Flexibel onderwijs gaat verder dan persoonlijke dienstverlening

De student als partner

Analyse | door Fokke Aukema & Huub Dekkers & Henk Hagoort & Dick Sweitser & Hans Dekker
26 februari 2019 | Om een leven lang ontwikkelen mogelijk te maken is flexibiliteit vanuit de opleiding geboden. Maar hoe zorg je ervoor dat de grens tussen dienstbaar en dienstverlenend beschermd blijft? Fokke Aukema (Politieacademie), Hans Dekker (Fontys), Huub Dekkers (CINOP), Henk Hagoort (Windesheim) en Dick Sweitser (Saxion) over de student als partner, en niet als consument.

We sloten onze vorige bijdrage af met de conclusie dat succesvolle flexibilisering binnen een hogeschool begint met het gesprek met docenten over wat goed onderwijs betekent voor hun studenten. Omdat daarmee helder wordt wat dat flexibele onderwijs voor de docentrol betekent. Maar wat is dan aantrekkelijk onderwijs voor de student? En hoe kom je daar achter; welke benadering van de student vraagt dat? Mede gebaseerd op onderzoek dat binnenkort verschijnt, presenteren we hier een model voor flexibel onderwijs waarbij de student zowel klant, als partner is.

Studenten veranderen

De deeltijdstudent van 2019 is een andere dan die van tien jaar geleden. Opgegroeid in een digitale wereld verwachten studenten vandaag de dag om te worden benaderd en behandeld als professionals en ze verwachten een klantgerichte benadering met goede service en persoonlijke, zelfs gepersonaliseerde dienstverlening. Niet alleen wanneer ze een willekeurige aankoop doen, maar ook wanneer ze een opleiding gaan volgen.

Flexibilisering vraagt onderwijskundig leiderschap

Voor ons als hogescholen betekent dit dat wij vandaag de dag de studenten veel meer als klant zouden moeten benaderen. Dit betekent: we moeten de student centraal zetten en vragen naar zijn behoeftes en wensen en daar vervolgens zo goed mogelijk aan voldoen. Zo heeft hij een gerechtvaardigde verwachting over de ontvangst, zowel fysiek als administratief: persoonlijke aandacht, correcte en vlotte inschrijving, goed werkende systemen (rooster, digitale leeromgeving), een foutloze  administratieve afhandeling voor de betaling van het collegegeld of cursusgeld, et cetera. De student verwacht dat alles goed geregeld is. De student is hierbij steeds leidend en niet de routines van de instelling. Noem het basishygiëne.

Na die eerste ontvangst volgt een proces waarin we met de student zijn ontwikkelvraag willen doorgronden en daarover met hem in gesprek gaan. Waartoe moet het leren leiden? Welke leeractiviteiten passen het best bij hem? Hoe snel wil hij leren: versnellen of juist vertragen? Hoe wil hij het leren inpassen in zijn werk en privé leven, zodat er een bij zijn persoonlijke kenmerken passend leertraject ontstaat? Dat gesprek leidt, binnen het experiment leeruitkomsten, tot een persoonlijke onderwijsovereenkomst tussen student, hogeschool en soms de werkgever.

Het aanbod bepaalt ook de vraag!

Tot nu toe niets nieuws. Maar betekent deze ontwikkeling dat het hoger onderwijs zich volledig moet richten op het verlenen van service waarbij de student als klant uiteindelijk neerkomt op “u vraagt, wij draaien?”. Dat is ook weer niet het geval. Zowel onze eigen ervaring als onderzoek van Researchned laten zien dat het merendeel van de studenten, zeker aan het begin van hun studie, vaak niet precies weten wat voor meerwaarde een hogeschool kan bieden en dus ook niet goed weten wat ze daarmee willen. Door enkel te voldoen aan concrete vragen en verwachtingen, zou er daarom veel van de potentiële waarde van een flexibele opleiding verloren gaan.

Binnen het experiment Leeruitkomsten zien we dat het belangrijkste motief van studenten om deel te nemen aan flexibel onderwijs is dat ze zelf hun tempo kunnen bepalen; dit geldt voor 77% van de studenten. Veel beginnende studenten willen zo snel mogelijk een diploma halen. Tegelijkertijd weten we dat de grote meerderheid van hen er in de loop van hun studie veel meer belang aan gaan hechten om meer intrinsiek te gaan leren, om te worden uitgedaagd. Zaken die haaks staan op de wens van de kortste en makkelijkste weg naar een diploma.

Ook andere vormen van flexibilisering die zich voornamelijk richten op zaken als inhoud en niveau, op studievolgorde, het type leeractiviteiten en flexibele toetsing worden in eerste instantie vaak minder belangrijk gevonden en over het algemeen nog maar beperkt benut (zie ook: Researchned, Tussenrapportage 2018). Tegelijkertijd blijkt uit eigen ervaring binnen onze hogescholen, dat naarmate het experiment langer loopt, studenten deze vrijheden steeds meer gaan benutten en waarderen Dit wordt onderstreept door de nog niet gepubliceerde concept-rapportage van Researchned dat binnenkort verschijnt. . De vraag creëert dus niet altijd het aanbod. Het aanbod creëert in deze gevallen juist de vraag: als er meer flexibiliteit geboden wordt, neemt het gebruik en de behoefte aan dit type leerarrangementen sterk toe Dit wordt bevestigd in de Landelijke benchmark Flexscan, uitgevoerd door CINOP onder zes hogescholen die deelnemen aan het experiment leeruitkomsten. .

Flexibel onderwijs; oud en nieuw

Wat zegt dit nu? Flexibel onderwijs waarbij de student centraal staat, bestaat klaarblijkelijk uit een balans tussen de wensen van student als klant aan de ene kant, en een begeleidende rol om de student te leren om de eigen regie om zijn leerproces te nemen aan de andere kant. Er wordt hierbij niet alleen gereageerd op een concrete vraag of behoefte, maar ook geanticipeerd op de ontwikkeling die studenten door gaan maken.

Teveel “u vraagt wij draaien” leidt tot erosie van beroeps- en persoonsvorming als taak van het hbo, verdunde kwaliteit Zie bijvoorbeeld het inspectierapport ‘Goed verkort’. of tot hoger onderwijs als ‘cafetariamodel’ waarbij horizontale en verticale samenhang ontbreekt. Maar zeker ook niet te weinig “student als klant”. Want zonder de service en persoonlijke dienstverlening zal een onderwijsinstelling geen lang leven zijn beschoren. Gerechtvaardigde verwachtingen worden dan niet waargemaakt en dan loopt de klant naar een betere aanbieder.

Studeren is een activiteit die een lerende ontplooit om iets wat hij mist aan zijn repertoire toe te voegen. Hij wil iets kunnen en weten wat hij nu niet kan en weet zodat hij zijn intrinsieke waarde vergroot of ombuigt naar waar hij zich naartoe ontwikkelt. Om zijn loonwaarde te behouden of te vergroten: er ligt een grote economische waarde en verwachting achter. Die moeten we ook waarmaken.

Gelukkig weten we steeds beter wat studenten belangrijk vinden. Visscher-Voerman Ze baseert zich hier op de ‘Self Determination Theory’ (Ryan en Deci 2000). stelt dat studenten eerder geneigd zijn te leren wanneer er bij hun persoonlijke motivatie wordt aangesloten. Dat kan wanneer de studenten in ieder geval drie zaken ervaren:

  • ‘Ik heb regie’: zelf kunnen bepalen aan welke leertaken en op welke manier je wilt leren. Binnen het experiment leeruitkomsten raakt dat aan de leerwegonafhankelijkheid; de student als regisseur van zijn eigen leertraject als het resultaat van een goede begeleiding door de onderwijsinstelling en vastgelegd in de onderwijsovereenkomst;
  • ‘Ik kan het’: zelf gaan ervaren en geloven dat je bekwaam wordt. Dus hier: in zijn (werk) context optimaal te leren en te komen tot resultaat. Resultaat in termen waarvoor hij in zijn werk ook aangeslagen wordt: beroepsrelevante output, beroepsproducten, resultaten van het werk dat past bij wat jij voor jouw bedrijf betekent. Het gaat hierbij om producten (of (beschrijving van diensten/ aanpak) waarmee je je bekwaamheid bewijst en waarmee je kunt schitteren op de werkplek.
  • ‘Ik doe ertoe’: je sociaal verbonden voelen met anderen, in dit geval mede studenten, je leermeester, docent, coach waarbij je van elkaar leert en elkaar motiveert en steunt wanneer dat nodig is.

Het ontdekken en nemen van die regie is niet vanzelfsprekend en vraagt naast een ‘flexibele infrastructuur’ van onderwijs en ondersteuning zeker ook om gewenning, zowel van studenten als docenten.

In gesprek met studenten moeten we dus niet alleen vanuit een klantgerichte benadering luisteren naar hun initiële, concrete wensen – “Zo snel mogelijk mijn diploma halen”. Van belang is dat we daarnaast meerwaarde bieden door op zoek te gaan naar diepere behoeften van die student die vaak pas later in de opleiding expliciet(er) worden. In deze setting is de student niet langer alleen de klant met gerechtvaardigde verwachtingen maar ontstaat er echt partnerschap, waarin beide partijen samen zorgen voor een passend leertraject.

De toekomst van de student als partner; een model

De student is dus zowel klant als partner, een dualiteit waarmee veel onderwijsinstellingen mee worstelen. Wij vinden het een bruikbaar onderscheid dat in de organisatie van het onderwijs de student als klant gezien mag en moet worden, als afnemer van een dienst. In het volgen van het onderwijs en het bepalen van de leerroute moet de student juist als partner beschouwd worden. Een model waarin het volgen van onderwijs en het onderwijsaanbod als het ware ‘rust’ op de organisatie, illustreert dit onderscheid.

Het partnerschap tussen student en onderwijsinstelling staat bovenop de basis van de student als klant en de daarbij horende serviceverlening. Onderstaande afbeelding laat zien dat bij flexibel onderwijs waarbij de student centraal staat, organisatie en aanbod van het onderwijs en het gevolgde onderwijs niet langer grotendeels samenvallen zoals dat nu vaak nog het geval is. De twee laatst genoemden worden immers zoveel mogelijk gepersonaliseerd, wat mogelijk wordt gemaakt op basis van een solide, faciliterende organisatiestructuur. Waar het volgen van onderwijs personaliseert, kan dat alleen bij verregaande ‘klantgerichte’ standaardisatie van de organisatie van het onderwijs.

Technologie helpt om het onderwijs steeds beter en efficiënter te organiseren, maar het helpt ons ook om de behoeftes van de student steeds beter en preciezer in kaart te brengen en ook om ze te voorspellen. Dit betekent dat de basis van dit model – de organisatie – een steeds onafhankelijker positie zal krijgen, wellicht zelf buiten de hogeschool. Is de organisatie van onderwijs in de toekomst nog een taak van een hogeschool? Of kunnen andere partijen dat veel beter? Door het analyseren van data (bijvoorbeeld verzameld op de werkvloer) te combineren met kunstmatige intelligentie die de ontwikkeling van een persoon (werknemer) steeds beter kan voorspellen, zullen de leerbehoeftes van studenten worden verzameld en vastgelegd op een digitaal platform.

Dergelijke technologieën zullen ook steeds beter worden in het voorspellen welke leervormen het meest effectief zijn in het behalen van deze leerresultaten – vergelijk het met een dienst als Netflix die steeds beter weet waar je naar wilt kijken, maar dan voor leren. Hoe leert deze persoon het meest effectief? Binnen een groep? In een digitale leeromgeving? Met behulp van virtual reality?

Uiteindelijk zal er, net als bij andere digitale markten en diensten, plaats zijn voor één krachtig platform dat al deze gegevens zal verzamelen en verwerken. Het platform met de meeste data kan de beste service leveren en zal zo natuurlijk uitgloeien tot een dominante reus. Een dergelijk platform zou uiteindelijk dus zeer goed wereldwijd kunnen bestaan. De rol van de hogeschool is met behulp van deze informatie samen met de student een passende leerroute te ontwerpen en de student begeleiden bij het volgen van deze route. De waarde voor de student van de hogeschool zal bij de uitvoering van deze route vooral liggen in de verbindende rol die het instituut heeft met werkgevers uit de regio, relevant onderzoek en andere stakeholders.


Dit artikel is gebaseerd op een initiatief van een aantal onderwijsbestuurders/-directeuren die, in gesprek met docenten en studenten, samen nadenken over flexibilisering van het hoger onderwijs. Ideeën en inzichten die deze inspirerende bijeenkomsten hebben opgeleverd, zijn verwerkt in deze tekst.

Fokke Aukema :  Sectorhoofd Staf Politieacademie

Huub Dekkers :  Algemeen Directeur CINOP

Henk Hagoort :  Voorzitter College van Bestuur Windesheim

Dick Sweitser :  Directeur Saxion Parttime School

Hans Dekker :  Managing consultant bij CINOP

Literatuurverwijzingen

Perspectieven op curriculuminnovatie in het hoger onderwijs.

Dr J.J.A. (Irene) Visscher-Voerman

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK