverenigingen de vermeende voorkeur voor pedagogiek en didactiek boven vakkennis. Ook het voorstel van de Onderwijsraad om clusters van onderwijsbevoegdheden in te voeren (zoals verwante vakken) en niet op te leiden voor een enkel vak deed menigeen de afgelopen weken de wenkbrauwen fronsen.

Maassen van den Brink ziet dat er veel onjuiste interpretaties rondzingen van wat er in het advies wordt gesteld. Zo is het bepaald niet zo dat er wordt gesteld dat het allemaal wel wat minder kan met de vakinhoud. “Leraren worden juist uitgenodigd om zich verder in het vakgebied te bekwamen.”

In het advies wordt gesteld dat pedagogiek, didactiek en vakinhoudelijke kennis alle drie belangrijk zijn. En niet mogen ontbreken . Een opleidingstraject moet deze basis garanderen. “Dat hoeft dus niet een bepaalde vaste volgorde, eerst pedagogiek en didactiek en daarna vakinhoud.” Die woordjes ‘niet volgtijdelijk’ lijken door sommigen dan ook (expres) over het hoofd gezien te worden. “Het doel is niet om uiteindelijk te eindigen met halfslachtige scheikunde/natuurkunde leraren, het doel is om de kwaliteit beter te waarborgen op drie niveaus.”

“Herhaling van vakkennis die al aanwezig is, is zonde van de tijd."
Henriëtte Maassen van den Brink - Onderwijsraad

Het advies stuurt volgens Maassen van den Brink dan ook zeker niet aan op een nivellering van de vakkennis. Wel is ze kritisch op opleidingen waar de pedagogiek en didactiek een duidelijke ondergeschikte rol spelen. “Herhaling van vakkennis die al aanwezig is, maar redundant wordt omdat het nog eens wordt herhaald in een vervolgopleiding, is zonde van de tijd. Daar kan meer afstemming plaatsvinden met de kennis en kunde van een student. Als je al geweldige vakkennis hebt over een bepaald gebied, dan moet je dus vooral de pedagogiek en didactiek tot je nemen.” 

Waarom kiezen studenten voor de lerarenopleiding?

Volgens de raad is het gebrek aan differentiatie in de bekwaamheidseisen als ‘het boven de lesstof’ staan juist een belemmering. “Je moet ‘boven de stof staan’ is een dergelijk vaag criterium dat daar amper op valt te ontwikkelen.” Mede hierdoor is het volgens Maassen van den Brink bijna onmogelijk om het carrièreperspectief van leraren af te stemmen op de kwalificatiestructuur. “Het zijn allemaal minimumeisen, daar kom je dus niet ver mee.”

De gedachte achter het advies is dus om binnen zo’n criterium specifieker te zijn wat dat boven de stof staan betekent, en hier ook gevolgen voor opleidingseisen en functieprofielen aan te verbinden. Toch zijn er zorgen over de toekomstige aantrekkelijkheid van de lerarenopleiding als de kwalificatiestructuur verandert. Studenten in de lerarenopleidingen voor in het voortgezet onderwijs kiezen immers voor een vak, in het primair onderwijs kies je voor ‘iets met kinderen’.

Dat is in ieder geval de constatering van Pistorius die dit terugziet op zijn faculteit “Er zijn niet zo veel studenten die direct vanaf het vwo kiezen voor de lerarenopleiding. We hebben veel mensen in onze tweedegraads opleiding die al een opleiding af hebben gemaakt of er mee gestopt zijn.” Hij ziet in zijn veld dat dit vaker de studenten zijn die dit als een tweede kans zien om aan een baan te komen.

Volgens Pistorius moet hier wel een onderscheid gemaakt worden tussen de beweegreden om een opleiding te gaan volgen, en de verantwoordelijkheid van de opleiding om een goede leraar af te leveren. “Het keuzeproces is vanuit studenten inderdaad gericht op de vakinhoud, maar dat betekent niet dat je in de opleiding niet de basis van het lerarenvak moet doceren. Pedagogiek en didactiek moeten een stevige basis zijn, en daarom is een eerstejaars stage cruciaal.” Dat studenten na die ervaring ervoor kiezen om de opleiding te staken heeft Pistorius liever dan dat dit in het eerste jaar op de school gebeurt.

De praktijkshock opvangen

De Onderwijsraad besteedt in het advies specifiek aandacht aan de zogenaamde ‘praktijkshock’ als grote reden dat beginnende leraren afhaken. Wat in de reacties op het advies dan ook relatief onderbelicht is gebleven zijn de verbeteringen op de werkplek oftewel de arbeidstructuur waar de Onderwijsraad op aandringt. Uiteindelijk is het daar dat beginnende leraren hun eerste ervaringen met het echt zelfstandig verzorgen van onderwijs opdoen. “Je kunt van alles doen in de opleidingen maar het moet ook weerklank vinden op de werkplek,” zegt Maassen van den Brink.

Heerts kan zich daar zeker in vinden. Ook hij ziet hoe vooral beginnende docenten het moeilijk hebben om hun draai te vinden. “Om te voorkomen dat het een ratjetoe wordt hebben wij in onze nieuwe cao voor startende docenten, ongeacht de leeftijd, 100 uur in het eerste jaar ingeruimd voor het inwerken.”

Volgens Maassen van den Brink zijn bepalingen in een cao belangrijk, maar zijn ze pas nuttig als men zich er ook aan houdt. “Dat vergt nogal wat van het personeelsbeleid van de scholen. Met een jaargesprekje hier, en een evaluatiegesprekje daar gaan we het niet redden.” Het is volgens haar een kwestie van serieus tijd en middelen vrijmaken om het personeel zich meer te laten ontwikkelen.

Alle carrièrepaden leiden tot rector

De professionele ontwikkeling van leraren is duidelijk een onderwerp waar nog flink over doorgekauwd moet worden. Dat blijkt ook bij de presentatie van het advies in de Tweede Kamer. Kamerleden willen daar weten of het samenvoegen van de cao en loongebouw voor po, vo en mbo de personeelsstructuur niet te platslaat.

Op die vraag heeft Maassen van den Brink een duidelijk antwoord. “Het is nu juist veel te plat. Wat wij voorstellen is het tegenovergestelde van plat.” Volgens haar is ontwikkeling hier het kernwoord, maar wordt daarbij vaak in de verkeerde richting gedacht. “De echte pushfactoren zijn dat mensen in het primaire proces, het lesgeven, zich verder kunnen ontwikkelen en specialiseren.”

De trend die de Onderwijsraad met hun advies in ieder geval wil doorbreken is dat het enige ontwikkelpad in een school in de richting van teamleider of rector is. “Je kunt dan wel promotie maken maar daar kun je verder in termen van het primaire proces niets mee.” De differentiatie moet hem volgens de raad in de ontwikkeling van leraren zitten. “Dat betekent ook dat je ruimte maakt voor leraren die willen promoveren, of voor het specialiseren in lastige klassen.

Vaker overstappen tussen sectoren?

Of bredere kwalificaties er werkelijk toe leiden dat leraren de overstap tussen sectoren, bijvoorbeeld van het primair naar het voortgezet onderwijs, zullen maken wordt openlijk betwijfeld, maar Pistorius denkt er niet zo somber over. “Als het beloningsbouwwerk gelijkgetrokken is dan weet ik zeker dat mensen de overstap zullen gaan maken.” Hij wijst ook op het feit dat er in Nederland inmiddels een aantal zogenaamde tienerscholen zijn waar in feite al het bewijs geleverd wordt dat dit zou kunnen werken.

“Als het beloningsbouwwerk gelijkgetrokken is dan weet ik zeker dat mensen de overstap zullen gaan maken.”
Menno Pistorius - HAN

Ook Heerts ziet dat er in de praktijk al veel van dit soort trajecten in ontwikkeling zijn. “In de bovenbouw van het vmbo en de eerste jaren van het mbo vindt ook al uitwisseling plaats en men is daar tevreden over.” Ook zijn er volgens hem genoeg voorbeelden van plaatsen waar hbo-docenten ook in het laatste jaar van het mbo lesgeven. “Dat gebeurt regionaal al best vaak, bijvoorbeeld als deel van de voorbereiding op de doorstroom het hbo.”

Pistorius wijst ook op de mogelijkheden die er inmiddels in de deeltijdopleidingen al zijn om mensen bij te scholen en te bekwamen. “Die mogelijkheden moeten we ook kunnen benutten in de voltijdsopleiding. Als studenten met een breder pakket afstuderen en met die bekwaamheid het werkveld in kunnen, dan kunnen ze met een traject later ook bevoegd worden gemaakt.”

Over de vraag of het werkveld de capaciteit in huis heeft op het gebied van personeelsbeleid om mensen fatsoenlijk bij te scholen en in een traject te zetten is Pistorius positief, maar hij ziet zeker een rol voor de hogeschool hierbij. “Je moet dat samen met een hogeschool doen, en die moet ook de kwaliteitsborging doen. Op de werkplek moeten wel de voorwaarden aanwezig zijn, en de hogeschool moet dit controleren. In feite dus een instroomeis voor de student en voor de school.”

Diversiteit en verscheidenheid in lerarenteams

De raad neemt het advies ook als gelegenheid om minder “uniform naar de beroepsgroep van leraren te kijken”, een zinsnede die de oren van menigeen doet spitsen. Betekent dit niet juist meer ruimte voor broddelwerk en het inzetten van ongekwalificeerde docenten? Geenszins, zo stelt Maassen van den Brink: “We zien juist dat er simpelweg te veel onbevoegde mensen voor de klas staan en dat willen we tegengaan.”

Maar het beeld van een homogeen team van leraren met allemaal een eerste- of tweedegraads bevoegdheid is wel degelijk achterhaald, en ook niet wenselijk zo stelt de raad. “Goede lerarenteams kunnen gemengd zijn samengesteld uit fulltimers, parttimers, hybride docenten, zijinstromers, en dergelijke. Bevoegdheid van leden van zo’n lerarenteam is daarbij wel het uitgangspunt.” Heerts kan zich in ieder geval goed in dit beeld vinden. “Wat ik zie aan teams in po, vo en mbo – wat ook weer heel dicht tegen het hbo aanzit, is heel divers. We zullen er toch naartoe moeten dat er meer hybride docenten komen, zeker in het beroepsonderwijs.”

“Wij kennen in het mbo ook instructeurs die als bevoegde voor de klas kunnen staan en lessen kunnen geven.” Volgens Heerts is het wel behoorlijk maatwerk dat je moet leveren. “Het maakt pedagogisch en didactisch nogal uit of je lesgeeft aan een 23-jarige op het mbo of in de bovenbouw van de theoretische leerweg. Maar als je de kerncompetenties hebt en liefde voor het vak dan is dat het begin van heel veel.”

Ook Pistorius erkent de meerwaarde van diverse teams. “Maar met enkel hybride docenten en circulaire carrières alleen ga je het niet redden. De zijinstroom trajecten zijn toch nog behoorlijk lange trajecten.” Volgens hem zou het mooi zijn als er een aantal afgebakende taken in het onderwijs wordt geformuleerd die met zijinstroom op zijn op te lossen die wel verlichting bieden voor het lerarentekort.

"Als je de kerncompetenties hebt en liefde voor het vak dan is dat het begin van heel veel.”
Ton Heerts - MBO-Raad

Niet iedereen hoeft volgens Pistorius een allround leraar te zijn, er kan juist heel veel werkdruk worden weggenomen door wat flexibeler om te gaan met de kwalificatiestructuur. “Pedagogen zijn er bijvoorbeeld te over! Maar als die op dit moment echt les wil geven dat moet die een opleidingstraject van twee jaar in om basisleerkracht po te worden. Ik kan me voorstellen dat een school ziet dat zo iemand bijvoorbeeld ook met een kleinere groep leerlingen aan de slag kunt.”

Toch niet weer een commissie?

Toch voelt het advies niet helemaal af, en laat de Onderwijsraad de uitwerking van zijn visie over aan een commissie. Het Nederlandse (hoger) onderwijs wemelt van de commissies, en daadkrachtig en doortastend zijn niet de bijvoeglijke naamwoorden die de meesten te binnen zullen schieten bij het horen van dit voorstel.

Maassen van den Brink begrijpt dat de aanbeveling om een commissie in te stellen enige teleurstelling losmaakt maar zegt zich genoodzaakt te hebben gevoeld het op deze manier op te lossen. “Het onderwerp is zo groot, en er moet zo veel uitgewerkt worden als je daar een mouw aan wilt passen, dat ging ons niet meer lukken. Anders was het advies nooit gepubliceerd.”

Het is afwachten wat de reactie van de Tweede Kamer zal zijn – het advies is immers aan hen gericht – en een beleidsreactie vanuit het ministerie van OCW voordat duidelijk wordt of er überhaupt overgegaan zal worden tot het instellen van een commissie. Toch wordt er op lokaal niveau al druk gediscussieerd over het advies. “Wij hebben hier al twee lunchbijeenkomsten belegd om over de mogelijke implementatie te spreken met collega’s,” vertelt Pistorius.

Wat Pistorius betreft zou de insteek op dit moment ook niet moeten zijn om het advies in een keer te willen implementeren. Daarvoor is het nog te veel een gedachtelijn en geen concreet voorstel. “Het in een keer implementeren van het advies is ook nergens voor nodig. Dat zal betekenen dat je zo’n massief gesprek moet voeren dat je pas over een jaar of vijf tot tien ook aan de slag kunt. Daarvoor is het probleem te urgent.”

Het advies is volgens de Onderwijsraad ook een stip op de horizon, en geen conclusie. Pistorius kan zich daar goed in vinden en verwacht het meest van een geleidelijke transitie. “De regering moet het denken uit dit advies nu nemen als stip op de horizon en de aankomende jaren met wetgeving in deze richting werken.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK