Mannen zijn de norm in de wetenschap, ten koste van vrouwelijk talent

Nieuws | door Frans van Heest
5 december 2018 | Het zijn altijd vrouwen die zich moeten aanpassen om een carrière te maken in de wetenschap. Selectiecommissies stellen zichzelf nauwelijks de vraag of zij zich anders moeten opstellen, blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit.

Onderzoekers van de Radboud Universiteit hebben in zes verschillende Europese landen onderzoek gedaan naar de selectiecriteria voor vrouwelijke onderzoekers aan het begin van hun wetenschappelijke carrière. Uit het onderzoek blijkt dat vrouwen tegen barrières aanlopen waar mannen minder last van hebben.

Er wordt een buitenland-ervaring van jonge onderzoekers verwacht, men moet competitief zijn, en de  verwachting is dat 80 uur per week werken de norm is. Dit soort impliciete aannames en verwachtingen door selectiecommissies pakken nadelig uit voor vrouwen. Dit hangt samen met de verwachting dat jonge vrouwen zwanger worden en primair verantwoordelijk worden geacht voor het ouderschap. Van mannen wordt daarentegen vrijwel nooit verwacht dat ze minder inzetbaar zullen zijn door het vaderschap.

Opgelegde criteria

Selectiecommissies voor universitair docenten willen wel degelijk dat er meer vrouwen worden aangenomen in de wetenschap. Tegelijkertijd stellen zij dat zij de selectiecriteria niet kunnen aanpassen, omdat die worden opgelegd door het faculteitsbestuur en het universiteitsbestuur. Dit blijkt uit nieuw onderzoek van Channah Herschberg, Yvonne Benschop en Marieke van den Brink van de Radboud Universiteit. Zij hebben eerder dit jaar ook ander onderzoek gepubliceerd over carrièrekansen binnen de wetenschap

Ondanks inspanningen om de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese academische wereld tegen te gaan laten de cijfers zien dat het aantal vrouwelijke wetenschappers nog altijd onevenredig lager is dan het aantal mannelijke wetenschappers.  Volgens de onderzoekers is nog onvoldoende bekend wat voor rol gender speelt in het aannamebeleid van universiteiten. Wel is duidelijk dat hoe hoger de functie in de wetenschap des te minder vrouwen er benoemd worden. De onderzoekers hebben gekeken naar de rol van gender in de beoordeling en het aannemen van universitair docenten.

Het Radboud-onderzoek is gebaseerd op een kwalitatieve studie op basis van zes Europese landen, Slovenië, IJsland, België, Italië, Ierland en Nederland. De Nijmeegse onderzoekers hebben gekeken hoe genderpraktijken worden toegepast bij werving en selectie van jonge vrouwelijke wetenschappers. Bij het onderzoek wordt er gebruikgemaakt van vacatureteksten, HR-documenten, interviews en focusgroepen. Zowel in de sociale- en geesteswetenschappen als ook in de STEM-afdelingen binnen de wetenschap.

Er zijn onderzoeksrapporten geschreven door zes onderzoeksteams. In totaal namen 55 mannen en 27 vrouwen deel aan deze studie. De meerderheid van de onderzoeksdeelnemers zijn mannen. Dit geeft het aantal mannen weer in de selectiecommissies in deze landen. Uit dit onderzoek blijkt ook dat de beslissingsbevoegdheid tot het benoemen van universitair docenten voornamelijk in de handen ligt van mannelijke onderzoekers. Ook de voorzitters van de commissies waren veelal man.

De poortwachters van de academie

Werving en selectieprocedures bepalen wie er universitair docent wordt. Volgens de onderzoekers is het bestuderen van de poortwachters in een vroeg stadium van de academische carrière bijzonder interessant. In deze fase wordt namelijk besloten wie wordt opgenomen of uitgesloten van een functie in de wetenschap. De geselecteerden hebben later ook zicht op een permanent contract en kunnen dus op termijn carrière maken binnen de wetenschap.

Het uitgangspunt van de Nijmeegse onderzoekers is dat werkplekken doordrenkt zijn van genderpraktijken. In het onderzoek wordt de term gender gebruikt om inzichtelijk te maken hoe deze genderpraktijken plaatsvinden en hoe die impact hebben op het niveau van de organisatie.

De onderzoeksresultaten laten zien dat de meeste deelnemers uit de onderzochte landen hebben aangegeven dat zij voor een gelijke verdeling van vrouwen en mannen zijn binnen de wetenschap. In de praktijk betekent dit dat er op de meeste afdelingen meer vrouwen moeten komen. Het meest gebruikte argument is numeriek. Het aantal vrouwelijke wetenschappers blijft achter bij het aantal mannelijke wetenschappers. Ook wordt er -behalve in Italië en Slovenië – voor gepleit dat bij gelijke geschiktheid een vrouw de voorkeur geniet.

Goedbedoelde stereotyperingen

De reden voor meer vrouwen op een afdeling bevatten volgens de onderzoekers genderpraktijken. Verwacht wordt dat door een toename van het aantal vrouwelijke onderzoekers de werksfeer op een afdeling verbetert. Ook worden door verschillende onderzoeksdeelnemers vrouwen geassocieerd met beter samenwerken en betere communicatie. Hoewel goedbedoeld zijn dit stereotyperingen van vrouwen. Dit kan namelijk ook schadelijk zijn voor vrouwen die niet aan deze stereotypering voldoen, stellen de wetenschappers.

De tweede genderpraktijk die de onderzoekers blootleggen gaat over de beoordeling van excellentie. Dit begrip is vormgegeven aan de hand van vier specifieke genderpraktijken. Zo zijn er stilzwijgende criteria en formele criteria rondom excellentie. Bij de formele criteria moet er gedacht worden aan onderwijs, onderzoek en organisatorische competenties. Alle ondervraagden in de zes verschillende landen laten weten dat onderzoek het meest belangrijke criterium is.

Zoals een Belgische onderzoeker in het SSH-domein in het onderzoek meldt is excellentie het belangrijkste selectiecriterium, dat zijn weerslag krijgt in het aantal publicaties, type publicaties en wat de persoon eerder heeft gedaan aan onderzoek. Maar het probleem is dat jonge onderzoekers nog niet veel publicaties op hun naam hebben staan. Er wordt vooral naar de potentie van de publicaties gekeken, die veelal ook nog in ontwikkeling zijn tijdens de sollicitatieprocedure.

Door in hoge mate te kijken naar de potentie van de wetenschappers is er sprake van willekeur. Men kan niet met zekerheid vaststellen of een publicatie die in de pijplijn zit ook daadwerkelijk publiceerbaar zal blijken te zijn.

Een Nederlandse STEM-wetenschapper bevestigt dit ook in het onderzoek. “Het uiteindelijke doel is om de beste wetenschapper te selecteren, met de meeste potentie, maar dit is moeilijk te beoordelen en een heel erg subjectief proces, dat is absoluut duidelijk. Dit hangt ook vaak samen met vooroordelen.”

Ruimte voor subjectieve oordelen

De onderzoekers constateren dat de selectie van jonge wetenschappers ruimte laat voor stilzwijgende criteria die aan de orde komen als commissieleden hun voorkeur uitspreken voor een bepaalde kandidaat. Dus is er ruimte voor aannames en subjectieve oordelen en stilzwijgende criteria. Deze stilzwijgende criteria kunnen juist nadelig uitpakken voor vrouwelijke kandidaten.

De subjectieve oordelen leiden ertoe dat de verwachtingen rondom excellentie minder worden toegeschreven aan vrouwen. Door Zwitserse onderzoekers werd gezegd dat het bij vrouwen ontbreekt aan competitiedrang. Er wordt aangenomen dat dit een belangrijk element is om te kunnen slagen in de wetenschap. Zwitserse vrouwen worden door deze onderzoeker als bescheiden getypeerd, deze bescheidenheid doet deze vrouwen geen goed.

Een Nederlandse vrouwelijk commissielid uit het SSH-domein zegt: “Je moet in het sollicitatieproces rekening houden met het feit dat vrouwen minder assertief zijn.”

De commissieleden gaan er volgens de onderzoekers vanuit dat vrouwen over het algemeen minder assertief zijn en dat selectiecommissie daar dus rekening mee moet houden. Maar de Nederlandse onderzoeker legt niet uit hoe dat dan vervolgens moet. Het toont dus aan dat assertief gedrag de norm is. Veel geïnterviewde geven vrouwen ook de schuld omdat ze niet zelfverzekerd zijn, maar ze houden er geen rekening mee dat mannen ook niet zelfverzekerd kunnen zijn.

Te bescheiden

Bij alle zes verschillende Europese universiteiten laten commissieleden weten dat concurrentie een inherent aspect is van de hedendaagse wetenschap. Zij verwachten van jonge onderzoekers dat zij met deze wedstrijd om kunnen gaan. De verwachtingen van vrouwen en hun toegeschreven bescheidenheid heeft volgens de Nijmeegse onderzoekers een negatieve invloed op de beoordeling door de commissieleden. Ook valt dit soms samen met de communicatiestijl van vrouwen. Vrouwen zijn ook daarin te voorzichtig, commissieleden gaven aan dat zij niet altijd die gewaagde manier van communiceren zien zoals bij mannen.

Zoals een Nederlandse mannelijke onderzoeker uit het STEM-domein het formuleerde. “Wat ik geleerd heb is dat vrouwen minder zeggen wat ze eigenlijk echt denken. Ze durven zich minder op dun ijs te begeven, omdat ze bang zijn dat ze er doorheen vallen. Mannen zijn minder beschaamd om gewoon hardop dingen te zeggen. Daardoor staan ze ook meer open voor kritiek. Op die manier weet ik wel wat ze precies bedoelen. Ik heb gemerkt dat het met vrouwelijke promovendi of postdocs veel langer duurt om erachter te komen wat ze precies bedoelen. In een sollicitatiegesprek van een uur bestaat dan de kans dat je zaken mist.”

Deze geïnterviewde laat met dit antwoord zien dat hij liever met mannen een sollicitatiegesprek voert dan met vrouwen. Hij houdt vrouwen daar ook zelf verantwoordelijk voor en stelt niet de vraag aan zichzelf of hij misschien andere vragen moet stellen aan vrouwen, zo interpreteren de Radboud-onderzoekers dit antwoord.

Een andere genderpraktijk is dat vrouwen minder toegewijd zouden zijn in de wetenschap. Uit de analyse van de interviews blijkt dat vrouwen worden gezien als minder geschikt voor een academische carrière, vanwege hun vermeende gebrek aan toewijding. Een Zwitserse onderzoeker zegt in een interview: ‘Bij mannen heb je het gevoel dat ze direct inzetbaar zijn, 20 uur per dag, vrouwen zijn daar toch terughoudender in.’

Hoogleraren met fossiele ideeën 

Een vrouwelijk Nederlands commissielid bevestigt deze verwachting. “Wanneer vrouwen verschijnen voor een commissie die helemaal of grotendeels bestaat uit mannen dan kan het fout gaan.”, vertelt zij uit eigen ervaring. “Een van de commissieleden leefde echt in de jaren vijftig. Hij komt thuis en het eten staat klaar en hij hoeft thuis niets meer te doen. Hij kan zich volledig focussen op zijn werk. Hij denkt bijvoorbeeld dat als je parttime werkt dat je dan niet uiteindelijk kan doorgroeien naar het hoogleraarschap. Als je dan met dit soort ideeën wordt geconfronteerd bij een sollicitatie, moet ik dan zo’n gesprek onderbreken door te zeggen: ‘ik heb thuis niet zo’n situatie en probeer werk en privé te verdelen en ik werk niet 70 of 80 uur per week?’ Zolang hoogleraren nog met dit soort fossiele ideeën in commissies zitten, dan worden wel dit soort boodschappen overgebracht,” zo legt de Nederlandse geïnterviewde uit.

Zolang dit soort ideeën over 80 uur per week werken worden gedeeld binnen de wetenschap worden vrouwen op een achterstand gezet. Zij zien er misschien vanaf om te solliciteren, omdat zij niet aan dit soort verwachtingen kunnen en willen voldoen. Ook geven veel onderzoekers in dit onderzoek aan dat het moederschap conflicteert met een carrière in de wetenschap. Veel van de commissieleden verwachten van een excellent onderzoeker dat die fulltime beschikbaar is en toegewijd is aan hun werk. Alle geïnterviewden in alle landen merken op dat dit problematisch kan zijn en dat het moederschap niet goed verenigbaar is met een wetenschappelijke carrière.

Ook de culturele verwachtingen rondom ouderschap en de rol van de moeder worden door de commissieleden gereproduceerd. De commissieleden houden er geen rekening mee dat jonge mannen ook hiermee geconfronteerd kunnen worden. Deze studie laat zien dat de bias tegen vrouwen met kinderen nog steeds aanwezig is, maar dat vrouwen zonder kinderen ook last hebben van deze vooringenomenheid. Het beeld bij commissies dat vrouwen primair verantwoordelijk zijn voor het ouderschap bevestigt het beeld dat ze onvoldoende toegewijd hun werk kunnen doen als wetenschapper.

Internationale mobiliteit als vereiste

De volgende specifieke genderpraktijk gaat over internationale mobiliteit. Dat wordt door veel commissies in verschillende landen niet als een formele vereiste gehanteerd. Commissieleden beschouwen dit wel als een belangrijk criterium bij de selectie van onderzoekers. In de meeste commissies wordt internationale mobiliteit gezien als toonbeeld van excellentie. In veel landen leidt die niet formele eis ook weer tot willekeur. Veel commissieleden verwachten dat vrouwen juist door het moederschap minder internationaal mobiel zijn en dat kan invloed hebben op hun carrièrekansen.

Een mannelijke Nederlandse STEM-onderzoeker laat dat in een van de interviews ook doorschemeren. Zo is internationale mobiliteit bijvoorbeeld als postdoc moeilijk te combineren met een gezin.

Vrouwen vaker gezien als sociaal vaardig

De laatste genderpraktijk is academisch burgerschap. Individuele wetenschappelijke prestaties zijn belangrijk maar ook sociale vaardigheden zijn van belang. Opvallend volgens de onderzoekers is dat veel commissieleden dit vaak als een tegenstrijdigheid zien die niet in een persoon zijn te verenigen. Briljante onderzoekers worden vaak gekenschetst als moeilijk om mee samen te werken.

Juist de sociale vaardigheden werden in de interviews opvallend vaak toegeschreven aan vrouwelijke onderzoekers. Mannen willen daarentegen concurreren, in plaats van samenwerken, zo werd verteld. De meeste onderzoekers gingen er vanuit dat vrouwen meer sociale vaardigheden hebben. Dit kan vrouwen bevoordelen bij een sollicitatie, maar zeker ook benadelen als zij niet aan deze genderspecifieke verwachtingen voldoen.

In de conclusie schrijven de onderzoekers dat genderpraktijken subtiel zijn maar alom vertegenwoordigd. In alle zes de verschillende landen komen ze grotendeels overeen. Hoewel formele selectiecriteria positief kunnen uitpakken voor vrouwen, als er bij gelijke geschiktheid voor een vrouw wordt gekozen, laat dit onderzoek tegelijkertijd zien dat er nog veel stilzwijgende selectiecriteria zijn in de beoordeling van wetenschappers aan het begin van hun carrière.

Commissieleden reproduceren nog te vaak impliciet het beeld van de man als ideale wetenschapper. Commissieleden lijken ook niet echt voornemens te zijn om de selectiecriteria aan te passen, bijvoorbeeld ten aanzien van excellentie en internationale mobiliteit. Ze verwijzen dan vaak naar het universiteitsbestuur of faculteitsbestuur die dit nu eenmaal willen.

Ook lijken veel betrokkenen nog onvoldoende te reflecteren op hun eigen gendergedrag, en aannames over de kwaliteit van vrouwelijke kandidaten. Vrijwel niemand stelde vragen bij het huidige systeem. Waarom 80 uur per week werken als normaal wordt geacht en waarbij competitie in de wetenschap niet ter discussie wordt gesteld. Als er iemand verantwoordelijk is voor deze situatie dan zijn het vrouwen volgens de commissieleden. Die moeten assertiever zijn, is vaak nog de impliciete aanname.

Frans van Heest : 

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK