Hbo-docenten maken het meeste gebruik van promotiebeurzen

Nieuws | door Frans van Heest
19 december 2018 | Docenten in het hbo maken veruit het meeste gebruik van een promotiebeurs van OCW. Het aandeel stijgt de afgelopen jaren ook in vergelijking met andere onderwijssectoren.
Foto: Universiteit Leiden

Sinds 2011 kunnen bevoegde docenten uit primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroepsonderwijs een Promotiebeurs voor leraren aanvragen voor het verrichten van een promotieonderzoek dat uitmondt in een proefschrift. De uitvoering van deze beurs is in handen van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). In opdracht van het ministerie van OCW heeft onderzoeksbureau Regioplan uitgezocht wie deze mensen zijn, wat hun drijfveren zijn en achtergrond en hoe zij begeleid worden in de school en op de universiteit.

De onderwijsinstelling is budgetbeheerder

De beurs vergoedt de vervanging van de helft van de aanstelling van de docent tot een maximum van 0,4 fte aan de onderwijsinstelling waar de docent werkzaam is en voorziet daarbij in een tegemoetkoming in onderzoekskosten van maximaal 3.350 euro per jaar. De onderwijsinstelling waar de docent werkzaam is is budgetbeheerder en dient na afloop van de beurs financiële verantwoording af te leggen aan NWO.

Sinds de start van de Promotiebeurs in 2011 voor leraren zijn er bijna dertienhonderd voorstellen ingediend. Hiervan zijn er 345 gehonoreerd (27%). Uit onderzoek van Regioplan blijkt dat vooral hbo-docenten hier gebruik van maken. Tweederde van de aanvragen komt van hbo-docenten. Onlangs werd op een bijeenkomst van Dual PhD Centre van de Universiteit Leiden duidelijk dat veel buitenpromovendi docenten zijn die werkzaam zijn in het hbo. Maar aantallen en achtergronden van deze buitenpromovendi ontbreken. Dit onderzoek werpt wat meer licht op deze groep.

Buitenpromovendi blijven buiten zicht

Halverwege 2018 was de stand van zaken dat er twintig laureaten zijn gepromoveerd uit een lichting van 345 promovendi. De meeste laureaten bij de Promotiebeurs voor leraren komen uit het hbo (65%) en het voortgezet onderwijs (30%). Dit zijn ook de sectoren waar onder docenten de meeste academisch geschoolde te vinden zijn. Het percentage hbo-voorstellen dat wordt gehonoreerd ligt ook wat hoger (30%) dan bij de andere sectoren (20-23%). De Hogeschool van Amsterdam is koploper, 37 docenten werkten op deze instelling op het moment dat zij de beurs ontvingen.

In het hbo zijn er 742 aanvragen ingediend en zijn er 223 toegewezen. Wel neemt het totaal aantal aanmeldingen voor een beurs af. Waren dit er in 2014 nog bij de tweejaarlijkse aanmeldronde ruim 140 dat is in de eerste aanmeldronde in 2018 gedaald tot onder de 60. Wel neemt het honoreringspercentage toe van 29% in 2014 naar 42% in 2017. Ook blijkt de meerderheid van de aanvragers vrouw, sinds de start van het beurzenprogramma is de verhouding bij zowel de aanvragers als de honoreringen 57% vrouw. Hoewel nog veel promovendi bezig zijn, zijn er twintig gepromoveerd waarvan er elf uit de eerste lichting uit 2011.

Intellectuele uitdaging naast lesgeven

Uit de interviews gehouden in het onderzoek blijkt dat docenten een promotiebeurs aanvragen om zich vooral professionele te verdiepen. “Voor veel van de laureaten die we hebben gesproken was het doen van academisch onderzoek een al langer gekoesterde wens. Persoonlijke ontwikkeling is voor de meeste laureaten de belangrijkste reden om een voorstel te schrijven, ze zoeken verdieping naast het lesgeven en een intellectuele uitdaging.”

De onderzoekers hebben ook met leidinggevenden gesproken uit het hbo. Daaruit blijkt dat er geen actief beleid is om meer promotietrajecten aan te bieden. “Een van hen merkt op dat hij zich wel kan voorstellen dat er situaties denkbaar zijn waarin het voor het hbo aantrekkelijk is om meer laureaten in huis te hebben. Bijvoorbeeld om de relatie tussen onderwijs en onderzoek te versterken of binnen opleidingen die nadrukkelijk aansluiting zoeken bij een academische masteropleiding.”

De begeleiding vanuit de universiteit waar de promotie plaatsvindt verschillen per persoon. Er zijn laureaten die erg tevreden zijn, anderzijds zijn er ook laureaten die stellen weinig contact te hebben met hun promotor, maar daar ook geen behoefte aan te hebben. Een enkeling is ontevreden, bijvoorbeeld omdat de verwachtingen van de laureaat niet overeenkomen met begeleiding die de laureaat krijgt van de promotor. Zoals een geïnterviewde liet weten: “Inhoudelijk was de begeleiding eigenlijk heel beperkt. Er werden geen duidelijke verwachtingen uitgesproken en er was ook geen aansturing. Ik kreeg geen duidelijke aanwijzingen over wat ik kon gaan doen.”

Als collega worden opgenomen binnen de universiteit

Ook is er voor deze buitenpromovendi soms de gelegenheid om gebruik te maken van faciliteiten van de universiteit of het volgen van cursussen. De ervaringen met de ondersteuning verschillen sterk. Een aantal laureaten geeft aan direct als collega te worden opgenomen binnen de universiteitsomgeving, terwijl anderen uitleggen dat hun status als speciale soort ‘buitenpromovendus’ ervoor zorgt dat ze niet altijd mee kunnen doen aan het gebruikelijke aanbod voor promovendi.

Waar de ene laureaat graag zijn of haar eigen weg zoekt, verwacht de ander meer begeleiding. Ook de mate waarin aan deze behoefte voldaan wordt kan verschillen. Tijdens de gesprekken met laureaten en leidinggevenden waren er veelal positieve verhalen. Een enkele keer heeft een laureaat een wat mindere ervaring, bijvoorbeeld omdat de school het traject onvoldoende ondersteunt of de laureaat het idee heeft dat de universiteit hem of haar te veel laat ‘zwemmen’ of dat de universiteit geen rekening houdt met zijn of haar andere werk.”

Maar bijna vanzelfsprekend zijn er ook knelpunten. In die gevallen gaat het met name om de tijdsbesteding. Veel laureaten zeggen dat zij te maken hebben met tijdsdruk en dat het promoveren lastig te combineren is met een baan. Er was in het onderzoek ook een hogeschool die twee promovendi daarom met eigen geld een extra dag vrij speelden om te werken aan de promotie.

Ook is er onderzoek gedaan naar de opbrengsten van de promotiebeurs voor zowel de school als de laureaten. De behoefte om zich verder te ontwikkelen is voor veel laureaten een belangrijk motief om aan het traject te beginnen. De laureaten verwachten dat het traject hen een intellectuele uitdaging biedt naast hun werk als docent en dat ze hier veel door leren, zoals deze laureaat stelt: “Voor mij was het belangrijk om na zeven jaar onderwijs een nieuwe uitdaging aan te gaan. Daardoor wordt het leuker op school. En ik leer enorm veel.”

Binnen mijn hogeschool heerst al een academisch klimaat

Een belangrijke doelstelling van de Promotiebeurs was om het academisch klimaat op een opleiding te verhogen, en de banden tussen de universiteit en de school te versterken. Soms is er op de school of opleiding inmiddels inderdaad sprake van een sterker academisch klimaat: “Binnen de hogeschool en binnen mijn opleiding heerst al een academisch klimaat. Er zijn al veel contacten met het academisch ziekenhuis en de universiteit. Binnen de hogeschool is er een sterke cultuur om te gaan promoveren. Mijn promotie past dus binnen het klimaat dat er al was.”

Ook werd wel duidelijk bij de vraaggesprekken bij leidinggevenden dat blijkt dat een beurs in sommige gevallen wordt aangevraagd met het doel om lector te worden. “In een enkel geval is de laureaat begonnen aan het promotietraject met als vooropgesteld doel een carrièrestap te kunnen zetten. Een leidinggevende vertelde dat een van haar laureaten zich met zijn promotie voorbereidt om te kunnen solliciteren naar de positie van lector binnen haar hogeschool. Onder de leidinggevenden zijn er verschillende die nog geen idee hebben wat ze laureaten na de afronding van het (promotie)onderzoek kunnen bieden.”

In de conclusie schrijft Regioplan dat doorgaans iedereen positief is over de promotiebeurs maar dat de effecten daarvan op het onderwijs nog moeilijk te meten zijn. “Zowel laureaten als leidinggevenden stellen vast dat de deelname aan (promotie)onderzoekstrajecten

leiden tot persoonlijke groei van de laureaat. Laureaten zelf menen vaak dat ze door hun onderzoekservaring betere docenten zijn geworden. Effecten op de onderwijskwaliteit van de school of opleiding laten zich verder moeilijk meten: laureaten en leidinggevenden verwachten doorgaans wel dat de groei van de laureaat een positief effect heeft op het onderwijs.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK