“Wij hadden verwacht dat Science in Transition als een nachtkaars uit zou gaan.”

Interview | door Sicco de Knecht
18 februari 2019 | Geheel tegen hun eigen verwachting in sloeg het verhaal van Science in Transition in als een bom. Het doorbreken van de mythe van de onbaatzuchtige wetenschap(per) werd hen niet in dank afgenomen. "Wij waren nestbevuilers." Met het oog op de toekomst voorziet Frank Miedema vergelijkbaar pittige discussies over open science en het belonen en waarderen van wetenschappers.
Frank Miedema – Foto: Rogier Veldman, UMC Utrecht

Frank Miedema zou zichzelf waarschijnlijk geen typische bètawetenschapper noemen. Zijn diepe passie is namelijk de wetenschapsgeschiedenis en –sociologie – het nadenken over het wetenschapsbedrijf. Daar hebben zijn collega biomedici geen tijd voor zegt hij grappend.

Terwijl de jonge promovendus Miedema in het lab stond te pipetteren las hij het werk van Bruno Latour en Jerome Ravetz en daarmee is hij nooit meer opgehouden. Toen de gearriveerde onderzoeker Miedema aan het begin van deze eeuw de eerste kritische artikelen las die het gebrek aan betrouwbare resultaten in de (bio)medische wetenschap aantoonden daagde het bij hem dat hij onderdeel was van een doorgeslagen publicatiecultuur. In 2013 culmineerde dit inzicht in het eerste position paper van Science in Transition onder de titel ‘Waarom de wetenschap niet zo werkt als het moet en wat daar aan te doen is’ dat hij met drie collega academici schreef.

Binnenkort neemt hij na tien jaar afscheid als decaan van de geneeskundefactulteit en als vicevoorzitter van het UMC Utrecht. Daarmee zet hij een punt achter zijn biomedische carrière maar vervolgt hij het pad dat hij een aantal jaar geleden insloeg met Science in Transition als hoogleraar Open Science. Ter gelegenheid van zijn afscheid praten we met hem over de ontvangst, omarming en toekomst van Science in Transition.

Een gesprek met Miedema laat altijd een indruk achter. Hij staat bekend om de onuitputtelijke woordenstroom die maar lastig is te onderbreken is. Miedema vertelt een verhaal en wil dat graag compleet en duidelijk doen. Het maakt hem een interessant figuur, die zich even makkelijk laat interviewen als dat Winston Churchill zich liet portretteren.

Als je heden ten dage een beleidsstuk van overheid, onderzoeksfinancier of instelling leest dan is het gedachtegoed van Science in Transition een gemeenplaats, maar hoe was de ontvangst van jullie position paper destijds?

“Waar wij ons het meest in vergist hebben was de impact die onze boodschap had. Nadat we het position paper hadden uitgebracht wilden we dit met een chic symposium bekronen, in de volledige verwachting dat het daarna als een nachtkaars uit zou gaan. Wij rekenden op een zaal van maximaal 100 man – geestverwanten en bekenden – en dat iedereen het in die kleine kring roerend met ons eens zou zijn.

Tot mijn grote verbazing kreeg het onderwerp plots bijzonder veel aandacht, ook buiten de academie. Op diezelfde dag van de bijeenkomst werd ik opgebeld door De Wereld Draait Door met de vraag om die avond langs te komen. Daar ben ik overigens niet op ingegaan. Ik had geen zin om het risico te lopen dat een tafelgast even jolig in drie minuten de boodschap van dertig jaar van mijn leven om zeep zou helpen.

"Het was tijd om de mythe van de wetenschap te doorbreken."

In het kort heb ik daar betoogd dat we te maken hadden met een gemythologiseerd systeem waarin kwaliteit gelijk was gesteld aan impactfactoren en wetenschappers moeten vechten om krediet op te bouwen om hun toko draaiende te houden.

Ik heb ervoor gepleit dat het tijd was de mythe van de wetenschap te doorbreken. We doen niet wat we aan de maatschappij beloven, een hoop mensen zijn daar ongelukkig over en wat we publiceren is lang niet altijd van waarde. Kortom: we hebben een heel groot probleem.

Diezelfde avond hadden we een diner waarbij Jos Engelen, destijds de voorzitter van NWO ook aanschoof. Die was boos. ‘Dit is heel slecht voor de wetenschap, dit gaat ons kosten!’ riep hij ons toe.”

U was een nestbevuiler?

“Ja, zo werd dat wel gezien. Ook Cees Veerman, destijds voorzitter van de raad van bestuur van NWO, vond dat wij enorme risico’s liepen door dit zo publiekelijk aan de kaak te stellen. ‘Wat denken jullie wel niet?’ kregen we naar ons hoofd. Want stel je nu eens voor dat NWO geld zou besteden aan slecht onderzoek. Dat kon natuurlijk niet waar zijn.

Wat ze ons onder andere voor hielden was dat de beoordelingscommissies van NWO juist heel goed hun werk deden, met kennis van zaken en helemaal niet gefixeerd waren op impact factoren.

Ons voordeel was dat wij zelf in die commissies hadden gezeten, en hadden gezien hoe het er daar aan toeging. Onze reactie was dan ook: ‘wij snappen ook wel dat jullie het lastig vinden om te horen, maar je hebt toch even pech’.

Je zou ook kunnen zeggen, dit is nu eenmaal hoe wetenschap werkt

“Ik ga niet akkoord met die houding. Het is niet intrinsiek eigen aan het systeem en al helemaal niet aan de wetenschap! Wetenschap hoeft niet per definitie zo te werken. Mensen, vooral jonge onderzoekers worden in feite uitgebuit, het is gewoon een ontspoord kapitalistisch productiesysteem.

"Een heleboel mensen waren blij dat de omerta nu eindelijk doorbroken was."

Maar wat gebeurde er ook? Ineens waren er een heleboel meer mensen die blij waren dat de omertá nu eindelijk doorbroken was. Die academici konden eindelijk opgelucht ademhalen. Nu konden ze zeggen dat het systeem niet klopte, zonder gelijk het stigma ‘loser’ op zich gedrukt te krijgen.”

In tijden van #woinactie is het misschien een vreemde vraag, maar die luie academici uit het verleden waar steeds op wordt teruggeslagen, waren die er nu ooit echt?

“Er waren in de jaren ’60 inderdaad ‘luie’ academici. Ik heb zelf gestudeerd in de jaren ’70 en dat was een tijd waarin mensen met vaste aanstellingen zeven tot tien jaar over hun promotie deden. En sommigen daarvan schreven helemaal niks op.

Voor die werkhouding was ook wel een verklaring. Iedere babyboomer die het wilde kreeg een vaste baan. Er waren simpelweg veel mensen nodig om de universiteiten op te bouwen, dus als je als student in de jaren ’70 om je heen keek in de academie zag je gewoon een heleboel mensen die we nu ‘luie types’ zouden noemen.

Dat wilde men destijds in de jaren ’80 ‘dynamiseren’, ook zo’n prachtige McKinsey term. Dat dynamiseren was nodig en deels goed. Maar álles is nu dynamisch, competitief en kort-cyclisch geworden en we gebruiken de eerste geldstroom om projecten uit andere geldstromen te matchen. En omdat de eerste geldstroom zelf zo’n schaars goed is geworden is de kwaliteitseis onhaalbaar geworden.

We wilden vernieuwing, we kregen eenvormigheid.

Het is flink uit de hand gelopen. Nu zitten we aan de andere kant van het spectrum. Iedereen doet fancy onderzoek om mee te gaan met de hype van nieuw en nieuwswaarde, actueel zijn en korte termijn impact. Op het Nederlands Kanker Instituut, maar ook elders, mocht je in de negentiger jaren niet publiceren in een tijdschrift met een impactfactor, van zeg, onder de 4. Zo is de publicatie-bias erin geslopen. Want negatieve bevindingen komen doorgaans niet in de ‘toptijdschriften’ terecht.”

Maar dat is toch wat we wilden, dynamiseren en de output verhogen?

“Dat werd het wetenschapsbeleid, maar als je nu terugkijkt moet je jezelf de vraag stellen wie daar nu eigenlijk belang bij hadden? Nu zit iedereen in die vierjarige cycli, en daarmee hang je de wetenschap heel erg op aan carrières. Het is net een computerspelletje waarbij je steeds probeert naar een hoger level te komen door publicaties aan je CV toe te voegen.

"Wie hadden er nu eigenlijk belang bij het 'dynamische' wetenschapsbeleid?"

Ik denk overigens ook dat dit is waar #woinactie in essentie over gaat. Willem Schinkel bevroeg hen in De Groene Amsterdammer onlangs op het punt wat nu eigenlijk hun agenda is. Is het: ‘nu meer geld nodig om meer van hetzelfde te doen’, of willen jullie het anders gaan doen? Ik denk dat zij zich moeten realiseren dat je de sturing van het systeem anders moet aanpakken.

Wij wilden als bestuurders de manier van werken ter discussie stellen. In de eerste plaats omdat het systeem van belonen en waarderen, en de werkwijze die daaruit voortvloeit te weinig werkelijk toevoegt aan de wetenschap. Er moet een veel consistentere basis zijn in afstemming en dus het bepalen van de onderzoeksagenda met de samenleving.“

Maar het systeem dat jullie bekritiseerden werkte voor sommigen juist heel goed.

“Dat systeem liep en er was uiteraard een groep mensen die daar ‘happy’ mee was want hun onderzoek scoorde goed in tijdschriften en bij subsidiegevers. Er is terecht veel kritiek op het gebruik van de klassieke ‘metrics’, vooral de Journal Impact Factor. Daardoor is er ernstige overwaardering voor papers in de typische tijdschriften met hoge Journal Impact Factor ten nadele van goed werk in goede tijdschriften.

Dit heeft grote invloed op het onderzoek dat we doen en ook op wat we niet doen: ‘metrics shapes science’. Het merendeel van de onderzoekers was daar helemaal niet ‘happy’ mee. Ik heb als decaan meer dan eens te horen gekregen van hele goede onderzoekers: ‘Ik weet niet wat jij doet, maar ik kap ermee.’

Zo iemand was dan net veertig, had net de eerste grote project tot een goed einde gebracht en zei: ‘Ik vertik het. Ik ga niet langer op mijn kop staan om nu weer iets nieuws modieus te moeten gaan doen.’ En dat is een slecht teken.

"Ik heb als decaan meer dan eens te horen gekregen van hele goede onderzoekers: ‘Ik weet niet wat jij doet, maar ik kap ermee.’"

De meest slimme mensen dachten: dit is niet aan mij besteed. Dit is een spelletje voor zogenaamde snelle jongens en daar wil ik niet bij horen. Er zijn ook mensen die niet tot dat inzicht komen. Ergens is dat misschien omdat ze aanvoelen dat als ze zichzelf toestaan om zich dat te realiseren, dat het dan over is met hun motivatie. Het feit dat we allemaal zo gesocialiseerd zijn, maakt dat we het niet meer zien.”

Uiteindelijk is het gedachtegoed van Science in Transition wel degelijk opgenomen en speelt het een prominente rol in het huidige wetenschapsbeleid. Wat was het omslagpunt?

“Het klopt dat het nu veel meer geaccepteerd is. Het feit dat onder andere oud-minister Bussemaker destijds in het openbaar aangaf dat we een punt hadden was een enorme steun in de rug. Ook het Rectorencollege, onder leiding van UvA-rector Dymph van den Boom, gingen op een gegeven moment overstag hoewel hun verwijt was dat we buitensporig kritisch waren geweest. De wetenschapsvisie najaar 2015 en de Nationale Wetenschapsagenda kwamen toen als de nieuwe plannen uit OCW.

Tot onze eigen verbazing werd Science In Transition een instituut. We werden ineens heel serieus bij allerlei ontwikkelingen betrokken, ook in de EU. Niet alleen nationaal maar ook in Europa werd Science in Transition opgepikt. Je zag het bijvoorbeeld terug in het plan Science 2.0 dat letterlijk die ondertitel kreeg. We werden aangehaald als beweging in Nederland dat een voorbeeld is.”

Toch is Science in Transition als beweging zelf niet verder ‘gegroeid’. Het is gebleven bij de oorspronkelijke vier auteurs van het manifest. Waarom is dat?

“We kregen dat advies van Peter Blom van de Triodos Bank. Hij was een spreker op dat eerste symposium. Die adviseerde dat we ons niet moesten laten inkapselen. En er kwamen inderdaad allerlei mensen op ons af die met ons sympathiseerden, maar we hebben er expres nooit verder een beweging van gemaakt. We wilden nergens bij en we hoefden ook niemand erbij. Vier mensen met een helder verhaal zijn veel gevaarlijker dan een belangenvereniging.”

In het verlengde daarvan is het opvallend dat jullie vanuit Science in Transition nooit een openlijk appel hebben gedaan op jonge wetenschappers. Waarom niet, zij zijn toch de toekomst van de wetenschap?

“Die vraag krijg ik heel vaak. De vraag wat promovendi en postdocs kunnen doen. Ik moet daar heel eerlijk over zijn. Ik denk dat zij degene zijn die binnen het bestel de minste macht hebben. Ze produceren de bulk van de data en zijn voor hun carrière geheel afhankelijk van hun leidinggevenden.

"Jonge wetenschappers vormen de onderlaag van de piramide en hebben in dat systeem heel weinig macht."

Ik ga ze dus ook niet opfokken en in beweging proberen te krijgen als daar geen plan voor is. We hebben geen krachtige vakbonden, we kunnen niet staken. Natuurlijk moeten de jonge wetenschappers dit steunen maar ik wil niet te veel van ze vragen. Zij vormen de onderlaag van de piramide en hebben in dat systeem heel weinig macht. Ik vind dat je de verantwoordelijkheid voor het veranderen van het systeem dus niet op hen moet afschuiven.

Ik heb me ten aanzien van de promovendi tot op zekere hoogte wel vergist. Het promovendi netwerk Nederland en locale PhD Councils hebben een heldere stem gekregen die stevig klinkt en via de medezeggenschap zie je dat jonge onderzoekers en studenten wel degelijk hun invloed kunnen hebben.”

Er is u meermaals het verwijt gemaakt dat het wel heel makkelijk praten is dat alles anders moet voor iemand die al ‘arrivé’ is. Dus hoe krijg je mensen mee in de transitie en geef je ze het gevoel dat ze deze ook kunnen ‘overleven’?

“Dat verwijt is mij meermaals gemaakt, en dat trek ik mij natuurlijk aan en ik weet ook dat het zo is. Science in Transition kwam ook uit de institutionele hoek. Het is daarom ook niet heel vreemd dat velen, de mensen in mijn eigen UMC inclusief, ons een beetje verdacht vinden.”

Wat je daar aan doet? Dat houdt in dat je zelf ‘in huis’ een commissie installeert met de vraag: hoe gaan wij zelf om met dit gegeven? Op welke indicatoren willen onderzoekers beoordeeld worden? Hoe gaan we om met auteurschappen? Tegen afdelingshoofden bijvoorbeeld zeggen dat het niet de bedoeling is dat zij op elk paper hun naam zetten. Daar moeten regels voor zijn. We hebben dus niet gewacht tot, anno 2018, de VNSU, NFU en NWO hebben besloten hier werk van te maken.”

Inmiddels wordt belonen en waarderen inderdaad op nationaal niveau aangepakt. Heeft dat kans van slagen?

“Jazeker, maar vergis je niet, dit zal weerstand oproepen. Zeer begrijpelijk, want metrics zoals het gebruik van de Journal Impact Factoren en het personeelsbeleid hangen namelijk nauw samen. Er is een directe relatie tussen de manier waarop we onderzoekers beoordelen en hoe we het onderzoeksgeld verdelen.

Op dit moment laten wij het personeelsbeleid in feite over aan de subsidieverstrekkers, vooral NWO heeft heel veel invloed. Dat weten zij ook wel, maar zij zeggen daarbij: ‘jullie moeten ons niet de schuld geven’. Dat is ook te makkelijk, en daar hebben zij ook gelijk in.

"Waar het op neerkomt is dat een externe commissie bepaalt wie er bij mij hoogleraar wordt. Het moet toch niet gekker worden."

Maar waar het wel op neerkomt is dat er commissies van vijftien man in een of ander vergadercentrum zitten te overleggen over subsidievoorstellen. Daar bepalen zij wie er in onze instituten hoogleraar mogen worden. Het moet toch niet gekker worden. Dat kunnen en moeten we in de universiteiten zelf bepalen.

Dat lijkt nu te gaan gebeuren, en als we minder op impactfactoren gaan sturen en meer op inhoud en op maatschappelijke impact, dan gaat het geld anders verdeeld worden. Naast NWO zijn de Goede Doelen stichtingen (the charities) in Nederland en Europa deze weg al op gegaan.

Als je intern zegt dat je niet op die metrics manier wilt kijken naar mensen, waarom wil je dat beeld naar buiten toe dan wel uitstralen? Op een gegeven moment zullen we het echt gaan hebben over metrics zoals de Shanghai Ranking en dan komt onvermijdelijk de vraag op of we daar nog wel aan mee willen doen. Als je een nieuw systeem van belonen en waarderen doorzet, zoals nu hopelijk wordt gedaan door de VSNU, dan kom je daar sowieso op uit.

Het werkt nog steeds zo dat als jij hogerop wilt in het systeem, het helemaal niet interessant is wie jouw artikelen lezen. Het is zaak dat je jezelf in de kijker speelt bij de internationale jetset. Je moet vrienden hebben in hoge plekken.”

Nu gaat u aan de slag als hoogleraar open science. Is dat een nieuw onderwerp of ligt het in het verlengde van wat Science in Transition doet?

“Voor mij staat open science sinds 2015 pas echt op de radar, maar dan ook weer in de vorm van een onvermijdelijk uitvloeisel van een andere manier van belonen en waarderen. Als we ophouden met het verkeerd gebruiken van metrics dan is dat een logisch vervolg.

"Als we het echt gaan hebben over het verlaten van metrics, dan zal ter discussie komen of we wel met rankings mee moeten blijven doen."

De open science beweging is wel anders. Die komt oorspronkelijk veel meer uit de onderzoekers zelf. Het is een hele sterke grassroots beweging van mensen die het ideaal van wetenschap heel serieus nemen.”

Is open science het antwoord op de problematiek waar de wetenschap momenteel in verkeert?

“Ik denk zelf dat het in hoge mate dat wel is. Als je open science gaat bedrijven zoals het uitgespeld is; dat betekent meer data delen, reproduceren, geen metrics meer maar inhoud en impact, dat je dan een heel eind komt. De vraag is alleen hoe je daar komt en wie je onderweg tegenkomt.”

U voorziet beren op de weg?

“Het gaat zeker niet zonder slag of stoot. De discussies zullen steeds worden gevoerd over wat de kwaliteit bepaalt en daarachter zal steeds weer een belang schuilen, dat heb ik inmiddels wel geleerd. Men zal voor zijn of haar onderzoek op komen. Maar we gaan die discussies wel opentrekken. En dat is heel spannend, en het zal zeker tien jaar duren voordat we zicht hebben op de lange termijn effecten van open science, er zijn altijd onbedoelde effecten die we moeten bestuderen en mitigeren.

Voor veel mensen gaat open science nu nog heel erg over publiceren en open access. Maar open science gaat echt over een veel breder beeld van hoe we wetenschap doen en met wie en voor wie we het doen. En het belangrijkste daarbij is dat het veel dichter bij de maatschappij moet komen te staan. Er zit altijd een angstfactor in het geven van openheid. Willen mensen wel weten hoe de worst gemaakt wordt?”

Dat klinkt weer als het doorbreken van die mythes waar het Science in Transition ooit om te doen was. Maar is het inderdaad wel slim om open te zijn over het gegeven dat wetenschap gewoon een ‘messy business’ is?

“Zijn we bang voor een maatschappelijk discours? Neen. We moeten niet bang zijn om geloofwaardigheid te verliezen door openheid te geven. Ik denk eerder dat we daardoor geloofwaardiger worden.

Als Diederik Stapel destijds openheid had moeten geven over zijn data dan waren collega’s zijn fraude al veel eerder op het spoor gekomen. Met open science anticipeer je juist veel meer op dit soort situaties.”

In 2016 werd u zelf geconfronteerd met misstanden die lange tijd buiten het zicht waren gehouden toen de KNO-afdeling van het UMC Utrecht in opspraak raakte. Had meer openheid daar geholpen?

“Je schrikt je rot als dit soort zaken aan het licht komen. En het is vaak niet omdat mensen inherent slecht zijn of slechte bedoelingen hebben. Zo gaan dingen, ook als je probeert goede dingen te doen.

Wij hebben ons door die situatie meerdere malen gerealiseerd welk soort beleid we – ook impliciet – aan het voeren waren. En er kwamen vragen op zoals: waarom hebben wij hier eigenlijk 1200 promovendi in huis en bij de veterinaire faculteit nog steeds maar 50? En welk effect dat heeft in een UMC. Je realiseert je dan dat er dingen echt niet goed gaan of zijn gegaan, maar dat je daar vanuit je bestuurlijke cockpit te weinig zicht op had.

Let wel, ik ben dus niet naïef. Als je meer openheid geeft is er meer te bekritiseren. Maar dat is dan een werkelijkheid waar je naar moet handelen, en dat betekent bijvoorbeeld ook dat je goed kijkt naar hoe je met je eigen medewerkers omgaat. Bij ons heeft het ons er heel erg toe gedwongen om te kijken naar ons leiderschap.”

Dus open science houdt de universiteit op het rechte pad?

“Dat is wel waar ik vanuit ga, en het dwingt je om de juiste vragen te stellen. Waar was de universiteit nu eigenlijk voor? Niet om te bevestigen wat we al deden, maar juist om te bevragen hoe en waarom we de dingen doen, dat is volgens mij de essentie. Dus ja, open science, ook al leidt dat of juist omdat het leidt tot discussies en soms weerstand in de academie, daar sta ik achter.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK