“Ik zou nooit voorzitter van een koepel willen worden”

Nieuws | door Frans van Heest & Sicco de Knecht
15 februari 2019 | “Ik ga niet op de stoel van mijn opvolger zitten, maar het geld van het studievoorschot is ook gewoon bedoeld voor gelijke kansen.” Jet Bussemaker ziet veel raakvlakken tussen haar nieuwe baan als hoogleraar in Leiden en haar ministerschap van OCW. Zowel in de zorg als het onderwijs blijft ze hameren op meer gelijke kansen.
Jet Bussemaker – foto: Universiteit Leiden

Jet Bussemaker is ruim een jaar minister af en inmiddels al een half jaar hoogleraar aan de Universiteit Leiden. Zij doet daar onderzoek naar de maatschappelijke impact in de zorg. Vanmiddag houdt zij haar oratie. Met ScienceGuide blikt zij vooruit op wat ze gaat doen en kijkt ook terug op haar ministerschap.

Waarom ze voor deze baan heeft gekozen heeft verschillende redenen, zo legt Bussemaker uit. “Ik heb altijd goed contact gehad met de Universiteit Leiden. Ik wist dat ik weer iets wilde doen met de kennis die ik opgedaan heb in al die sociale domeinen, als Kamerlid, minister en staatssecretaris. Daar wilde ik iets mee doen dat meer reflecterend en inhoudelijk is.”

Tegelijkertijd is het werken met jongere generaties, studenten en promovendi, voor haar een groot pluspunt. “Ik wilde niet een baan waarbij ik alleen maar met bestuurders aan tafel zou zitten. Ik zou bijvoorbeeld nooit voorzitter van een koepel willen worden.” Het opdoen van inspiratie door veel samen te werken met jonge generaties herkent de minister ook van de HO-tour die zij maakte als minister in voorbereiding op de strategische Agenda Hoger Onderwijs. “Waar ik energie van krijg, ook als minister, was bijvoorbeeld zo’n HO-tour. Maar ook met gesprekken met kunstenaars, creatieve en leuke nieuwe dingen ontdekken.

Specialisten en generalisten

De verse hoogleraar is eerlijk over dat haar carrièrepad bepaald niet lijkt op dat van veel van haar collega’s. “Ik ben eigenlijk een herintreedster,” stelt Bussemaker. “Een heleboel collega’s van mij die hoogleraar worden die hebben vaak ook al wat promovendi want die zijn al als UHD betrokken bij proefschriften. Voor hun is het gewoon een volgende stap in hun loopbaan.”

Ook de kennis en expertise van Bussemaker verschilt nogal van haar directe collega’s op de gang in het LUMC en de Haagse Campus van de Universiteit Leiden. “Mijn directe collega’s weten heel veel van een heel klein onderdeel. Daar kan ik mij zelf natuurlijk nooit mee meten. Maar ik heb wel iets wat uniek is en wat geen van hen heeft en wat zeker ook voor studenten bestuurskunde en geneeskunde superinteressant is. Ik kan ze inzicht geven in hoe politiek en bestuur omgaan met thema’s in de zorg.”

Met haar hoogleraarschap wil Bussemaker vooral de maatschappelijke impact van het onderzoek naar gezondheidszorg vergroten. Ze wil dat doen door veel meer de brug te slaan tussen de wetenschap in de praktijk. “Eigenlijk helemaal de Science in Transition gedachte,” geeft ze toe. “Dat is zeker iets dat ik met Frank Miedema, een van de voorgangers van die beweging, deel.”

Stem uit het veld

Terugblikkende op de periode van haar ministerschap waar Science in Transition flink aan de wetenschappelijke boom stond te schudden is Bussemaker opvallend positief. Het is voor een minister vaak juist fijn als er een heldere stem uit het veld is die problemen aankaart. “Als minister heb je zo je eigen opvattingen, maar het is ook heel fijn als er mensen zijn uit de academische wereld die openlijk kritiek uiten. Dit waren ook mensen met een positie van gezag uitstralen. Je kunt tegen een bestuurder van een UMC niet zeggen: ‘toedeledokie het is grappig wat je zegt, maar we doen er helemaal niets mee.’”

Als minister heeft Bussemaker namelijk ervaren dat de maatschappelijke impact van onderzoek, ook binnen NWO, niet altijd op de eerste plek kwam. “Ik vond dat destijds bij NWO wel heel erg met dedain werd gekeken naar maatschappelijk onderzoek. Ik weet ook wel dat er bij NWO mensen waren die bijvoorbeeld de academische werkplaatsen bij academische ziekenhuizen maar een beetje ‘zo-zo’ vonden. ZonMw had wat dat betreft wel sneller wat de toegevoegde waarde van zo’n samenwerking is.”

In het binaire stelsel vindt men elkaar

In Den Haag, de meest gesegregeerde stad van het land, kiest zij ook voor een wijkaanpak met haar onderzoek naar ongelijkheid in de zorg. Daarbij werkt ze goed samen met de Haagse Hogeschool. Wat dit soort samenwerkingen, tussen hbo en wo, betreft ziet ze dat er veel veranderd is aan de verhoudingen in het hoger onderwijs.

“Er is echt iets aan het veranderen.” Terugblikkend op haar tijd als bestuurder in een College van Bestuur waar een hogeschool en universiteit onder zaten ziet ze grote verschillen. “Destijds heb ik genoeg mensen gezien die zo’n samenwerking eigenlijk maar helemaal niets vonden. Sommige mensen bij de UvA maar ook daarbuiten keken echt met dedain neer op de hogeschool. Toen heb ik ook wel een keer tegen burgemeester en wethouders gezegd: ‘jullie moeten eens kijken wat voor juweeltjes aan kennis op de hogeschool ontwikkeld worden die juist heel belangrijk zijn voor de stad.’ Ik hield heel erg van het Science Park, maar er is meer dan dat.”

Zonder er al te diep op in te gaan waren er volgens de oud-rector van de HvA verschillende redenen waarom die bestuurlijke fusie tussen de HvA en UvA fout is gegaan. “Er zijn heel veel redenen geweest waarom dat fout is gegaan. Alleen al de grootte, met die aantallen studenten en de aansturing van die twee kolossale instellingen. De HvA had alleen al 50.000 studenten. Dan moest ik de HvA besturen en dan was ik ook verantwoordelijk voor de benoemingen van de hoogleraren van de UvA.”

Studievoorschot en Gelijke Kansen

Tijdens haar rectoraat zag Bussemaker al dat de samenwerking tussen hbo en wo in andere steden beter ging. “Ik zag toen al bijvoorbeeld dat de Hogeschool Utrecht en de Universiteit Utrecht beter samenwerkten dan wij in Amsterdam.” Ze staat echter nog steeds achter de doelstellingen van de samenwerking die volgens haar heel nobel waren. “Het was ook bedoeld in het kader van gelijke kansen en het laten doorstromen van studenten van hbo naar wo en dat is daar absoluut onvoldoende aan gebeurd. Het was zelfs zo dat studenten van de HvA naar de Vrije Universiteit doorstroomden, en niet naar de UvA.”

Gelijke Kansen blijft een thema van de oud-minister. Ook in de zorg staat het thema bij dit hoogleraarschap centraal, legt Bussemaker uit. Want de verschillen nemen ook hier toe. “De gezondheidsverschillen en de gezondheidswinst tussen hoog- en laagopgeleiden zijn eerder groter geworden. We zien bij hoger opgeleiden dat ze gemiddeld langer leven en dat het verschil in het aantal jaren dat mensen in goede gezondheid leven steeds groter wordt. Dat de pensioenleeftijd wordt verhoogd treft laagopgeleiden steeds harder, zij hebben minder gezonde levensjaren tijdens hun pensioen.”

Het thema staat dus ook nu weer volop in haar belangstelling en Bussemaker weet uit eigen ervaring hoe hardnekkig het probleem kan zijn. “Want mijn frustratie was natuurlijk enorm toen de Onderwijsinspectie in 2015 met dat zeer ernstige rapport kwam over de toegenomen ongelijke kansen in het onderwijs. En bij doorvragen kreeg ik als antwoord: we weten nog zo weinig. Er was onderzoek naar gedaan dus niemand kon ons duidelijkheid bieden over wat nu goede interventies zouden zijn.”

Geen representatieve studentenpopulatie

Wat nog wel het meest frustrerende was voor Bussemaker was dat zij uitgerekend als minister zo weinig kon doen. “Met dat Inspectierapport voelde ik me ontzettend machteloos. Dat vond ik eigenlijk wel heel erg, je bent minister en je wordt geacht om macht te hebben.” Nu ze iets meer dan een jaar minister af is ziet Bussemaker met lede ogen aan dat haar eigen beleid niet altijd positief uitpakt. In haar oratie staat zij ook stil bij het onderzoek naar decentrale selectie.

Uit recent onderzoek blijkt namelijk dat decentrale selectie het vooral ‘brave witte meisjes’ selecteert. “Bij selectie moet je ook kijken wat je doelstellingen zijn. Is je doelstelling alleen maar studiesucces van de studenten? Ik heb in mijn voorstel ook nog een passage gezet dat het goed zou zijn als we na zouden denken over de representativiteit van de studentenpopulatie.”

Decentrale selectie bevoordeelt ‘brave witte meisjes’

Met een blik op de geneeskundeopleiding in Leiden, waar Bussemaker gastcollege geeft, is ze kritisch op de diversiteit van de studentenpopulatie. “Als ik nu kijk waar ik nu werk bij het LUMC. De studenten geneeskunde moeten straks onder andere in de Schilderswijk gaan werken. Dan kan het ook wel heel erg nuttig zijn als daar studenten tussen zitten die iets meer van die wereld kennen.”

Anders belonen en waarderen in de academie

Wat Bussemaker nu vooral zo aantrekkelijk vindt aan haar huidige werk is dat zij in een team met wetenschappers kan opereren. Ook in het kader van de nieuwe discussie bij universiteiten over waarderen en belonen ervaart zij de meerwaarde van team science. “Ik vind dat er variatie moet zijn in de academische wereld. Ik zou het ook heel belangrijk vinden als we meer kijken naar hoe je als team functioneert. Ik kan hier wat inbrengen op van mijn politieke ervaring, dat kan alleen omdat ik hier werk met mensen die naast hoogleraar ook nog huisarts zijn of gezondheidswetenschapper. Als team kun je iets voor elkaar krijgen.”

instellingen en financiers gaan wetenschappers anders belonen en waarderen

Maar ook het waarderen van het geven van onderwijs in de universiteit verdient een nieuwe impuls. “Ik wil maar benadrukken dat je al die verschillende kwaliteiten nodig hebt in een team. Zoals je ook mensen nodig hebt die supergoed zijn in het geven van onderwijs. Het gaat mij nog steeds aan het hart en ik vind het vreselijk, ik zie het om me heen, dat er collega’s zijn die onderwijs geven eigenlijk heel leuk vinden, maar het niet doen, omdat ze denken dat het hun carrière schaadt.”

Maar bij een team met verschillende kwaliteiten hoort ook een juiste man-vrouw verhouding. Op dit punt kijkt de minister met veel voldoening terug op het Westerdijkimpuls. Een subsidie van €5 miljoen om 100 extra vrouwelijke hoogleraren aan te stellen. “Ik zie dat door die Westerdijkimpuls op heel veel universiteiten weer een flinke stap is gezet. Ook dat zal geëvalueerd moeten worden. Want het zou niet zo mogen zijn dat vrouwen dan op de Westerdijkimpuls zouden worden aangenomen en de reguliere posities dan weer naar mannen zijn gegaan. En ik weet ook dat er vrouwen zijn – wat ik snap – die niet willen dat bekend wordt dat zij op een Westerdijkpositie zitten. Dat snap ik ook want het zijn allemaal vrouwen die buitengewoon goed gekwalificeerd zijn als hoogleraar.”

College over gender en Zwarte Piet

Bussemaker is ook tijdens haar hoogleraarschap voornemens om les te gaan geven bij geneeskunde. “Bij de bachelor geneeskunde ga ik wel af en toe een onderdeel van een programma geven om die maatschappelijke en politieke dimensie mee te geven aan de studenten. Wie beslist er nu eigenlijk over de kosten van de zorg?”

Daarnaast geeft de oud-minister nu al een vak aan het Leids University College en dit wordt uitgebreid. “Volgend jaar ben ik van plan een vak geven voor studenten bestuurskunde, geneeskunde en van het LUC over de dilemma’s en gelijke kansen in de zorg en dat in vergelijking met andere sectoren.”

Onlangs heeft Bussemaker op het LUC een vak gegeven over populisme en identiteit “Ik heb daar college gegeven over de opkomst van populisme en over de opkomst van identiteit in de politiek. Dat gaat over gender, transgenders, Zwarte Piet. Het is heel leuk om dat met een groep van internationale studenten te bespreken. Die hebben ook hun ervaring en kennis uit Engeland, Italië en de VS. Transgenders is met Trump ook weer een hot-topic geworden en ik probeer dan studenten ook uit hun comfortzone te halen. Zo’n University College is natuurlijk ook ontzettend leuk, omdat er heel veel gemotiveerde studenten zitten..”

Ook hier weer heeft zij tijdens haar ministerschap van OCW gehamerd op diversiteit. “Ik heb bijvoorbeeld een keer alle deans van de University Colleges uitgenodigd op het departement om te praten over hoe diversiteit onderdeel van beleid kan zijn. Toen ontstond er wel verwarring, een aantal deans zeiden: ja wij zijn heel divers, wij hebben ook Chinese studenten.”

“Dat is dan weer niet de diversiteit die ik voor ogen heb. Ik vind dat de toenmalige dean van de University College in Amsterdam, Marijk van der Wende, het goed aanpakte. Die had een samenwerking met een scholengemeenschap in de Bijlmer Amsterdam. Ik ga niet op de stoel van mijn opvolger zitten, maar ik wil wel dit zeggen: het geld van het studievoorschot is ook gewoon bedoeld voor gelijke kansen.”

Bussemaker is opvallend snel met het uitspreken van haar oratie. Meestal laten hoogleraren pas na een jaar of langer van zich horen. Maar dat heeft volgens haar een reden. “Ik loop hier al een half jaar rond. Ik ben van de zomer begonnen. Veel hoogleraren die hun oratie houden doen dat pas na een jaar. Ik heb het iets naar voren gehaald omdat ik merkte dat ik een hele nieuwe leerstoel heb en voor je het weet gaan andere jouw leerstoel voor je invullen. Daarom dacht ik ook ik moet gewoon zelf mijn eigen kaders schetsen anders word ik een soort speelbal van iedereen die iets van mij wil.”

Vanmiddag om klokslag 16:15 uur spreekt prof. dr. Jet Bussemaker haar oratie uit in de Aula van de Universiteit Leiden.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK