“Wat dierproeven betreft zijn onderzoekers oerconservatief”

Nieuws | door Sicco de Knecht
5 december 2018 | "Door het gebruik van slimme innovaties is er een wereld te winnen in het proefdiergebruik." Volgens bio-ethicus en lid van het Nationaal Comité advies dierproeven Henriëtte Bout kan er door meer samenwerking en het combineren van proeven een enorme reductie in het aantal proefdieren worden bewerkstelligd.

In april 2016 formuleerde toenmalig staatssecretaris van Economische Zaken Martijn van Dam (PvdA) de doelstelling dat Nederland in 2025 wereldleider proefdiervrije innovaties moest zijn. Om deze ongekend ambitieuze doelstelling te verwezenlijken vroeg hij het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) om binnen zes maanden een afbouwschema op te stellen. Dat advies van het NCad kwam er eind 2016, en had als belangrijkste conclusie dat het doel om in 2025 wereldleider te zijn niet haalbaar was voor alle typen proeven. Nederland kon in 2025 zeker wel internationaal koploper worden.

Het wachten was op de implementatie en in het kabinet Rutte III kwam het dossier dierproeven onder het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) te vallen. Onder leiding van minister Carola Schouten heeft het ministerie deze ambitie nog iets verder afgezwakt. Nederland moet in de toekomst internationaal voorloper zijn, en 2025 als jaar waarin deze ambitie moet worden waargemaakt wordt niet meer zo hard gehandhaafd.

Inmiddels is er wel een start gemaakt met de zogenaamde Transitie Proefdiervrije Innovatie (TPI). Daarbinnen is onder andere een Agenda proefdiervrije innovaties in het regulatoir veld gemaakt, opgesteld door LNV en het kernteam van het TPI Het kernteam TPI bestaat momenteel uit het ministerie van LNV, KNAW, ZonMW, NCad, RIVM, Samenwerkende Gezondheidsfondsen (SGF), Topsector Life Sciences & Health en Stichting Proefdiervrij. Meerdere partijen, waaronder industrie en/of brancheorganisateis zullen binnenkort deelnemen. . In een aantal ‘vernieuwingsnetwerken’ moeten de betrokken partijen formuleren hoe Nederland voorloper kan worden op het gebied van proefdiervrije innovaties, van zebravis tot fret De Nederlandse wet op proefdieren houdt zich uitsluitend bezig met ‘gewervelden’, alle dieren met een ruggengraat en een centraal zenuwstelsel. De bekende en veel gebruikte fruitvlieg valt bijvoorbeeld niet onder de wet. Vissen, vogels, reptielen en zoogdieren wel. .

Maar kan het (biomedisch) onderzoek in Nederland wel zonder dierproeven? Kunnen instanties die moeten waken voor de veiligheid van bijvoorbeeld onze medicijnen hun rol in de toekomst nog wel vervullen als ze geen dierproeven kunnen doen? Die vraag moeten verschillende partijen de aankomende tijd zien te beantwoorden, en de tijd tikt.

Een wereld te winnen met innovatie

Dierproeven. Het is een onderwerp dat niet vaak opduikt in het publieke debat. Van een uitgebreide maatschappelijke dialoog over het thema is in ieder geval geen sprake. De omvang van het onderwerp in termen van aantal dieren dat gebruikt en gedood wordt, lijkt op het eerste gezicht verwaarloosbaar als de vergelijking wordt getrokken met de Nederlandse (pluim)veestapel. Toch worden er jaarlijks rond een half miljoen dieren in proeven ten behoeve van de wetenschap en veiligheidsonderzoek gebruikt.

Met bio-ethicus en plaatsvervangend voorzitter van het NCad Henriëtte Bout bespreken we de stand van zaken op het gebied van dierproeven, en de TPI. Bout was nauw betrokken bij het NCad advies uit 2016 en heeft sindsdien nationaal en internationaal toelichting gegeven op het advies. Wat haar betreft is de strekking van het advies helder. “Wij concluderen bovenal dat er met slimme innovaties een wereld te winnen is in het proefdiergebruik,” vertelt Bout die daarbij benadrukt dat deze conclusie voort kwam uit gesprekken – werkateliers – met onderzoekers zelf. “Zij gaven aan dat er ongelooflijk veel laaghangend fruit is als je bereid bent om innovators en hun innovatieve concepten een kans te geven. Er zijn al proefdiervrije innovaties die nu nog op de plank liggen en die we daar vanaf kunnen halen. Daar hebben we veel voorstellen voor gedaan.”

De grote vooruitgang zit volgens het NCad niet per se in het gebruik van de nieuwste snufjes zoals futuristisch klinkende organs on a chip Organs on a chip zijn driedimensionale chips waarbinnen organen of weefsels kunnen worden nagebootst. Hiervoor zijn in de regel wel dierlijke cellen nodig, maar valt het doen van verdere proeven niet onder de wet op de dierproeven. . Er zijn vooral mogelijkheden op het vlak van samenwerking en transparantie. Bout: “Als we meer onderzoek zouden bundelen in termen van datagebruik, en als we vaker kiezen voor een slimmere en efficiëntere experimentele opzet en meer weefsel met elkaar delen, dan kom je al op een enorme reductie van het aantal dierproeven.”

Technologische innovaties kunnen een ‘boost’ geven

In het advies van het NCad wordt voorzien dat het gebruik van proefdieren ten behoeve van het wettelijk voorgeschreven veiligheidsonderzoek Dit betreft proeven waarvan de wetgever vereist dat deze worden uitgevoerd alvorens een bepaald product op de markt mag worden verhandeld. Denk hierbij aan medicijnen en vaccins. vóór 2025 uit te faseren valt. Voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek is het beeld heterogener. Daar zou per onderzoeksdomein een streefbeeld neergezet moeten worden hoe tot een scherpe reductie te komen. Op het gebied van toegepast en omzettingsgericht onderzoek kan Nederland in 2025 internationaal voortrekker zijn op het gebied van proefdiervrije innovaties.

Volgens Bout is het advies door velen dan ook onterecht gelezen als oproep om vermindering en afbouw, puur en alleen om het afbouwen. “Wij hebben in de eerste plaats heel veel ideeën geopperd hoe we in Nederland een boost kunnen geven aan technologische innovaties die wetenschappelijk onderzoek mogelijk maken zonder het gebruik van proefdieren. Daarnaast hebben we kansrijke gebieden beschreven waar sterke reductie of vervanging van dierproeven mogelijk is. Die ideeën komen niet alleen van onszelf maar ook van toonaangevende onderzoekers die meedachten.”

De overheid moet volgens Bout inzien dat er in de sector al heel veel mensen bezig zijn met alternatieven, en ook dat deze beweging er al heel lang is. “Zij willen vooruit maar worden nu tegengehouden door een zeer conservatieve opvatting van de de regelgeving. Het staat nu eenmaal in de wet dat in het kader van veiligheid bepaalde dierproeven moeten worden gedaan. Ook al zeggen de wetenschappers van nu dat sommige van die voorgeschreven proeven achterhaald zijn, dan nog moeten die dierproeven worden gedaan. De overheid moet die wetgeving aanpassen, maar dat blijkt niet makkelijk te gaan. Soms vind ik dat frustrerend.”

"De voorstellen komen niet van onszelf maar van onderzoekers"
Henriëtte Bout (NCad)

Als voorbeeld geeft Bout de verschillende wettelijke eisen die bijvoorbeeld aan geneesmiddelenonderzoek worden gesteld. “Je hoort vaak dat een transitie naar een proefdiervrije situatie niet mogelijk is als we de huidige veiligheidsnormen willen blijven hanteren.” In principe een logisch te volgen argument, maar ook een Catch-22 wat Bout betreft.

“Het handhaven van exact dezelfde normen met andere proeven kan inderdaad niet, maar wie zegt dat die normen de ultieme normen zijn? Risicomanagement gaat ook over het inschatten van het risico van veranderingen. Ik zou de vraag terug willen werpen waarom je de huidige proeven dan niet een tijd lang mee kunt laten lopen met het alternatief. Dan kun je ze vergelijken.” Toch gelooft Bout dat dat gaat lukken. ‘Uiteindelijk is dat met dierproeven en cosmetica ook gelukt”, glimlacht ze.

Afbouw onderzoek met apen, honden en katten

Er is ook beweging in andere delen van het veld, namelijk bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Schouten deelt de verantwoordelijkheid voor dit dossier met minister Ingrid van Engelshoven (D66). De laatste gaf voor de zomervakantie in reactie op onder andere een advies van het Rathenau te kennen snel te willen stoppen met het onderzoek op apen en kreeg daarin de Kamer mee.

In september zorgden undercoverbeelden gemaakt tijdens de jaarlijkse gezondheidscontrole van het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) in Rijswijk voor extra druk op de ketel. In reactie op Kamervragen van de Partij voor de Dieren bevestigde de minister “zo snel als redelijkerwijs mogelijk te stoppen met het gebruik van apen voor wetenschappelijk onderzoek.” Een motie van Frank Wassenberg (PvdD) en Dion Graus (PVV) om het Biomedical Primate Research Centre in Rijswijk per 2025 te sluiten Bij het primatenonderzoek in Nederland waren in 2015 in totaal 234 apen betrokken in een dierproef, waarvan 204 bij het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) in Rijswijk (Resusapen, Java-apen en Marmosetapen). In 2016 was het totaal 120 apen. Het onderzoek waarbij apen worden ingezet is veelal gericht op infectieziekten en auto-immuunziekten. Het NCad doet geen specifieke uitspraken over de transitiedoelen voor noch apen. haalde het niet. Twee moties, die vroegen om een zorgvuldige afbouw, van Judith Tielen (VVD) haalden het wel.

Wanneer dierproeven publiekelijk in opspraak raken kunnen er volatiele situaties ontstaan. In 2014 raakte Maastricht University in opspraak omdat het proeven wilde doen met labradors en hier volgens de PvdD niet open over was. Kamervragen, een protestactie voor het kantoor van de Hartstichting en bedreigingen aan het adres van de onderzoekers waren aanleiding voor de universiteit om van de proeven af te zien.

“Eerlijk gezegd vind ik zo’n situatie onbestaanbaar!” Volgens Bout laat dit voorbeeld zien hoe belangrijk het is om transparant te zijn, maar ook hoe belangrijk het is om betrouwbaar te zijn als overheid. “Die proeven waren goedgekeurd door de dier-ethische commissie ter plaatse, en dat is gewoon conform de wet. Het terugdraaien van zo’n beslissing op basis van publieke onrust vind ik onverantwoord.”

In 2016 adviseerde het NCad in een apart advies over het gebruik van honden en katten in het algemeen. Daar was de aanbeveling om dierproeven voor bepaalde onderwijsdoeleinden af te schaffen, en in Europees verband veel meer data te delen over vaccinproductie (voor honden en katten) en een aantal wettelijk verplichte proeven af te schaffen.

Het aantal proeven met apen, honden en katten daalt de afgelopen jaren, en ook het aantal dierproeven in het algemeen neemt af. In 2016 rapporteerde de Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een daling van vijftien procent ten opzichte van het jaar ervoor. Van alle dierproeven waren er 656 met honden en 120 apen en alhoewel deze diersoorten wellicht de meeste emotie losmaken bij het bredere publiek vormen ze slecht een klein aandeel van het totale aantal dierproeven. Ook in 2016 vormden muizen (161.978), ratten (109.589) en huishoenders (52.237) het leeuwendeel van de 450.000 dierproeven Voor de Nederlandse wet moeten alle proeven waarbij een dier gebruikt wordt voor onderzoek worden geregistreerd. In 2016 werd de Europese dierproevenwet van kracht, daarbij hoeft een dier niet geregistreerd te worden als er geen ‘voorafgaande handeling’ is voor het doden. Dit was een verschil van 46.504 dieren in 2016. Deze dieren worden dus wel gedood, maar niet geregistreerd als dierproef. .

De dubieuze titel van ‘gouden standaard’

Hoewel de trend dus neerwaarts lijkt te zijn, is de dierproef nog altijd een centraal onderdeel in veel biomedisch onderzoek. In het advies van het NCad wordt de dierproef dan ook benoemd als ‘gouden standaard’. Dat is volgens Bout geen prijzenswaardige titel. Zij ziet dit eerder als een overdadige fixatie op een staande praktijk die alternatieven stelselmatig buiten het zicht plaatst. “Wetenschappers vinden zichzelf vaak heel innovatief, het ligt immers in de kern van hun werk om nieuwe dingen te ontdekken. Maar wat betreft het gebruik van een dier als onderzoeksmodel zijn ze oerconservatief.”

“Dat conservatisme zit ingebakken in de praktijk en belemmert hen om verder te kijken dan de huidige praktijk. Ik noem dat ook wel eens het krabbenmand-effect.” Volgens Bout is de praktijk van het biomedisch onderzoek in grote mate gebouwd rondom de dierproef. Het duurt in de regel erg lang voordat een experimentele praktijk is ‘ingeburgerd’ maar als deze zich eenmaal heeft gevestigd dan vat hij post en is verandering zeer moeilijk. “Als je gouden standaard is om alles te relateren aan een dierproef, dan wordt dat de norm. Vervolgonderzoek moet dan weer in datzelfde ‘model’.”

"Als je gouden standaard is om alles te relateren aan een dierproef, dan wordt dat de norm."
Henriëtte Bout (NCad)

“Onderzoekers zijn bovendien bijzonder bedreven in het geven van bevestigende kritiek. Ze kunnen elkaar zeer kritisch bevragen, op de vierkante millimeter, maar het vergt ook wat afstand om de vraag te stellen of een vraag per se een dierproef nodig heeft.” Als voorbeeld van een praktijk die, ondanks de vele ethische en wetenschappelijke bezwaren, decennia lang is aangehouden noemt Bout de LD50/LC50 In die proeven worden grote hoeveelheden proefdieren blootgesteld aan een toxische substantie en is de maat van de concentratie, de lethale dosis/concentratie, bereikt wanneer de helft dood is. tests. “Die vonden we eigenlijk al heel lang niet meer kunnen maar zijn pas na heel lang praten uiteindelijk uitgefaseerd. Tegelijkertijd is dit ook heel hoopvol. Het kan soms dus wel.”

Soms kun je beter even op je handen gaan zitten als overheid

Op de vraag wat de rol is van de overheid in dit alles grijpt Bout expliciet niet naar het middel van restrictie. Volgens haar is het in de eerste plaats een vraag wat voor overheid je wilt zijn en waar je op wilt sturen. “Het heeft niet altijd zin om als overheid overal regels voor te maken. Soms is het beter om even op je handen te gaan zitten. De spanning zit hem er in om iets unieks te laten gebeuren zonder dat je dit gaat remmen.”

Plat gezegd heeft de overheid een hele grote knop waar aan gedraaid kan worden beaamt Bout. “Dat zijn natuurlijk de aantallen. Die kun je natuurlijk gewoon naar beneden schroeven of zelfs op nul zetten, maar volgens mij kun je veel intelligenter kijken naar getallen. Het lijkt er namelijk op dat het absolute aantal gebruikte dieren niet zo sterk meer daalt. Maar er worden tegenwoordig veel meer wetenschappelijk vragen beantwoord per dierproef dan voorheen. Dat vraagt de wet van onderzoekers ook. Dus je zou kunnen zeggen dat relatief gezien het aantal dieren per onderzoeksproject sterk is gedaald. Onderzoekers zijn veel efficiënter geworden, zegt men. Maar onderzoekers zelf gaven in de verschillende sessies die het NCad organiseerde al aan dat ook daar nog stappen kunnen worden gezet.”

In die zin bracht Kamerlid Tjeerd de Groot (D66) een interessante motie in tijdens het algemeen overleg in de Kamer in juni. In deze aangenomen motie vroeg hij de regering “in samenspraak met onderzoekers en kennisinstellingen te bezien of alle individuele dierproeven en de resultaten daarvan kunnen worden geregistreerd en achteraf openbaar gemaakt, om zo onnodige duplicatie van dierproeven tegen te gaan.” In een tweede motie samen met Maurits von Martels (CDA) vroeg deze ook om het aantal “in voorraad” gedode dieren te verminderen.

Transparantie als kernbegrip

Het lijkt voor de buitenstaander wellicht vanzelfsprekend dat de uitkomsten van elke dierproef worden geregistreerd maar dit is bepaald niet het geval. Dat zit zo. Het is lang niet altijd in het belang van de individuele onderzoeker dat alle data uit een dierproef beschikbaar wordt gesteld voor andere onderzoekers – of het brede publiek. Bovendien levert niet elk experiment levert een uitkomst op waar een andere onderzoeker ook iets mee kan.

Bij experimenten met zogenaamde negatieve resultaten – proeven die qua uitvoering wel geslaagd zijn, maar geen noemenswaardige uitkomst hebben – is het probleem nog iets subtieler. In dit geval is er voor onderzoekers simpelweg weinig persoonlijk belang om hierover te communiceren. Als een bepaalde (dier)proef niets noemenswaardigs uitwijst dan is het zaak die lijn van proeven zo snel mogelijk te verlaten. Wat publiceren betreft gaat het beschikbaar stellen van data gepaard met een hoop werk en bovendien zijn wetenschappelijke tijdschriften (met enige uitzondering) hoofdzakelijk geïnteresseerd in wat ‘wel werkt’ en niet in wat ‘niet werkt’: de zogenaamde publication bias.

Toch vindt Bout dat je dit fenomeen niet als een gegeven aan moet nemen, maar moet bevragen. Volgens haar is het een enorme gemiste kans dat er zo veel onderzoeksdata niet naar buiten komen. “Het is natuurlijk doodzonde wanneer onderzoekers nodeloos dezelfde of zeer vergelijkbare proeven zitten te doen puur en alleen omdat ze het niet van elkaar weten. Voor het NCad is transparantie een kernbegrip in de transitie richting sterke vermindering van het aantal dierproeven en richting de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties.”

Wel een proefdier, geen dierproef

Bout wil daarnaast een lans breken voor meer samenwerking. “We denken dat er aanzienlijk minder proefdieren, niet per se dierproeven, gebruikt worden als onderzoekers slimme combinaties zouden kunnen maken.” Bout stipt hier een gevoelig punt aan dat binnen de discussie over proefdieren vaak over het hoofd wordt gezien, namelijk de vraag welk dier telt voor de wet.

De Nederlandse wet maakt namelijk een onderscheid tussen een proefdier en een dierproef. Bij een dierproef wordt een dier daadwerkelijk gebruikt in een experiment en volgens de NVWA waren dit er in 2016 dus 449.874. Proefdieren zijn alle dieren die ten behoeve van dierproeven gehouden of gebruikt worden, dit waren er in 2016 in totaal 860.817. Dat waren er dan weer tienduizend meer dan een jaar ervoor.

“In onze gesprekken met het veld deden onderzoekers zelf vele voorstellen om verspilling tegen te gaan.”
Henriëtte Bout (NCad)

Dit onderscheid kan verwarrend zijn maar er is gemakkelijk een voorstelling van te maken. In de regel hebben proefdieren namelijk een vader en een moeder, en in veel gevallen ook broers en zussen. Als voor een bepaalde dierproef uitsluitend dieren van het mannelijk geslacht worden gebruikt dan houdt dit bijna automatisch in dat er bij die dierproef al snel meer dan twee keer zoveel dieren betrokken zijn als dat er worden gebruikt. Die vrouwelijke dieren zijn dan wel proefdier, maar tellen niet als dierproef.

Bij experimenten waar ook de leeftijd of de genetische opmaak van een proefdier van belang is, kunnen er door dergelijke selectie al snel een stuk meer dieren betrokken zijn dan diegene die tellen als dierproef. In 2016 ging het om 100.000 dieren die puur ten behoeve van de fok gebruikt werden.

Er valt op korte termijn al veel winst te behalen op dit punt benadrukt Bout: “In onze gesprekken met het veld deden onderzoekers zelf vele voorstellen om dit type verspilling tegen te gaan.” Een manier is om proefdieren met dezelfde genetische eigenschappen in samenwerkingsverband, en om een locatie, te houden en daar te fokken. Het NCad bracht voor de zomer een uitgebreid advies uit over dit onderwerp.

Ook kunnen dieren die voor het ene experiment niet nodig zijn, gebruikt worden voor een ander experiment, of kunnen onderzoekers ‘organen delen’ van hetzelfde dier. Wat aantallen betreft werden in 2016 zo’n 10.000 dierproeven gedaan met hergebruikte dieren. Bout: “Het lijkt meer en meer post te vatten om er op deze manier over na te denken. Dat gebeurt door onderzoekers en instituten onderling.”

‘Nee, tenzij’-beleid

Om te begrijpen langs welke assen onderzoekers hun proeven in het algemeen leggen is het zinnig om een kort uitstapje te maken naar de Wet op de dierproeven (Wod). De eerste versie van de Wod stamt uit 1977. Deze is na het uitkomen van een Europese richtlijn over het gebruik van proefdieren aangepast. De wet desalniettemin al die jaren al gestoeld op twee principes. Ten eerste zijn er de 3 V’s – vermindering, verfijning en vervanging – die in het algemeen aan moeten zetten tot het afzien of verfijnen van een dierproef Deze principes werden in 1959 voor het eerst beschreven door britse wetenschappers Russel & Burch. In het Engels zijn het de 3 R’s: replacement, reduction and refinement. Onderzoekers moeten bij de aanvraag van een proef aangeven hoe zij de 3 V’s hebben toegepast op hun proefopzet. . Ten tweede is er de afweging tussen het maatschappelijk & wetenschappelijk belang versus het ongerief Het gebruik van ongerief als belangrijke maatstaf werd in 1975 geïntroduceerd door de Australische filosoof Peter Singer. In het dat jaar gepubliceerde boek Animal Liberation stelde hij dat ongerief, ofwel lijden, de meest objectieve en zinnig maat was om een ethisch kader aan op te hangen. Onderzoekers moeten voor een proef aangeven wat de mate van ongerief is die ze verwachten bij een dier. Dat loopt van gering (bijvoorbeeld het doden van het dier, of een knipje uit het oor nemen) tot aan ernstig (operaties op het lichaam, langdurige voedseldeprivatie). voor het dier. Na de invoering van de Wod in 1977 daalde het aantal dierproeven met tweederde.

Bout, die zelf lesgeeft aan bio-medici licht de wet nog wat verder toe. “Het uitgangspunt van de Europese richtlijn en daarmee van de Nederlandse Wet op de Dierproeven is in principe een ‘nee, tenzij’ beleid. Dierproeven zijn verboden, tenzij daar een goede aanleiding voor is.” Er moet dus expliciet toestemming gevraagd en verkregen worden voor een dierproef. Om te kunnen werken met proefdieren moet een onderzoeker daarnaast een cursus hebben gevolgd die deze de bevoegdheid verschaft met dieren te werken.

Binnen deze cursus, en binnen het aanvragen van dierproeven in het algemeen, zou de aandacht volgens Bout voornamelijk uit moeten gaan naar het leren maken van de afweging om wel of geen dierproef te doen. “Dat is alleen niet zo. Nu leer je vooral hoe je een aanvraag in moet dienen, en hoe je de dieren moet hanteren. Maar in het licht van de een transitie naar proefdiervrij werken, zou je de focus in dit soort cursussen anders kunnen leggen.”

“Het doen van een aanvraag voor een dierproef wordt veelal gezien als een bureaucratisch obstakel, dat moet anders.”
Henriëtte Bout (NCad)

“Je zou onderzoekers kunnen leren welke alternatieve proefdiervrije methoden er allemaal voor handen zijn of hoe je een proefdiervrij alternatief kunt ontwikkelen en inzetten. Dan ben je meer in lijn van de wet bezig, het beleid is namelijk ‘Nee, tenzij’. Daarnaast moet je natuurlijk ook leren hoe je zo zorgvuldig en efficiënt mogelijk je dierproef opzet en hoe je het maatschappelijk en wetenschappelijk belang afweegt tegen het ongerief dat de dieren moeten ondergaan, maar de focus komt dan meer op vervanging te liggen. En dat is eigenlijk de attitude die de wet min of meer vraagt van onderzoekers.”

Daar komt nog een probleem bij, namelijk dat de uitvoering van een wet vaak anders is dan de letter van de wet. Bout zat zelf jaren in de Dier Experimenten Commissie (DEC) van de VU, het VUMc, de UvA en het AMC. Na invoering van het vergunningenstelsel vier jaar geleden, was de verhouding tussen onderzoekers en de Centrale Commissie Dierproeven (die de vergunning uiteindelijk verstrekt) moeizaam. “Het doen van een aanvraag wordt veelal gezien als een bureaucratisch obstakel.”

In het verleden mocht de DEC, vaak tot grote ergernis van de commissieleden, officieel niets zeggen over de kwaliteit van de proefopzet. In 2014 adopteerde Nederland de nieuwe Europese wet op dierproeven, en daarmee is er verandering in de zaak gekomen. “Waar vroeger de toestemmingsprocedure op lokaal niveau geregeld werd, is er nu een nationaal orgaan dat hierover gaat. Op lokaal niveau heb je nu twee ‘organen’ die met de onderzoekers meedenken: een Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) en een DEC. De IvD mag zich wel bemoeien met de kwaliteit van de proefopzet. De oordelen van de IvD en de DEC vormen de input voor de CCD, die uiteindelijk beslist of zij het oordeel overneemt of aanpast. De CCD verstrekt uiteindelijk de vergunning en kan daar voorwaarden aan verbinden.”

Hoewel het als omslachtig en bij tijd en wijle bureaucratisch wordt ervaren, ziet Bout ook kansen in die nieuwe opzet. “De CCD heeft naast het maken van de afweging tussen het belang van het onderzoek en het ongerief ook als opdracht om op dat hogere centrale niveau te kijken naar wat beter kan in termen van optimaal omgaan met proefdieren.”

“Have they completely lost their minds in the Netherlands?”

Kijkend naar de transitieopgave rond proefdieren dringt de vergelijking met de transitie naar open access zich al snel op. Het doen van dierproeven is een staande praktijk die niet los gezien kan worden van de carrière van onderzoekers. Veel critici van een stringenter beleid rond dierproeven wijzen dan ook naar de internationale reputatie van het Nederlandse wetenschappelijke onderzoek, en de kansen die deze reputatie jonge onderzoekers biedt.

Het zijn onder andere de biomedische onderzoekers die het onderzoek in de Lage Landen veel publicaties met hoge impactscores bezorgen, en het afbouwen of zelfs afschaffen zou dan ook forse implicaties hebben voor de internationale concurrentiepositie. Bout begrijpt deze argumentatie, maar is het er niet mee eens. “Het zijn nu juist de onderzoekers met naam en faam die de transitie naar proefdiervrij onderzoek aan het maken zijn. Die hebben daar wel degelijk succes mee. En nogmaals: Nederland wil geen dierproeven afschaffen, ze wil meer werk maken van mogelijkheden om dierproeven te vervangen voor proefdiervrije alternatieven.”

Op veel van de internationale conferenties waar Bout de laatste jaren is uitgenodigd om het NCad advies toe te lichten werd het advies dan ook met ongeloof en verwondering benaderd. “Have they completely lost their minds in the Netherlands?’ is een vraag die ik vaker heb gekregen. De gedachte daarachter is dat je jezelf ‘uit de markt’ zou prijzen. Veel Nederlandse wetenschappers benadrukken dit punt maar ik vind dat eerder klinken als een dreigement, en niet als een argument. We kunnen ook nieuwe ‘markten’ aanboren namelijk.”

Het veel gebezigde argument dat het dierproefonderzoek zal verhuizen naar andere landen als het in Nederland meer en meer onmogelijk wordt gemaakt , en er dus de facto evenveel dierproeven overblijven vindt Bout niet overtuigend. “Natuurlijk, dat zou betekenen dat wij hier ons straatje schoon vegen, maar dat het in andere landen gewoon door gaat. Op zich vind ik er niets op tegen als een land zijn straatje schoonveegt en de morele kleur geeft waar het voor staat.”

“Ik vind het goed verdedigbare en navolgbare wetgeving die wij hebben in Nederland. Binnen de EU hebben we dezelfde wetgeving dus het zou dan in ieder geval moeten betekenen dat Nederlands onderzoek naar landen buiten de EU verhuist.” Bout ziet het niet zo snel gebeuren dat een hele instelling inclusief labs worden opgeheven en worden verhuisd naar een ‘niet EU land’. “Ik vraag me af of het zo werkt, en vind dat argument daarom niet zo overtuigend.”

“Wat ik wel denk dat er aan de hand is, is dat internationaal opererende bedrijven, met labs in het buitenland, de weg van de minste weerstand bewandelen. Dus als zij weerstand in Nederland ondervinden en de mogelijkheid hebben, en het past binnen hun eigen beleid en strategie, dan verhuizen zij hun Nederlandse dierproeven naar hun andere labs. Dat is hoe internationale bedrijven opereren, ook in andere gebieden. Dat gaan we niet tegen en dat versterken we wellicht met onze wetgeving. Het zij zo. Het is echter de keuze van het bedrijf zelf om wetgeving van ons land te omzeilen. Daar zou ik me als Nederlandse verantwoordelijke minister niet verantwoordelijk of door aangesproken voelen.”

De mens als proefobject?

Een algehele stop op dierproeven is in Nederland nooit aan de orde geweest licht Bout toe. “Maar het gedachte-experiment is interessant om te doen. Wat gaan we verliezen en wat gaan we winnen? Welke wetenschappelijke vragen kunnen we niet meer beantwoorden? En hoe erg is dat?”

Bout is ervan overtuigd dat er nieuwe soorten labs zullen ontstaan, met andere soorten wetenschappelijke disciplines. “Die zullen zich ook met gezondheidsvragen gaan bezighouden en andere onderzoekspraktijken stichten. Als je blijft denken vanuit de dierproef als standaardparadigma, dan zijn al je vragen gekoppeld aan een dierproef. Maar er zijn ook meer dan genoeg andere vragen die je kunt beantwoorden zonder dierproeven.”

Volgens Bout is het belangrijk om ook goed te luisteren naar onderzoekers zelf. “Steeds meer onderzoekers twijfelen openlijk aan het nut en de waarde van dierproeven. Het lijkt in veel gevallen geen goed model voor wat er in de mens gebeurt.” Wat dat betreft is het wellicht zinniger om het over een andere boeg te gooien denkt ze. “Waarom doen we niet veel meer proeven op mensen? Ik zou dat taboe wel eens wat nader willen bekijken. Je zou veel meer kunnen met alle medische informatie die we bijvoorbeeld nu al verzamelen in het ziekenhuis of via de GGD of GGZ.”

Voor de aankomende maanden staat een aantal ontwikkelingen op stapel. Uiterlijk 1 januari 2019 moet het primatencentrum BPRC komen met een plan van aanpak om het gebruik van apen als proefdier af te bouwen waarna de minister van OCW zal reageren. De minister en de Kamer spreken hier in het eerste kwartaal van 2019 over.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK